RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Tilburg
Zaaknummer: 11967285 \ VV EXPL 25-100
Vonnis in kort geding van 23 december 2025
in de zaak van
STICHTING WONENBREBURG,
te Tilburg,
eisende partij,
hierna te noemen: WonenBreburg ,
gemachtigde: mr. C.P. van den Berg,
tegen
[gedaagde] ,
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. J.J.M. Cliteur.
1. De zaak in het kort
[gedaagde] huurt een woning van WonenBreburg . WonenBreburg vindt dat [gedaagde] de woning moet verlaten, omdat zij een forse huurachterstand heeft laten ontstaan. [gedaagde] is het hier niet mee eens en wil graag de woning behouden.
De kantonrechter oordeelt dat [gedaagde] de woning moet verlaten. Ook moet [gedaagde] de (achterstallige) huur aan WonenBreburg voldoen tot het moment waarop zij de woning heeft verlaten. De kantonrechter legt hierna uit hoe zij tot deze beslissing is gekomen.
2. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met 9 producties; - de aanvullende producties 10 en 11 van WonenBreburg ;- de mondelinge behandeling van 9 december 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
3. De feiten
[gedaagde] huurt met ingang van 7 november 2019 van WonenBreburg de woning aan [adres] [plaats] (hierna: het gehuurde).
Op de tussen partijen gesloten huurovereenkomst zijn de algemene huurvoorwaarden woonruimte van WonenBreburg van 1 februari 2015 van toepassing. [gedaagde] is op grond van die voorwaarden gehouden de huurprijs voor het gehuurde bij vooruitbetaling aan WonenBreburg te voldoen voor de eerste van de maand.
De maandelijkse huurprijs voor het gehuurde bedraagt momenteel € 634,51.
[gedaagde] heeft de huur voor de maanden juni 2025 tot en met december 2025 niet betaald. Ook heeft zij de huur voor de maand november 2023 slechts gedeeltelijk betaald. De huurachterstand tot en met december 2025 is in totaal € 4.868,93.
4. Het geschil
WonenBreburg vordert samengevat- ontruiming van het gehuurde en betaling van de huurachterstand, vermeerderd met de proceskosten.
WonenBreburg legt aan de vordering het volgende ten grondslag. [gedaagde] is tekortgeschoten in de nakoming van haar betalingsverplichting uit de huurovereenkomst. Zij laat de huurachterstand verder oplopen en komt eerdere betalingsafspraken niet na. Ook weigert zij medewerking te verlenen aan Schuldhulpverlening. WonenBreburg heeft daarom recht en belang om in kort geding ontruiming te vorderen om verdere schade te beperken.
[gedaagde] erkent dat zij de door WonenBreburg gevorderde huurachterstand verschuldigd is. [gedaagde] verzet zich wel tegen gevorderde ontruiming van het gehuurde. [gedaagde] stelt dat de ontruiming in kort geding afgewezen moet worden. [gedaagde] voert daartoe aan dat zij momenteel in een slechte gezondheid verkeerd -ze heeft kanker- en zij niet alleen, maar samen met haar dochter van achttien jaar in het gehuurde verblijft. Ook stelt [gedaagde] dat zij de huurachterstand uiterlijk 31 december 2025 aan WonenBreburg kan voldoen.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
5. De beoordeling
Spoedeisend belang
De kantonrechter overweegt dat voor toewijzing van een vordering in kort geding in de eerste plaats is vereist dat er feiten of omstandigheden zijn die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist.
WonenBreburg heeft onweersproken gesteld dat zij gelet op de omvang en duur van de betalingsachterstand, het stelselmatig niet nakomen van betalingsregelingen en het ontbreken van een concreet en uitvoerbaar herstelplan voldoende spoedeisend belang heeft bij haar vordering tot ontruiming van het gehuurde en betaling van de huurachterstand. WonenBreburg is dan ook in haar vordering ontvankelijk.
De vraag die vervolgens in deze procedure dient te worden beantwoord is of aannemelijk is dat de vordering van WonenBreburg in een bodemprocedure zodanig kans van slagen heeft dat het -mede gelet op de belangen van partijen over en weer- gerechtvaardigd is om op de toewijzing daarvan vooruit te lopen door het treffen van een voorziening zoals gevorderd.
Ontruiming van het gehuurde
Bij de beoordeling wordt vooropgesteld dat de gevorderde ontruiming van woonruimte een vergaande maatregel is, die diep ingrijpt in het woonrecht en de daarmee verbonden huurbescherming van de huurder en in de praktijk vaak een definitief karakter zal hebben. Om die reden zal een onverwijlde ontruiming in kort geding slechts gerechtvaardigd zijn, als met grote mate van waarschijnlijkheid valt te verwachten dat in een bodemprocedure de huurovereenkomst zal worden ontbonden, terwijl bovendien sprake moet zijn van een situatie die zodanig ernstig of acuut is dat van de verhuurder niet kan worden gevergd dat zij de beslissing in de bodemprocedure afwacht.
Op grond van de wet geeft iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van een van haar verbintenissen aan de wederpartij (en in geval van huur de kantonrechter) de bevoegdheid om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden, tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. Een huurovereenkomst houdt voor beide partijen voortdurende verplichtingen in. Door de (volledige) huurprijs niet tijdig te betalen ontstaat er een tekortkoming in de nakoming van de huurovereenkomst die niet ongedaan gemaakt kan worden. Of de tekortkoming toerekenbaar is, is in dit kader niet van belang.
De kantonrechter acht in beginsel voldoende aannemelijk dat de ontbinding van de huurovereenkomst in een bodemprocedure zal worden toegewezen, nu de tussen partijen vaststaande huurachterstand (€ 4.868,93) meer dan zeven maanden bedraagt. WonenBreburg heeft in het verleden ook meerdere betalingsregelingen met [gedaagde] getroffen. Deze regelingen zijn echter niet deugdelijk door [gedaagde] nagekomen, waardoor deze zijn komen te vervallen. Ook heeft WonenBreburg [gedaagde] , in het kader van het Besluit Gemeentelijke Schuldhulpverlening, aangemeld bij de gemeente. Het dossier is echter door de schuldhulpverlener gesloten, omdat [gedaagde] hieraan onvoldoende medewerking verleende.
Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of sprake is van een situatie die zodanig ernstig of acuut is, dat van WonenBreburg niet kan worden gevergd dat zij de beslissing in de bodemprocedure afwacht. Een vraag die neerkomt op de weging van de in het geding zijnde belangen en de vraag welk belang in dit geval zwaarder dient te wegen.
[gedaagde] voert als verweer dat zij op korte termijn, dat wil zeggen uiterlijk 31 december 2025, de openstaande huur aan WonenBreburg kan voldoen. [gedaagde] verwacht de huurachterstand te kunnen voldoen met inkomsten die zij gaat genieten door het verlenen van juridische diensten. De bedoeling is dat zij voor aanvang van haar werkzaamheden een voorschot aan haar cliënten -dat zijn er, zoals door haar ter zitting is gezegd, op dit moment drie- gaat vragen. [gedaagde] wil daarnaast jongeren van de moskee om financiële hulp vragen. Ook maakt zij nog aanspraak op een erfenis.
De kantonrechter is voorshands van oordeel dat de verwachte hulp en inkomsten onvoldoende concreet en onderbouwd zijn om de gevorderde ontruiming in kort geding af te wijzen. Bovendien komt daar nog bij dat [gedaagde] ook de lopende huur zal moeten betalen. [gedaagde] stelt dat zij op dit moment een Ziektewetuitkering van € 1000,00 per maand ontvangt. [gedaagde] moet van dit bedrag ook de maandelijkse huur van € 634,51 voldoen. [gedaagde] stelt dat het eerder gelegde loonbeslag op haar Ziektewetuitkering inmiddels is opgeheven, maar [gedaagde] heeft ook deze stelling verder niet onderbouwd. De kantonrechter neemt in haar oordeel ook mee dat [gedaagde] eerder gecompenseerd is voor de schade die zij heeft geleden door de zogenoemde Toeslagenaffaire en zij vooralsnog geen nieuwe compensatie krijgt.
Voor zover [gedaagde] aanvoert dat een ontruiming van het gehuurde in kort geding niet gerechtvaardigd is, gelet op haar persoonlijke omstandigheden en haar woonbelang is de kantonrechter voorshands van oordeel dat ook dit verweer niet slaagt. Zo heeft [gedaagde] haar stelling dat zij op dit moment ernstig ziek is en kanker heeft niet onderbouwd. De kantonrechter overweegt dat [gedaagde] weliswaar belang heeft bij het behoud van haar woning, mede omdat haar meerderjarige dochter daar ook inwoont, maar dit is niet van doorslaggevende betekenis. Ten aanzien van de dochter van [gedaagde] heeft (de gemachtigde van) WonenBreburg ook ter zitting toegezegd dat zij bij ontruiming van het gehuurde zal onderzoeken of er alternatieve woonruimte voor de dochter beschikbaar is.
Tegenover het belang van [gedaagde] staat het belang dat WonenBreburg heeft bij een huurder die op tijd de huur betaalt. Uit het dossier blijkt en door (de gemachtigde van) [gedaagde] wordt ook erkend dat WonenBreburg in het verleden voldoende geduld heeft getracht en WonenBreburg zich ook heeft ingespannen om voor [gedaagde] naar oplossingen te zoeken. Deze bereidheid heeft echter niet tot oplossingen geleid. Zo zijn betalingsregelingen niet deugdelijk nagekomen. Ook was [gedaagde] om haar moverende redenen niet bereid om mee te werken met ingezette Schuldhulpverlening.
Voor zover [gedaagde] stelt dat zij de door WonenBreburg gevorderde ontruiming niet zag aankomen, althans dat zij niet kon overzien dat het niet betalen van de huur zodanige gevolgen zou kunnen hebben, overweegt de kantonrechter dat WonenBreburg onweersproken heeft gesteld dat zij dit voor het uitbrengen van de dagvaarding diverse keren, zowel mondeling als schriftelijk, aan [gedaagde] kenbaar heeft gemaakt en partijen hier na het uitbrengen van de dagvaarding ook nog over gesproken hebben. Ook heeft WonenBreburg [gedaagde] nog in de gelegenheid gesteld om (een groot gedeelte van) de huurachterstand voor de mondelinge behandeling te voldoen, om zodoende een eventuele ontruiming te voorkomen.
Nu de huurachterstand inmiddels is opgelopen tot ruim zeven maanden en er geen concreet zicht bestaat op (grote) betalingen op korte termijn is de kantonrechter van oordeel
dat een belangenafweging in het voordeel van WonenBreburg uitvalt. De gevorderde ontruiming is in kort geding dan ook toewijsbaar.
Huurachterstand
WonenBreburg heeft bij dagvaarding gevorderd [gedaagde] te veroordelen tot betaling van de huurachterstand tot en met november 2025. WonenBreburg heeft haar eis vervolgens ter zitting gewijzigd, in die zin dat in de achterstallige huur ook de huur over december 2025 is begrepen, hetgeen neerkomt op een totale huurachterstand van € 4.868,93 tot en met december 2025. [gedaagde] heeft de hoogte van dit bedrag niet weersproken. Het gevorderde bedrag van € 4.868,93 is in zoverre dan ook toewijsbaar. Ook zal de kantonrechter [gedaagde] veroordelen tot betaling van de huurpenningen van € 634,51 voor iedere maand vanaf januari 2026 tot de dag dat de woning is ontruimd. Na de ontruiming heeft [gedaagde] immers niet langer de beschikking over de woning, zodat zij daarvoor geen huur verschuldigd is.
Proceskosten
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen.
De proceskosten van WonenBreburg worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
145,45
- griffierecht
€
514,00
- salaris gemachtigde
€
543,00
- nakosten
€
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.337,45
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
6. De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt [gedaagde] om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis de woning aan [adres] te [plaats] te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van WonenBreburg zijn, en de sleutels af te geven aan WonenBreburg ,
veroordeelt [gedaagde] om te betalen aan WonenBreburg :
a. a) € 4.868,93 aan achterstallige huur tot en met 31 december 2025, te vermeerderen met de wettelijke rente over de verschuldigde huurtermijnen, telkens te rekenen vanaf de vervaldata van die huurtermijnen tot de dag van voldoening,
b) € 634,51 per maand vanaf 1 januari 2026 tot en met het eind van de maand waarin de daadwerkelijke ontruiming heeft plaatsgevonden,
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.337,45, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Eijssen-Vruwink en in het openbaar uitgesproken op 23 december 2025.