ECLI:NL:RBZWB:2025:9279

ECLI:NL:RBZWB:2025:9279, Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 18-12-2025, C/02/439801 / FA RK 25/4713

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 18-12-2025
Datum publicatie 09-01-2026
Zaaknummer C/02/439801 / FA RK 25/4713
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Rekestprocedure
Zittingsplaats Breda

Samenvatting

Vervangende toestemming voor hulpverlening aan minderjarigen. De vader stemt uiteindelijk in, maar de rechtbank ziet toch redenen het verzoek toe te wijzen.

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team Familie- en Jeugdrecht

Zittingsplaats: Breda

Zaaknummer: C/02/439801 / FA RK 25/4713

datum uitspraak: 18 december 2025

beschikking betreffende vervangende toestemming

in de zaak van

[de vrouw] ,

hierna te noemen: de vrouw,

wonende te [woonplaats],

advocaat: mr. A.J.W. Vugs te Tilburg,

tegen

[de man],

hierna te noemen: de man,

wonende te [woonplaats],

advocaat: mr. L. Proenings te Deurne.

Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna te noemen: de Raad, om de rechtbank over het verzoek te adviseren.

1. Het procesverloop

De rechtbank oordeelt op grond van de navolgende stukken:

- het op 16 september 2025 ontvangen verzoek met bijlagen;

- het op 29 oktober 2025 ontvangen briefje van [minderjarige 1];

- het F-formulier met bijlage van mr. Proenings van 5 december 2025;

- het F-formulier van mr. Vugs van 8 december 2025.

Het verzoek is mondeling behandeld op 9 december 2025. Bij die gelegenheid zijn verschenen de vrouw, bijgestaan door haar advocaat. Tevens was aanwezig een vertegenwoordiger namens de Raad. De man en zijn advocaat zijn, zoals aangegeven in het F-formulier van 5 december 2025, niet verschenen.

De hierna te noemen minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn in de gelegenheid gesteld hun mening kenbaar te maken. [minderjarige 1] heeft een briefje gestuurd aan de rechtbank. [minderjarige 2] heeft op 1 december 2025 met de rechter gesproken.

2. De feiten

Partijen hebben een affectieve relatie gehad, binnen welke relatie de navolgende thans nog minderjarige kinderen zijn geboren:

- [minderjarige 2], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2013, hierna te noemen: [minderjarige 2];

- [minderjarige 1], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2014, hierna te noemen: [minderjarige 1].

De minderjarigen verblijven bij de vrouw.

De man heeft de minderjarigen erkend. Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over de minderjarigen.

3. Het verzoek

De vrouw verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, vervangende toestemming te verlenen voor een vervolgtraject van de hulpverlening voor de beide minderjarigen bij [hulpverlening 1].

4. De beoordeling

Uit het verzoek van de vrouw is de rechtbank gebleken dat [minderjarige 2] en [minderjarige 1] al eerder hulpverlening hebben gehad van [hulpverlening 1]. De ouders en de kinderen zijn toen middels het uniform hulpaanbod verwezen naar [hulpverlening 1], onder andere omdat er geen contact is tussen de kinderen en de man. De kinderen staan niet open voor contact met de man. [hulpverlening 1] heeft aangegeven dat zij signalen zien van trauma’s. [hulpverlening 1] heeft geadviseerd dat de kinderen eerst individuele hulpverlening moeten krijgen, voordat gewerkt kan worden aan contactherstel met de man. Dat traject is inmiddels beëindigd. [hulpverlening 2] wil de kinderen weer verwijzen naar [hulpverlening 1], omdat de kinderen therapie nodig hebben. [hulpverlening 1] heeft aangegeven de behandeling te willen aanpassen aan de hulpvragen van de kinderen. Zonder de toestemming van de man kan [hulpverlening 2] de aanvraag niet bij [hulpverlening 1] indienen. Een medewerker van [hulpverlening 2] heeft op 4 augustus 2025 telefonisch contact gehad met de man. Uit de overgelegde email van deze medewerker aan de man van 4 augustus 2025 blijkt dat de man geen toestemming geeft voor de verdere hulpverlening aan de kinderen, omdat hij in het verleden niet tevreden zou zijn geweest over het traject bij [hulpverlening 1]. De advocaat van de vrouw heeft op 25 augustus 2025 aan de man een e-mail gestuurd met het verzoek toestemming voor het vervolg-behandeltraject voor de kinderen te geven. Zij heeft hier geen reactie op gehad.

De advocaat van de man heeft op 5 december 2025 aangegeven dat zij namens de man per e-mail van 30 november 2025 toestemming heeft verleend voor het hulpverleningstraject voor de kinderen. De advocaat van de vrouw zou hebben aangegeven dat er een formulier getekend moest worden, maar dat heeft de advocaat niet ontvangen. De advocaat heeft daarnaast aangegeven dat de zij en de man niet ter zitting zullen verschijnen vanwege de verleende toestemming van de man en dat de vrouw geen belang meer heeft bij een uitspraak van de rechtbank.

Uit de overgelegde e-mails blijkt dat de advocaat van de vrouw per e-mail van 3 december 2025 aan de advocaat van de man heeft aangegeven dat de toestemming moet worden gegeven aan [hulpverlening 2] en de advocaat verzocht een referteverklaring in te dienen bij de rechtbank. De advocaat van de vrouw heeft de rechtbank op 8 december 2025 bericht dat de enkele mededeling van de man dat hij toestemming verleent onvoldoende is. Ter zitting heeft de advocaat van de vrouw gepersisteerd bij haar verzoek, omdat het in het belang van de kinderen nodig is dat de hulpverlening zeker kan opstarten. De vrouw heeft daarbij aangegeven onvoldoende vertrouwen te hebben in de toezegging van de man, gezien haar ervaringen in het verleden.

[minderjarige 1] heeft in een brief, kort samengevat, aangegeven dat hij hoopt dat hij snel weer hulpverlening krijgt. Hij vindt het jammer dat zijn vader geen toestemming geeft. [minderjarige 2] heeft in het gesprek met de rechter verteld dat zij weer gesprekken wil met [hulpverlening 1]. Ze vindt het vreemd dat haar vader geen toestemming geeft.

De Raad heeft geadviseerd het verzoek toe te wijzen, zodat de kinderen gegarandeerd verdere hulpverlening kunnen krijgen.

De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van artikel 1:253a eerste lid van het Burgerlijk Wetboek kunnen geschillen over de gezamenlijke uitoefening van het gezag op verzoek van de ouders of van een van hen aan de rechtbank worden voorgelegd. De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt.

De rechtbank verleent vervangende toestemming aan de vrouw voor het vervolgtraject voor [minderjarige 2] en [minderjarige 1] bij [hulpverlening 1]. Uit de overgelegde stukken is gebleken dat de vrouw en [hulpverlening 2] al sinds augustus 2025 proberen toestemming te krijgen van de man voor dit hulpverleningstraject voor de kinderen. Het was de man in september 2025 al bekend dat de vrouw hiervoor aan de rechtbank vervangende toestemming had verzocht. Pas daags voor de zitting heeft de advocaat van de man aan de advocaat van de vrouw per e-mail aangegeven toestemming te verlenen. Zoals de man in augustus 2025 al is gebleken, dient hij zijn toestemming te geven aan [hulpverlening 2], zodat [hulpverlening 2] de verwijzing naar [hulpverlening 1] in orde kan maken. De man heeft echter verder geen actie ondernomen om zijn toestemming aan [hulpverlening 2] kenbaar te maken en daarvoor de juiste formulieren te ondertekenen. Van een gezaghebbende ouder mag verwacht worden dat hij in het belang van de kinderen voortvarend en op de juiste wijze zijn medewerking verleent als zijn kinderen hulpverlening nodig hebben. Een enkele toezegging via advocaten in een e-mail is onvoldoende. Het is onbekend of en zo ja, wanneer de man bereid is de juiste weg te bewandelen. De vrouw heeft daarom nog belang bij deze uitspraak van de rechtbank. De rechtbank acht het in het belang van de kinderen noodzakelijk dat zij gegarandeerd en op zo kort mogelijke termijn de voor hen benodigde hulpverlening krijgen.

De rechtbank zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, omdat het voor de ontwikkeling van de minderjarigen noodzakelijk is dat deze beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.

5. De beslissing

De rechtbank:

verleent aan de vrouw, ter vervanging van de ontbrekende toestemming van de man, toestemming voor een vervolgtraject van de hulpverlening voor [minderjarige 2] en [minderjarige 1] bij [hulpverlening 1];

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 18 december 2025 door mr. Van Triest, rechter, in tegenwoordigheid van mr. Verger-Maas, griffier.

Mededeling van de griffier:

Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:

door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het

gerechtshof ’s-Hertogenbosch.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. Van Triest

Griffier

  • mr. Verger-Maas

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?