beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie: Breda
Zaaknummer: C/02/440758 / JE RK 25-1830
Datum uitspraak: 16 december 2025
nadere beschikking van de kinderrechter over een verlenging van de ondertoezichtstelling
in de zaak van
de gecertificeerde instelling STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,
locatie Tilburg,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige] ,
geboren op [geboortedag] 2010 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
in de Basisregistratie Personen (BRP) sinds 17 september 2025 opgenomen in de “Registratie Niet Ingezetenen” (RNI) met onbekend adres in [land] ,
hierna te noemen de moeder,
[de vader] ,
wonende in [plaats] ,
hierna te noemen de vader,
advocaat: mr. S. Klootwijk uit Breda.
1. Het verdere verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- de beschikking van de kinderrechter van 7 november 2025 en alle daarin vermelde stukken;
- het verslag van de GI van 19 november 2025;
- het bericht van de vader van 9 december 2025.
De zaak is op 16 december 2025, gelijktijdig met de zaak met zaaknummer C/02/435210 / FA RK 25-2391, met gesloten deuren op zitting behandeld. Daarbij waren aanwezig de vader, bijgestaan door zijn advocaat, en de betrokken jeugdbeschermster van de GI. Tevens was, als toehoorder, aanwezig een medewerkster van de Raad.
De moeder is, hoewel correct opgeroepen, niet op de zitting verschenen.
2. De feiten
De ouders zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
[minderjarige] staat sinds 13 augustus 2024 onder toezicht van de GI. Bij beschikking van7 november 2025 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige] laatstelijk verlengd met ingang van 13 november 2025 tot 17 december 2025. Het verzoek van de GI is voor het overige aangehouden.
3. Het verzoek
Ter beoordeling ligt voor het resterende deel van het verzoek van de GI tot verlenging van de ondertoezichtstelling van [minderjarige] voor de periode van 17 december 2025 tot 13 augustus 2026.
4. De standpunten
De jeugdbeschermster van de GI heeft tijdens de zitting het resterende verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling van [minderjarige] gehandhaafd. Hoewel de proefperiode van [minderjarige] bij de moeder in Duitsland in eerste instantie goed verliep waarbij zij naar school ging, is [minderjarige] gedurende deze periode steeds vaker gaan aangegeven dat zij terug naar haar vader in Nederland wilde. Hierover hebben meerdere gesprekken plaatsgevonden omdat door [minderjarige] wisselende uitspraken werden gedaan. Uiteindelijk is echter duidelijk geworden dat [minderjarige] haar verblijf bij de moeder in Duitsland niet langer meer wilde voortzetten. Met de ouders was afgesproken dat [minderjarige] tot aan de kerstvakantie bij de moeder zou blijven, maar de moeder heeft [minderjarige] voortijdig, te weten op 8 december 2025, op de trein naar Nederland gezet. Sindsdien woont [minderjarige] weer bij de vader, bij wie zij welkom is. Tot op heden gaat het goed met [minderjarige] bij de vader. Belangrijk is dat [minderjarige] structuur en regelmaat bij de vader krijgt en dat zij in Nederland weer naar school gaat. Er vinden op dit moment gesprekken plaats over een voor [minderjarige] passende school. Voorkomen moet worden dat [minderjarige] in het oude en bekende patroon gaat terugvallen waarin zij na een aanvankelijk goede start, school de rug gaat toekeren wanneer er meer van haar verwacht wordt, zich niet aan de regels thuis houdt en haar ouders tegen elkaar uitspeelt. De GI acht het belangrijk dat zij de komende maanden nog betrokken blijft om zicht te houden op [minderjarige] en haar opvoedsituatie bij de vader alsook om [minderjarige] , maar ook beide ouders, te ondersteunen in het verminderen van de ontwikkelings-bedreigingen van [minderjarige] . Van belang is dat [minderjarige] rust en stabiliteit in haar leven krijgt en aan haar toekomst gaat werken. Positief is dat de ouders samen meer op één lijn zitten, en dat hun communicatie en samenwerking verbeterd is. Hierdoor heeft [minderjarige] minder speelruimte tussen haar ouders. Gezien wordt dat [minderjarige] veel met haar emoties wisselt. Tot op heden staat zij er niet voor open om hieraan, al dan niet met behulp van hulpverlening, te werken. [minderjarige] ervaart wel dat haar vader er onvoorwaardelijk voor haar is en dat geeft haar houvast.
Door en namens de vader is aangevoerd dat [minderjarige] sinds 8 december 2025 weer bij de vader woont. De vader is nog aan het herstellen van zijn gecompliceerde medische situatie eind oktober/begin november 2025 waarbij hij in coma heeft gelegen, maar dit herstel verloopt vlot en hij is in staat om de zorg en opvoeding van [minderjarige] op zich te nemen. Het gaat op dit moment erg goed met [minderjarige] bij hem thuis. Ze helpt mee in het huishouden, gaat op tijd naar bed en accepteert de consequenties wanneer zij zich niet aan de afspraken houdt. De vader spreekt de hoop uit dat [minderjarige] dit blijft vasthouden en niet terugvalt in haar oude patroon. [minderjarige] is ervan op de hoogte dat de vader van haar verwacht dat zij een meer gestructureerd leven gaat leiden dan voorheen het geval bij de vader was en dat zij consequent naar school gaat om aan haar toekomst te werken. De vader voert hierover gesprekken met [minderjarige] en merkt hierin dat [minderjarige] verstandiger is geworden. Zij is er inmiddels van doordrongen dat zij haar school zal moeten afmaken voor het behalen van een diploma. De communicatie en samenwerking tussen de vader en de moeder is in de afgelopen maanden beter geworden. Zij hebben regelmatig contact met elkaar en zijn het met elkaar op hoofdlijnen eens. Beide ouders vinden dat [minderjarige] , in haar belang, strenger moet worden aangepakt, waarbij haar een duidelijke structuur geboden wordt en zij naar school gaat. De ouders dragen dit samen uit naar [minderjarige] . Dit is positief, maar neemt niet weg dat [minderjarige] nog steeds ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd. [minderjarige] heeft in de afgelopen periode wisselend bij de ouders verbleven, en belangrijk is dat zij haar leven op orde gaat krijgen. Zij moet haar kansen gaan grijpen, en zich gaan richten op school en haar leven bij de vader. De vader heeft hierin nog ondersteuning van de GI nodig ter waarborging van de belangen van [minderjarige] . Ook kan de GI helpen bij het organiseren van passende hulpverlening voor zover dit nodig zou zijn. De vader kan instemmen met het resterende verzoek van de GI tot verlenging van de ondertoezichtstelling van [minderjarige] .
De medewerkster van de Raad heeft naar voren gebracht dat de Raad zich ook zorgen maakt om de ontwikkeling van [minderjarige] . Opvalt is dat [minderjarige] , wanneer zaken voor haar te moeilijk worden, hiervan wegloopt in plaats van deze zaken aan te pakken. Belangrijk is dat [minderjarige] gaat leren hiermee om te gaan. Dit zal haar namelijk veerkrachtiger maken. Hoewel het nu goed gaat met [minderjarige] , acht de Raad de kans zeer groot dat [minderjarige] over enkele weken weer terug zal vallen in haar oude patroon. Belangrijk is dat er dan wordt doorgepakt door de ouders en dat zij hierin samen gaan optreden naar [minderjarige] . [minderjarige] moet niet meer de ruimte tussen haar ouders voelen. Hoewel de communicatie en samenwerking van de ouders verbeterd is, verwacht de Raad dat de ouders nog ondersteuning van de GI nodig zullen hebben. Mede gelet hierop acht de Raad een voorzetting van de ondertoezichtstelling van [minderjarige] van belang.
5. De beoordeling
Wat zegt de wet?
Op grond van artikel 1:260 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255, eerste lid, van het BW is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255, eerste lid, van het BW kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een GI wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, van het BW, in staat zijn te dragen.
Wat vindt de kinderrechter?
De kinderrechter stelt vast dat [minderjarige] na een proefperiode bij haar moeder in Duitsland te hebben verbleven, sinds 8 december 2025 weer terug bij haar vader in Nederland woont. De vader heeft eind oktober/begin november 2025 in een comateuze toestand in het ziekenhuis gelegen, maar het gaat op dit moment (gelukkig) weer goed met hem. Hij is nog herstellende, maar zijn gezondheid staat niet aan de zorg en opvoeding van [minderjarige] in de weg.
[minderjarige] lijkt zich er meer bewust van te zijn dat school belangrijk voor haar is, en dat van haar verlangd wordt dat zij zich hiervoor inzet om een goede toekomst voor zichzelf te realiseren. Zij heeft een goede start bij de vader gemaakt en gebleken is dat in de afgelopen maanden de communicatie en samenwerking tussen de ouders is verbeterd. Dit zijn positieve ontwikkelingen. Desalniettemin is de kinderrechter van oordeel dat [minderjarige] op dit moment nog steeds ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd. Door van haar moeder in Duitsland naar haar vader in Nederland terug te keren staat [minderjarige] aan het begin van (wederom) een nieuwe fase. Zij moet haar leven bij haar vader in Nederland opnieuw gaan vormgeven, en haar school in Nederland gaan oppakken. Belangrijk is dat [minderjarige] stabiliteit in haar woon- en leefsituatie gaat ervaren, en dat zij gaat leren dat zij moet doorzetten, ook op de momenten dat er meer van haar verwacht wordt en zij hierin moeilijkheden ervaart. Het terugvallen in het oude patroon, waarbij [minderjarige] niet naar school gaat, zich niet aan de regels houdt en haar ouders tegen elkaar uitspeelt, is geen optie meer. Beide ouders zijn betrokken bij [minderjarige] , en zetten zich in om de zorgen met betrekking tot [minderjarige] weg te nemen en/of te verminderen en staan op dit moment open voor hulpverlening. Ook zitten de ouders meer op één lijn met elkaar waarbij zij beiden vinden dat [minderjarige] duidelijke structuur moet worden geboden en dat zij naar school gaat. Gelet echter op het verleden, waarbij [minderjarige] ruimte voelde tussen haar ouders en hiervan ook gebruik maakte, en gezien de stappen die [minderjarige] nog moet zetten (zoals het oppakken en volhouden van school, het vinden en behouden van een goede dagbesteding naast school etcetera) acht de kinderrechter de betrokkenheid van de GI nog nodig om de situatie te monitoren, regie te voeren waar nodig alsook om (laagdrempelige) hulpverlening te organiseren voor zover dit alsnog nodig zou zijn.
Gelet op het voorgaande zal het resterende verzoek van de GI tot verlenging van de ondertoezichtstelling van [minderjarige] worden toegewezen, waarbij de verlenging van de ondertoezichtstelling wordt toegewezen met ingang van 17 december 2025 tot 13 augustus 2026.
De kinderrechter zal de beslissing tot het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6. De beslissing
De kinderrechter:
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van 17 december 2025 tot 13 augustus 2026;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 16 december 2025 door mr. Van de Kraats, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Snatersen, als griffier en schriftelijk vastgesteld op 22 december 2025.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof's-Hertogenbosch