beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/441738 / FA RK 25-5785
Datum uitspraak: 19 december 2025
beschikking over de benoeming van een bijzondere curator
in de zaak van
de gecertificeerde instelling WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING & JEUGDRECLASSERING, locatie Amsterdam,
hierna te noemen de GI,
over de minderjarige:
- [minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2015, hierna te noemen [minderjarige] .
Als belanghebbende in deze zaak wordt aangemerkt:
[de moeder] , hierna te noemen de moeder,wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. C.E. Koopmans uit Dordrecht.
Als informant in deze zaak wordt aangemerkt:
[de vader] ,
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats 2] ,
advocaat: mr. A.J.C.W. Scholte-Van de Ven uit Oss.
1. Het procesverloop
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift met bijlagen van de GI van 3 november 2025, ingekomen bij de griffie op 11 november 2025;
- het stelbericht van mr. Koopmans van 17 november 2025;
- het stelbericht van mr. Scholte-Van de Ven van 19 november 2025;
- de e-mailberichten van mr. Scholte-Van de Ven van 20 november 2025 en15 december 2025.
Het verzoek is, met gesloten deuren, behandeld op de zitting van 16 december 2025. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
- een vertegenwoordigster van de GI.
[minderjarige] is in de gelegenheid gesteld haar mening over het verzoek kenbaar te maken tijdens een gesprek met de kinderrechter. Hiervan heeft zij gebruik gemaakt op 25 november 2025.
2. De feiten
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
[minderjarige] woont bij haar moeder en stiefvader.
Bij beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 13 januari 2025 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd met ingang van 23 januari 2025 tot23 januari 2026.
3. De beoordeling
Ter beoordeling ligt voor het verzoek van de GI om bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, op grond van artikel 1:250 van het Burgerlijk Wetboek (BW) ambtshalve een bijzondere curator over [minderjarige] te benoemen.
Ter zitting is besproken dat in het geval een bijzondere curator over [minderjarige] wordt benoemd, de bijzondere curator namens [minderjarige] verzoeken kan indienen. Dit kan het gezag van de moeder, die alleen met het ouderlijk gezag over [minderjarige] is belast, raken. Dit maakt dat de kinderrechter in deze procedure de moeder als belanghebbende aanmerkt, en de GI en de vader, die niet met het ouderlijk gezag is belast, als informant.
Ingevolge artikel 1:250 van het BW kan de kinderrechter een bijzondere curator benoemen om een minderjarige, zowel in als buiten rechte, te vertegenwoordigen. De kinderrechter kan dit doen als - in aangelegenheden betreffende de verzorging en opvoeding of het vermogen van de minderjarige - de belangen van (één van) de met het gezag belaste ouder(s) of voogd(en) in strijd zijn met die van de minderjarige. De kinderrechter moet beoordelen of zij die benoeming noodzakelijk acht en daarbij in het bijzonder de aard van de belangenstrijd in aanmerking nemen. Het benoemen van een bijzondere curator kan plaatsvinden op verzoek van een belanghebbende of ambtshalve.
De kinderrechter stelt op basis van de voorliggende stukken en hetgeen tijdens de zitting naar voren is gebracht vast dat er langere tijd geen omgang is geweest tussen [minderjarige] en de vader. Begin van dit jaar is de omgang tussen de vader en [minderjarige] weer opgestart conform een omgangsregeling, waarbij [minderjarige] aangaf het prettig te vinden om omgang met haar vader te hebben. Halverwege dit jaar is [minderjarige] aan gaan geven niet meer naar haar vader te willen gaan. Ze vindt het niet fijn bij haar vader, en wil geen omgang meer met haar vader hebben. De vader heeft een sterke wens om [minderjarige] te zien, getuige ook de vele procedures die door hem zijn gevoerd tot omgang met [minderjarige] . De moeder geeft aan dat [minderjarige] grote weerstand heeft om naar de vader te gaan. Zij maakt zich zorgen over [minderjarige] , en vindt het belangrijk dat naar [minderjarige] wordt geluisterd over wat zij wenst in de omgang met de vader. De GI twijfelt of [minderjarige] , nu zij al vanaf haar geboorte onder toezicht van de GI staat en een uitgebreide en tevens belaste hulpverleningsgeschiedenis kent, nog voldoende vertrouwen heeft om met de betrokken jeugdzorgwerker in gesprek te gaan over haar wensen, behoeften en verlangens ten aanzien van de omgang met haar vader. In gesprekken met de betrokken jeugdzorgwerker is [minderjarige] alert op welke woorden zijn gebruikt en spreekt zij uit dat er toch niemand naar haar luistert.
Uit het voorgaande volgt dat sprake is van een impasse, waarbij zich een belangenstrijd in de zin van voormeld artikel voordoet en welke strijd zich toespitst op de omgang tussen [minderjarige] en de vader. Daarnaast krijgt de huidig betrokken jeugdzorgwerker van [minderjarige] die vanuit de GI is aangesteld en tot taak heeft de belangen van [minderjarige] te behartigen, op dit moment onvoldoende ingang bij [minderjarige] om te achterhalen wat de werkelijke wensen, behoeften en verlangens van [minderjarige] zijn met betrekking tot de omgang met haar vader. Dit maakt dat de kinderrechter het benoemen van een bijzondere curator in het belang van [minderjarige] noodzakelijk acht om er zorg voor te dragen dat de belangen van [minderjarige] voldoende worden behartigd en dat haar stem wordt gehoord, ook in en rondom de gerechtelijke procedures die op dit moment spelen. Door de GI is namelijk op 13 november 2025 een verzoek tot wijziging van de omgangsregeling tussen [minderjarige] en de vader ingediend (bekend onder zaaknummer C/02/441923 / JERK 25-2018) en op 24 november 2025 een verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling van [minderjarige] (bekend onder zaaknummer C/02/442309 / JERK 25-2091), welke verzoeken op 19 januari 2026 om 13:45 uur gelijktijdig voor behandeling op zitting staan. De beide ouders en de GI hebben ter zitting aangegeven in te kunnen stemmen met de benoeming van een bijzondere curator.
Mr. E.M.G. van Nuenen-Meulesteen, (familierecht)advocaat, kantoorhoudende te Hilvarenbeek, is bereid gevonden om in deze procedure als bijzondere curator op te treden en zal hiertoe door de rechtbank worden benoemd. Voor de duur van de procedure (in eerste aanleg) dient de bijzondere curator de belangen van [minderjarige] te behartigen.
De kinderrechter verzoekt de bijzondere curator de volgende vragen te onderzoeken en te beantwoorden, en de kinderrechter daarover te rapporteren:
- Wat zijn de werkelijke wensen, behoeften en verlangens van [minderjarige] ten aanzien van de omgang met de vader en wat is hierin het meest in het belang van [minderjarige] ?
- Waarin is de weerstand die [minderjarige] heeft ten opzichte van de omgang met de vader gelegen?
- Zijn er naar het oordeel van de bijzondere curator nog andere aandachtspunten of opmerkingen die in het belang van [minderjarige] naar voren moeten worden gebracht?
De bijzondere curator wordt verzocht gesprekken te voeren met [minderjarige] , de moeder, de vader en de jeugdzorgwerker van [minderjarige] . Het staat de bijzondere curator verder vrij gesprekken te voeren met overige betrokken personen die informatie over [minderjarige] kunnen verschaffen.
Desgewenst kan de bijzondere curator als vertegenwoordiger van [minderjarige] een zelfstandig verzoek bij de rechtbank indienen.
De kinderrechter wijst de ouders erop dat zij de verplichting hebben de door de bijzondere curator te geven instructies op te volgen. De kinderrechter verzoekt de bijzondere curator de leidraad werkwijze en verslag bijzondere curator op grond van artikel 1:250 BW in acht te nemen.
De bijzondere curator wordt verzocht om zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen acht weken na heden, te weten 13 februari 2026, rapport en advies aan de rechtbank uit te brengen in de onderhavige procedure en in de andere lopende procedures bekend onder zaaknummers C/02/441923 / JERK 25-2018 en C/02/442309 / JERK 25-2091, welke zaken op de zitting van 19 januari 2026 om 13:45 uur gelijktijdig behandeld worden.
Gelet op de korte tijdspanne tussen de onderhavige benoeming van de bijzondere curator en de zitting op 19 januari 2026 wordt van de bijzondere curator niet verwacht dat zij van haar onderzoek, voorafgaande aan de zitting van 19 januari 2026, rapport uitbrengt. De bijzondere curator wordt wel verzocht om voorafgaande aan voormelde zitting een of meerdere gesprekken met in ieder geval [minderjarige] te hebben gevoerd over haar wensen, behoeften en verlangens ten aanzien van de omgang met haar vader. Voorts wordt de bijzondere curator verzocht om [minderjarige] tijdens die zitting in rechte te vertegenwoordigen en daarbij, voor zover mogelijk, een standpunt in te nemen over de verzoeken van de GI tot wijziging van de omgangsregeling en verlenging van de ondertoezichtstelling van [minderjarige] en wat volgens haar praktisch zou moeten gebeuren in het belang van [minderjarige] tijdens de verzochte verlengingsperiode.
5. De beslissing
De rechtbank:
benoemt – met inachtneming van het hiervoor overwogene – over de minderjarige [de vader] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2015, tot bijzondere curator:
mr. E.M.G. van Nuenen-Meulensteen, kantoorhoudende te Hilvarenbeek,
met het verzoek over de vragen zoals hiervoor onder 3.7 geformuleerd te rapporteren en adviseren in de onderhavige procedure én in de andere lopende procedures bekend onder zaaknummers C/02/441923 / JERK 25-2018 en C/02/442309 / JERK 25-2091;
houdt de behandeling van de zaak aan tot 13 februari 2026 pro forma en verzoekt de bijzondere curator uiterlijk op die datum een rapport en advies aan de rechtbank toe te zenden in de onderhavige procedure én in de andere lopende procedures bekend onder zaaknummers C/02/441923 / JERK 25-2018 en C/02/442309 / JERK 25-2091;
behoudt zich iedere verdere beslissing voor.
Deze beschikking is gegeven door mr. Van de Kraats, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 19 december 2025 in aanwezigheid van mr. Snatersen, griffier.
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.