ECLI:NL:RBZWB:2025:9264

ECLI:NL:RBZWB:2025:9264, Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 17-12-2025, C/02/442248 / JE RK 25-2081

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 17-12-2025
Datum publicatie 09-01-2026
Zaaknummer C/02/442248 / JE RK 25-2081
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Rekestprocedure
Zittingsplaats Middelburg

Samenvatting

OTS

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht

Locatie Middelburg

Zaaknummer: C/02/442248 / JE RK 25-2081

Datum uitspraak: 17 december 2025

Beschikking van de kinderrechter over een verlenging van de ondertoezichtstelling en over een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing

in de zaak van

de gecertificeerde instelling WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING EN JEUGDRECLASSERING, gevestigd te Amsterdam,

hierna te noemen de GI,

over

[minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2022 in [geboorteplaats] ,

hierna te noemen [minderjarige] .

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de moeder] ,

en

[de vader] ,

hierna te noemen de ouders,

beiden wonende in [plaats 1] ,

[de pleegouders] ,

hierna te noemen de pleegouders,

wonende in [plaats 2] .

1. Het verloop van de procedure

De kinderrechter neemt het volgende stuk mee in de beoordeling:

- het verzoekschrift van 6 november 2025 met bijlagen.

De mondelinge behandeling met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 7 december 2025. Daarbij waren aanwezig:

de pleegmoeder;

een vertegenwoordigster van de GI.

Opgeroepen, maar niet verschenen zijn:

- de ouders.

2. De feiten

De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .

Bij beschikking van de kinderrechter van 26 januari 2022 is de toen nog ongeboren baby [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 26 januari 2022 en tot 26 januari 2023.

De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 3 januari 2023 deze ondertoezichtstelling verlengd met ingang van 26 januari 2023 en tot 26 januari 2024.

Bij beschikking van 21 juli 2023 heeft de kinderrechter, zonder het voorafgaand horen van belanghebbenden, een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing [minderjarige] bij voorkeur in een pleeggezin verleend voor de duur van twee weken met ingang van 21 juli 2023 en tot 4 augustus 2023, onder aanhouding van het restant.

Bij beschikking van 26 juli 2023 heeft de kinderrechter de (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] verlengd voor de duur van drie maanden, met ingang van 4 augustus 2023 en tot 4 november 2023. Het resterende deel van het verzoek, te weten tot 26 januari 2024, is vervolgens toegewezen bij beschikking van 27 oktober 2023.

Bij beschikking van 27 december 2023 heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd met ingang van 26 januari 2024 tot 27 december 2024. Tevens is de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verlengd met ingang van 26 januari 2024 en tot 27 december 2024.

Bij beschikking van 20 december 2024 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd voor de duur van een jaar, te weten met ingang van 27 december 2024 en tot 27 december 2025. Hiernaast is de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verlengd voor de duur van zes maanden, te weten met ingang van 27 december 2024 en tot 27 juni 2025.

Bij beschikking van 17 juni 2025 is de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verlengd voor de duur van zes maanden, te weten met ingang van 27 juni 2025 en tot 27 december 2025.

[minderjarige] verblijft op basis van voornoemde beschikking in een pleeggezin.

3. Het verzoek

De GI heeft verlenging van de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verzocht voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van een jaar. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4. De standpunten

De GI handhaaft het verzoek. Het gaat goed met [minderjarige] in het pleeggezin. Wel is te zien dat [minderjarige] af en toe driftbuien kan krijgen als iets voor hem niet duidelijk is. [hulpverlening] is ingezet om de bezoeken tussen [minderjarige] en de ouders te begeleiden. In de afgelopen periode is gebleken dat de moeder emotioneel niet beschikbaar is voor [minderjarige] en dat de vader overvraagd wordt. Tijdens de omgang is te zien dat de moeder de kinderen niet begroet en dat ze vooral haar verhaal kwijt wil. Wel pakt ze het praktische gedeelte op, zoals koken. Het lukt de moeder hiernaast niet om de duidelijkheid en structuur te bieden die [minderjarige] nodig heeft. Ze laat de vader het oplossen. In het rapport van Goed genoeg Ouderschap werd dit ook benoemd, maar het lukt de moeder niet om hier iets mee te doen. De moeder geeft bij de GI aan dat het goed gaat en lijkt de noodzaak van de begeleiding niet in te zien. Ze laat de hulpverlening dan ook wisselend binnen. Hierbij heeft de vader bepaalde verwachtingen van de moeder die ze niet kan waarmaken wat leidt tot spanningen tussen de ouders. Als ze ruzie hebben lukt het de ouders niet om met elkaar te communiceren. Wat de GI ook zorgen baart en wat zij tijdens de mondelinge behandeling van de pleegmoeder heeft gehoord, is dat [hulpverlening] er tijdens de laatste twee omgangsmomenten niet bij is geweest en dat [minderjarige] en [persoon 1] afwijkend gedrag vertonen op seksueel gebied. De GI vindt dan ook dat de bezoeken niet onbegeleid mogen plaatsvinden.

Door de pleegmoeder is gesteld dat het redelijk goed gaat met [minderjarige] in het pleeggezin. Hij vindt het fijn bij hen en laat dit ook aan hen merken, door bijvoorbeeld te zeggen dat hij de pleegouders lief vindt. Wel is de laatste tijd aan zijn gedrag te merken dat hij het moeilijk vindt om zijn eigen plekje veilig te stellen. De pleegouders hebben drie kinderen en [minderjarige] gaat snel in de aanval of zoekt confrontaties met hen op. Hiernaast moet hij altijd erg bijkomen als hij bij de ouders thuis geweest is. Hij verblijft hier op zaterdag van 13:00 uur tot 19:00 uur. De pleegmoeder merkt aan [minderjarige] dat hij op seksueel gebied niet de juiste ontwikkeling heeft doorgemaakt en doormaakt. Toen hij ongeveer drie jaar oud was, wilde [minderjarige] bijvoorbeeld de borsten van de pleegmoeder zien als hij terugkwam van zijn ouders. Ook heeft [minderjarige] regelmatig tegen de pleegmoeder gezegd dat [persoon 1] aan zijn piemel heeft gezeten. Als de pleegmoeder vraagt aan hem of dit nog steeds gebeurt, zegt [minderjarige] dat dit nu niet meer gebeurt. Wel heeft [minderjarige] verteld dat hij zijn broek naar beneden trekt samen met [persoon 1] in het bed van zijn broer [persoon 2] . De pleegmoeder vindt dit erg zorgelijk. Er is dan ook begeleiding nodig tijdens de omgangsmomenten, maar de laatste twee keer was er geen begeleiding bij de bezoeken, omdat de ouders dit af hebben gezegd. Sinds de vader stabiel is, lukt het ook beter om voor [minderjarige] te zorgen. De vader is stabiel, mede omdat de pleegouders hem op werk- en financieel gebied helpen. De pleegmoeder herkent tot slot niet alles wat in het verzoek van de GI staat. Er wordt bijvoorbeeld benoemd dat de moeder leuke dingen met [minderjarige] doet, dat de hygiëne op orde is en dat de vader eerlijk is over zijn alcoholgebruik, maar dit herkent de pleegmoeder niet.

5. De beoordeling

Pleegouders zijn belanghebbenden

De kinderrechter wijst de pleegouders aan als belanghebbenden. Gelet op art. 798 lid 1 Rv zijn alleen diegenen op wiens rechten of plichten het voorliggende verzoek rechtstreeks betrekking heeft, belanghebbenden in de procedure, waarbij degene die niet de ouder is en die de minderjarige op wie de zaak betrekking heeft gedurende ten minste een jaar als behorende tot zijn gezin verzorgt en opvoedt, wordt aangemerkt als belanghebbende. Daarbij is ook artikel 8 van het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM) van belang. Artikel 8 EVRM beschermt het recht op ‘family life’ en op ‘private life’.. De kinderrechter is van oordeel dat ze dit met [minderjarige] hebben, omdat [minderjarige] inmiddels al sinds 21 juli 2023 in het pleeggezin verblijft.

Wettelijk kader verlenging ondertoezichtstelling

Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 BW kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:

a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;

b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.

Op grond van artikel 1:260 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.

Wettelijk kader verlenging machtiging uithuisplaatsing

Ingevolge artikel 1:265b lid 1 BW kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.

Op grond van artikel 1:265c lid 2 BW kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste een jaar.

Inhoudelijke beoordeling

Uit de stukken en tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat de doelen nog niet zijn behaald en dat er nog veel zorgen zijn. Zo is de moeder emotioneel niet beschikbaar is voor [minderjarige] , terwijl de vader overvraagd wordt. De ouders kunnen [minderjarige] niet zelfstandig de veiligheid en structuur bieden die hij nodig heeft en zijn niet leerbaar. Naast de zorgen die uit het rapport van de GI komen, zijn er tijdens de mondelinge behandeling extra zorgen naar voren gekomen. Het eerste is dat de ouders de omgangsbegeleiding van [hulpverlening] afzeggen, maar dat de bezoeken met [minderjarige] wel doorgaan. Het tweede is dat er zorgen zijn over het gedrag van [minderjarige] op seksueel gebied. Hiernaast blijkt ook dat de pleegmoeder meer (zorgelijke dingen) ziet gebeuren dan in het rapport van de GI vermeld staat. Ze benoemt bijvoorbeeld dat de hygiëne niet altijd op orde is en dat de vader niet altijd eerlijk is over zijn drankgebruik. Dit baart de kinderrechter grote zorg. Hij zal het verzoek van de GI om de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing van [minderjarige] te verlengen voor een jaar dan ook toewijzen. De kinderrechter vindt het hierbij belangrijk dat de GI beoordeelt of de omgang al dan niet door kan gaan op het moment dat de ouders de omgangsbegeleiding afzeggen. Hierbij moet de veiligheid van [minderjarige] voorop staan. Ook moet er meer zicht komen op de seksuele ontwikkeling van [minderjarige] en moet er vanzelfsprekend (blijvend) aan de doelen worden gewerkt.

Uitvoerbaar bij voorraad

De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, omdat het voor de ontwikkeling van [minderjarige] noodzakelijk is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.

6. De beslissing

De kinderrechter:

verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] voor de duur van een jaar, te weten met ingang van 27 december 2025 en tot 27 december 2026;

verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg voor de duur van een jaar, te weten met ingang van 27 december 2025 en tot 27 december 2026;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 17 december 2025 door mr. Duinhof, kinderrechter, in aanwezigheid van drs. Swint als griffier, en op schrift gesteld op 29 december 2025.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?