ECLI:NL:RBZWB:2025:9273

ECLI:NL:RBZWB:2025:9273, Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 17-12-2025, C/02/441968 / JE RK 25-2036

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 17-12-2025
Datum publicatie 09-01-2026
Zaaknummer C/02/441968 / JE RK 25-2036
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Rekestprocedure
Zittingsplaats Breda

Samenvatting

Verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing: plaatsing van minderjarige bij grootouders moet gewaarborgd blijven - minderjarige is lange tijd opgegroeid in turbulente opvoedsituatie - hij is gebaat bij rust en stabiliteit, des te meer omdat in het verleden is gebleken dat de minderjarige van slag kan raken door verandering - GI is perspectiefonderzoek gestart.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht

Locatie Breda

Zaaknummer: C/02/441968 / JE RK 25-2036

Datum uitspraak: 17 december 2025

Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing

in de zaak van

STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,

gevestigd te 's-Hertogenbosch,

hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (GI),

over

[minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2015 in [geboorteplaats] ,

hierna te noemen: [minderjarige] .

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de moeder] ,

hierna te noemen: de moeder,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. S.M.E. van Fraaijenhove van der Maas uit Breda.

[pleegouder 1] EN [pleegouder 2],

hierna te noemen: de pleegouders,

wonende in [plaats] .

1. Het verloop van de procedure

De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 17 november 2025;

een uittreksel uit het gezagsregister van 17 november 2025.

De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 17 december 2025. Daarbij waren aanwezig en zijn gehoord:

- de moeder met haar advocaat;

- twee vertegenwoordigers van de GI;

- de pleegvader.

Hoewel daartoe correct opgeroepen is de pleegmoeder niet bij de mondelinge behandeling verschenen.

De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2. De feiten

De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .

[minderjarige] woont bij zijn pleegouders (grootouders moederszijde). Tot de uithuisplaatsing op 24 december 2024 woonde hij samen met zijn halfzus ( [de halfzus] ) bij de moeder. Feitelijk verbleef hij echter vanaf oktober 2023 met [de halfzus] al bij zijn grootouders.

De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 24 december 2024 [minderjarige] onder toezicht gesteld tot 24 december 2025. Tevens heeft de kinderrechter een machtiging verleend om [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een netwerkpleeggezin, te weten de grootouders, met ingang van 24 december 2024 tot 24 december 2025.

3. Het verzoek

De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar.

Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een netwerkpleeggezin te verlengen voor de duur van één jaar.

De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4. Het standpunt van de GI

Ter onderbouwing van en in aanvulling op het verzoek voert de GI, samengevat, het volgende aan. Het gaat goed met [minderjarige] . Hij is begonnen bij [hulpverlening 1] voor een breed diagnostisch onderzoek. Een tijd terug waren er wat zorgen over de emotieregulatie en mogelijke overprikkeling. Er wordt nog onderzoek gedaan om de behoeften voor zijn ontwikkeling en opvoeding beter in beeld te krijgen. Bij plaatsing bij de pleegouders is niet perspectiefbiedend. De pleegouders van [minderjarige] zijn op leeftijd en er zijn zorgen over hun draagkracht. Zij hebben niet alleen de taak om [minderjarige] en [de halfzus] op te voeden, zij spelen ook een grote rol in het leven van hun dochter, de moeder. [hulpverlening 2] heeft aangegeven dat zij, ondanks het negatieve advies, van mening zijn dat [minderjarige] voor nu wel bij de pleegouders kan blijven tot er een perspectiefbiedend pleeggezin is gevonden. Met de moeder wordt gekeken wat de mogelijkheden zijn voor terugplaatsing. In januari 2026 begint zij bij [psychologenpraktijk] . Er zal een perspectiefonderzoek worden gedaan. Meestal kan er binnen drie maanden een prognose worden gegeven. Op basis daarvan kan worden gekeken waar [minderjarige] kan wonen. De verlenging is noodzakelijk zodat kan worden onderzocht waar [minderjarige] kan gaan wonen. Voorlopig is dat bij de pleegouders. We zijn druk bezig met wat op de lange termijn de juiste plek voor [minderjarige] is. Daarover hebben we gesprekken gevoerd met de moeder en de pleegouders. Voor [minderjarige] bestaat helaas niet de mogelijkheid om te onderzoeken of een netwerkpleeggezin aan vaderszijde mogelijk is. Ook dat onderzoek zal ongeveer drie maanden duren. De verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing zijn daarom noodzakelijk.

5. De standpunten van de belanghebbenden

Door en namens de moeder is het volgende naar voren gebracht. Het gaat vandaag over de verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing en niet over waar [minderjarige] geplaatst wordt, maar er wordt daar wel een opmerking over gemaakt door de advocaat. In de conclusie van het netwerkonderzoek van de GI, deel drie, staat dat de moeder het eens is met het advies dat gezocht moet worden naar een ander pleegzorggezin. Dat is niet het geval. Zo lang de moeder niet voor de kinderen kan zorgen, zou zij graag zien dat de kinderen bij de pleegouders blijven. Er staat onder dit stuk overigens geen handtekening. De advocaat van de moeder heeft contact gehad met de pleegouders en ook zij staan niet achter dit advies. In alle stukken is te lezen dat [minderjarige] het goed heeft bij de pleegouders en dat hem daar veel liefde en warmte wordt geboden. Ook fysiek is het veilig. Alleen over de omgang met de moeder bestond wat onduidelijkheid. Toen dat duidelijk is uitgelegd, is het daarna goed gegaan. De pleegouders zijn volgens de moeder heel vitaal. Dat blijkt ook uit het stuk van [hulpverlening 2] . Er is geen enkel voorbeeld genoemd waarom de leeftijd van de pleegouders ertoe zouden leiden dat zij niet adequaat bij de leeftijd van [minderjarige] aan kunnen sluiten. Het is innerlijk tegenstrijdig dat een negatief advies wordt gegeven, terwijl uit verschillende stukken blijkt dat alles positief is. Verder wordt opgemerkt dat het goed gaat met de moeder. Zij gaat aan de slag bij [psychologenpraktijk] en met Surplus.

Door de pleegvader is het volgende gezegd. De pleegvader sluit zich aan bij wat de advocaat van de moeder naar voren heeft gebracht. De pleegvader vindt dat [minderjarige] bij de pleegouders moet blijven. [minderjarige] krijgt alles dat hij nodig heeft. Het is goed dat [minderjarige] onderzocht wordt. Wij hebben dat ook particulier laten doen. Het rapport daarvan heb ik overgedragen aan pleegzorg, de GI, school en met de psychologen. De kinderen gingen voor anderhalf jaar om de week naar een psycholoog. [minderjarige] wordt nu door één jongen op school gepest. [minderjarige] wil iedereen helpen en legt zelfs zijn eigen werk neer om anderen te helpen. De pleegvader weet dat hij op leeftijd is, maar voelt zich nog jong en bovendien is de pleegmoeder tien jaar jonger. Daar komt bij dat de pleegouders gezuiverd en gescreend zijn. Alles uit het rapport was positief. De pleegvader hoopt dat de moeder laat zien dat het goed gaat en zij zullen daar samen hard aan werken.

6. De beoordeling

Ondertoezichtstelling

Op grond van artikel 1:260 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.

Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 BW kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:

a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;

b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.

Uit de overgelegde stukken en hetgeen tijdens de zitting is besproken blijkt het volgende. [minderjarige] woont sinds oktober 2023 bij de grootouders. Het gaat goed met hem en behalve dat hij af en toe gepest wordt gaat het ook beter op school. [minderjarige] heeft geen contact met zijn vader. De moeder is erg betrokken en ziet [minderjarige] drie dagen in de week. In januari 2026 begint de moeder met therapie voor haar psychische problematiek. De behandeling van [minderjarige] bij [hulpverlening 3] is opgestart en hij is begonnen bij [hulpverlening 1] voor een onderzoek naar zijn emotieregulatie. [minderjarige] vindt het fijn bij de pleegouders. Volgens [hulpverlening 2] is de plek bij zijn pleegouders echter geen perspectiefbiedende plek. De GI heeft een perspectiefonderzoek gestart, waarbij eerst zal worden gekeken naar de mogelijkheden voor terugplaatsing bij de moeder. In het geval dat terugplaatsing niet mogelijk is, zal naar een andere plek voor [minderjarige] moeten worden gezocht.

Gelet op het voorgaande is de kinderrechter van oordeel dat er wordt voldaan aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling. [minderjarige] wordt op dit moment nog ernstig in zijn ontwikkeling bedreigd. Er bestaat nog veel onduidelijkheid en [minderjarige] heeft juist rust en stabiliteit nodig, zodat hij kan doorgaan op de weg die is ingezet. Daar komt bij dat het onderzoek naar de behoeften voor de ontwikkeling en opvoeding van [minderjarige] nog moet worden afgewacht. Het is van belang dat de behandeling die [minderjarige] bij [hulpverlening 3] krijgt doorgaat. In het vrijwillig kader blijkt dit te complex, aangezien een aantal zaken nog steeds serieus geregeld moet worden. De ondertoezichtstelling zal daarom worden verlengd voor de duur van twaalf maanden.

Machtiging tot uithuisplaatsing

Ingevolge artikel 1:265b lid 1 BW kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.

Op grond van artikel 1:265c lid 2 BW kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste een jaar.

De kinderrechter is van oordeel dat de uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van zijn verzorging en opvoeding. Voor de kinderrechter staat vast dat een plaatsing in een pleeggezin op dit moment het beste is voor [minderjarige] . Hoewel de moeder op de goede weg is, behoort een terugplaatsing op dit moment nog niet tot de mogelijkheden. [minderjarige] is lange tijd opgegroeid in een turbulente opvoedsituatie en woont nu al enige tijd bij de pleegouders. Op dit moment gaat het goed met [minderjarige] en krijgt hij rust en stabiliteit. Continuïteit is van belang voor zijn ontwikkeling. Des te meer omdat in het verleden is gebleken dat [minderjarige] van slag kan raken door verandering. De moeder en de pleegouders staan in zoverre ook achter de uithuisplaatsing. De moeder begint in januari 2026 met therapie en er zal een perspectiefonderzoek worden gedaan. Naar aanleiding daarvan kan worden beoordeeld of terugplaatsing mogelijk is. De GI zal, wanneer terugplaatsing niet mogelijk, is daarover duidelijkheid moeten geven aan de moeder en de pleegouders. Tot die tijd is het belangrijk dat de GI onderzoekt wat op de lange termijn de beste plaats voor [minderjarige] is. Ook is het in het belang van [minderjarige] dat wordt gekeken of hij en [de halfzus] samen kunnen blijven wonen. De kinderrechter zal de machtiging tot uithuisplaatsing verlenen voor twaalf maanden.

Zoals tijdens de zitting uitvoerig is besproken, hanteert de rechtbank sinds 1 juli 2025 een lijst met categorieën voor uithuisplaatsing omwille van de rechtszekerheid en rechtsgelijkheid. De kinderrechter benoemt bij het afgeven van de machtiging tot uithuisplaatsing voor welke categorie die machtiging wordt afgegeven. In het geval van [minderjarige] is de categorie een ‘voorziening voor pleegzorg’. De kinderrechter kan echter niet beslissen in welke voorziening voor pleegzorg iemand uiteindelijk wordt geplaatst. Dat is aan de GI. Op dit moment zijn alle partijen (de moeder, de pleegouders en de GI) het ermee eens dat [minderjarige] voorlopig bij de huidige pleegouders (grootouders) dient te blijven. De meningen verschillen echter of deze plaatsing perspectiefbiedend is. Dit is echter niet de vraag die tijdens deze procedure voor ligt.

Uitvoerbaar bij voorraad

De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren omdat het in het belang van [minderjarige] is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen kan worden uitgevoerd.

Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

7. De beslissing

De kinderrechter:

verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] tot 24 december 2026;

verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg tot 24 december 2026;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 17 december 2025 door mr. Sumner, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Vos als griffier, en op schrift gesteld op 24 december 2025.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. Vos als

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?