[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende
(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Tilburg, de heffingsambtenaar.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 17 januari 2024.
De heffingsambtenaar heeft de waarde van de onroerende zaak [adres] te [plaats] (de woning) op 1 januari 2022 (de waardepeildatum) vastgesteld op € 295.000 (de beschikking). Met deze waardevaststelling is aan belanghebbende ook de aanslag in de onroerendezaakbelastingen van de gemeente Tilburg voor het jaar 2023 opgelegd (de aanslag).
De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft het beroep op 10 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van belanghebbende en namens de heffingsambtenaar [naam 1] en [naam 2] .
Beoordeling door de rechtbank
2. Hangende het beroep hebben partijen overeenstemming bereikt over de verlaging van de WOZ-waarde tot een bedrag van € 277.000. Het beroep is in zoverre gegrond.
De kosten van het taxatierapport
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat voor het taxatierapport een vergoeding moet worden toegekend van € 128,26 (twee uur à € 53 vermeerderd met 21% btw).
De heffingsambtenaar stelt dat een vergoeding van € 52 voor het taxatierapport passend en redelijk is, omdat sprake is van massale, uniform ingerichte rapporten met beperkte handmatige bewerking en concrete verifieerbare urenspecificaties en betaalbewijzen ontbreken.
De rechtbank overweegt als volgt. Het ligt op de weg van belanghebbende om over de hoogte van de gemaakte kosten en/of over de tijdbesteding voldoende gegevens aan te dragen, omdat hij de vergoeding voor de kosten vraagt en de hoogte van de gestelde kosten gemotiveerd is betwist door de heffingsambtenaar. Naar aanleiding van de gemotiveerde betwisting door de heffingsambtenaar heeft belanghebbende echter geen onderbouwing gegeven waarom een vergoeding van € 128,26 voor het taxatierapport redelijk zou zijn. Belanghebbende heeft niet onderbouwd hoe het taxatierapport tot stand is gekomen, hoeveel tijd hieraan is besteed en wat de deskundigheid is van degenen die aan het rapport hebben gewerkt. Voorts merkt de rechtbank op dat in het taxatierapport geen KOUDV-factoren zijn opgenomen met betrekking tot de referentieobjecten. Daarnaast bevat het taxatierapport geen informatie over de bijgebouwen van de woning en de referentieobjecten. De rechtbank oordeelt daarom dat het aannemelijk is dat een vergoeding voor het taxatierapport van twee uur maal € 53 in dit geval leidt tot een disproportionele vergoeding zoals bedoeld in het Richtsnoer 2024. De rechtbank is van oordeel dat een vergoeding van € 52 voor de kosten van het taxatierapport redelijk is.
Conclusie en gevolgen
3. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt daarom de uitspraak op bezwaar en vermindert de bij beschikking vastgestelde WOZ-waarde tot een bedrag van € 277.000. De aanslag wordt dienovereenkomstig verminderd.
Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden en krijgt belanghebbende ook een vergoeding van zijn proceskosten. De heffingsambtenaar moet deze vergoeding betalen.
De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt belanghebbende een vast bedrag per proceshandeling. In bezwaar heeft elke proceshandeling een waarde van € 647. In overeenstemming met hetgeen partijen zijn overeengekomen kent de rechtbank voor de bezwaarfase een vergoeding toe van € 647 voor het bezwaarschrift en € 647 voor de hoorzitting. Daarnaast kent de rechtbank een vergoeding toe van € 52 voor het taxatierapport. De vergoeding voor de bezwaarfase bedraagt in totaal € 1.346. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 907. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. Omdat de zaak een licht gewicht heeft, is op de waarde de factor 0,5 toegepast (geen materieel geschil in beroep). De hoogte van de vergoeding wordt vermenigvuldigd met 0,25. De vergoeding voor de beroepsfase bedraagt dan in totaal € 226,75.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vermindert de bij beschikking vastgestelde waarde van de woning tot een bedrag van € 277.000;
- vermindert de aanslag dienovereenkomstig;
- bepaalt dat de heffingsambtenaar het griffierecht van € 51 aan belanghebbende moet vergoeden;
- veroordeelt de heffingsambtenaar tot betaling van € 1.572,75 aan proceskosten aan belanghebbende.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Josten, rechter, in aanwezigheid van mr. L.C.J.A. Miseré, griffier, op 22 december 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier is niet in de gelegenheid om deze uitspraak mede te ondertekenen.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.