RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/442001 / JE RK 25-2040
Datum uitspraak: 16 december 2025
Beschikking van de kinderrechter over een machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Brabant, locatie Tilburg ,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2013 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 1] ,
en
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2015 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. J.A.M. van Weely te Waalwijk,
[de vader] ,
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats 2] .
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 17 november 2025.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 16 december 2025. Daarbij waren aanwezig:
de advocaat van de moeder;
de vader;
- een vertegenwoordiger van de GI.
De moeder was niet aanwezig op de zitting.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. Zij hebben hier geen gebruik van gemaakt.
2. De feiten
De vader en de moeder zijn gehuwd geweest. Zij zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij de moeder, maar verblijven op dit moment bij de oma moederszijde.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 1 september 2025 [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld met ingang van 1 september 2025 tot 1 september 2026.
3. Het verzoek
De GI verzoekt een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg te verlenen voor de duur van vier maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4. De standpunten
De GI heeft ter onderbouwing van haar verzoek aangegeven dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] (verder: de minderjarigen) niet bij hun moeder kunnen verblijven vanwege een directe onveiligheid. De ex-partner van de moeder wordt er namelijk van verdacht in september 2025 te hebben geschoten op de woning van de moeder en van een poging tot brandstichting aldaar. De moeder en de minderjarigen waren op dat moment niet thuis. Deze ex-partner is aangehouden en verblijft in voorlopige hechtenis. Het strafrechtelijk onderzoek is nog gaande. De GI heeft contact met de politie. Er zijn veiligheidsafspraken gemaakt. De moeder en de minderjarigen mogen ten gevolge daarvan niet in de woning van de moeder verblijven. De kinderen verblijven om deze reden sinds medio oktober 2025 tijdelijk bij de oma moederszijde. De moeder verblijft bij kennissen. Zij mag de minderjarigen enkel zien op openbare plekken en niet bij oma moederszijde thuis. Het OM heeft in november 2025 nog het advies gegeven dat deze veiligheidsafspraken voortgezet moeten worden.
Dit gezin was eerst bekend bij het team van de spoedeisende zorg van de GI. Het is op een later moment overgedragen aan het team van de huidige jeugdbeschermer. De minderjarigen verbleven toen al bij oma moederszijde. Het is onbekend waarom er toen niet om machtiging tot uithuisplaatsing is verzocht. Gezien de ondertoezichtstelling acht de GI het van belang deze plaatsing te formaliseren met een machtiging tot uithuisplaatsing.
De GI vindt het verblijf van de minderjarigen bij de vader niet in hun belang. De minderjarigen hebben al jaren geen contact met de vader. Daar is ook een doel binnen de ondertoezichtstelling op gericht, naast de conflictueuze verhouding tussen de ouders en hulpverlening voor de minderjarigen. De vader is begin oktober en begin november 2025 onverwachts op de school van de minderjarigen verschenen, waardoor er ook een conflict is ontstaan tussen de ouders. De minderjarigen hebben hier weer spanningen door ervaren. Bij de oma moederszijde is een vertrouwde omgeving voor de minderjarigen. Er zal een pleegzorgscreening bij haar plaatsvinden.
De advocaat van de moeder heeft naar voren gebracht dat de moeder instemt met het verzoek, mits de machtiging tot uithuisplaatsing wel specifiek voor de plaatsing bij oma moederszijde wordt verleend en voor een maximale duur van vier maanden. Zij hoopt dat zij met de minderjarigen eerder naar huis kan. Uit de door de GI overgelegde stukken blijkt onvoldoende dat is gebleken dat de ex-partner van de moeder en de vader contact hadden met elkaar. Plaatsing bij de vader of in een neutraal pleeggezin vindt de moeder niet in het belang van de minderjarigen. Zij houdt zich aan de veiligheidsafspraken.
De vader heeft aangegeven dat hij het niet eens is met de plaatsing van de minderjarigen bij de oma moederszijde. De minderjarigen worden namelijk bij de oma belast. De vader heeft bewijs laten horen aan de jeugdbeschermer van de GI dat de oma tegen de minderjarigen slecht spreekt over hem. De moeder houdt zich ook niet aan de veiligheidsafspraken en komt gewoon bij de oma thuis. De vader vindt het voor de minderjarigen beter als ze bij hem worden geplaatst. Hij heeft al 3,5 jaar geen contact meer met de minderjarigen, maar in alle stukken staat al dat dit gebrek aan contact schadelijk voor hen is. Hij heeft ook familie waar de minderjarigen terecht kunnen. Als dat niet mogelijk is, dan is het in het belang van de minderjarigen als zij in een neutraal pleeggezin worden geplaatst. Als de beslissing is dat de minderjarigen bij oma moederszijde mogen blijven, dan is hij klaar met de GI. Hij voelt zich niet gehoord.
5. De beoordeling
De kinderrechter kan op grond van artikel 1:265b eerste lid van het Burgerlijk Wetboek (BW) de GI (belast met de ondertoezichtstelling) op haar verzoek machtigen een minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen als het noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] noodzakelijk is in het belang van hun verzorging en opvoeding. De situatie wordt door het OM, de politie en de GI ingeschat als te onveilig om de minderjarigen met de moeder weer thuis te laten verblijven. Aangezien de minderjarigen onder toezicht van de GI staan, dient er een machtiging tot uithuisplaatsing te worden verleend als zij niet bij de ouder verblijven. Zowel de moeder als de vader stemmen ook hiermee in.
Partijen zijn het niet met elkaar eens waar de minderjarigen dan moeten verblijven. De kinderrechter overweegt daarover als volgt. De vader heeft terecht de vraag naar voren gebracht waarom de kinderen niet bij hem kunnen worden geplaatst. Bij een uithuisplaatsing wordt ook altijd bekeken of minderjarigen dan bij de andere gezaghebbende ouder terecht kunnen. Er is echter inmiddels al jaren geen contact tussen de minderjarigen en de vader. Zij hebben eerder aangegeven geen contact met hem te willen en ervaren hierin dus barrières, waar met de hulpverlening eerst nog aan gewerkt moet worden. De minderjarigen hebben recent met het verschijnen van de vader op school en het daaropvolgende conflict tussen de ouders ook weer negatieve ervaringen opgedaan. Met de GI vindt de kinderrechter het daarom niet in het belang van de minderjarigen om hen op dit moment bij de vader te laten verblijven. Nu de plaatsing bij de vader niet in het belang van de kinderen is, moet gekeken worden naar de mogelijkheid van een plaatsing binnen het (voor de minderjarigen bekende) netwerk. Oma moederszijde is een zeer vertrouwd familielid voor de minderjarigen. De minderjarigen logeren wel vaker bij haar. Zij kunnen ook vanuit haar naar hun eigen school. Het feit dat de minderjarigen niet thuis mogen verblijven en de aanleiding daartoe is al heel impactvol voor de minderjarigen. Het is daarom van belang dat zij in een voor hun vertrouwde omgeving mogen verblijven om de benodigde rust te kunnen ervaren. De kinderrechter vindt daarom de plaatsing bij oma moederszijde in het belang van de minderjarigen. De kinderrechter begrijpt dat de vader zich zorgen maakt over een mogelijke negatieve belasting van de minderjarigen over hem door de oma en de moeder. Daar zal binnen de uitvoering van de ondertoezichtstelling door de GI aandacht voor moeten zijn. Dit valt ook binnen de door de GI aangegeven doelen van de ondertoezichtstelling.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6. De beslissing
De kinderrechter:
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg, namelijk bij oma moederszijde, met ingang van 16 december 2025 tot 16 april 2026;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 16 december 2025 door mr De Jong, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Verger-Maas als griffier, en op schrift gesteld op 23 december 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.