ECLI:NL:RBZWB:2025:9315

ECLI:NL:RBZWB:2025:9315, Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 22-12-2025, C/02/436353 / FA RK 25-25-2953

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 22-12-2025
Datum publicatie 09-01-2026
Zaaknummer C/02/436353 / FA RK 25-25-2953
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Rekestprocedure
Zittingsplaats Breda

Samenvatting

Verwijzing naar het UHA. Beslissing op de verzoeken tot gezamenlijk gezag en vaststelling van een (definitieve) omgangsregeling aangehouden. Partijen hebben ter zitting overeenstemming bereikt over een gewijzigde voorlopige omgangsregeling.

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team Familie- en Jeugdrecht

Zittingsplaats: Breda

Zaaknummer: C/02/436353 / FA RK 25-2953

datum uitspraak: 22 december 2025

beschikking over omgang en gezag

in de zaak van

[de man] ,

hierna te noemen de man,

wonende in [plaats] ,

advocaat: mr. C.L.M. Gommers uit Breda,

tegen

[de vrouw] ,

hierna te noemen de vrouw,

wonende in [plaats] ,

advocaat: mr. P.J.M. Groenhuis-Kools uit Breda,

over de minderjarige:

- [minderjarige], geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag] 2023, hierna te noemen [minderjarige] .

Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna te noemen de Raad, de rechtbank over de verzoeken geadviseerd.

1. Het procesverloop

In het dossier zitten de volgende stukken:

- het op 11 juni 2025 ontvangen verzoekschrift van de man met 8 producties;

- het op 24 november 2025 ontvangen verweerschrift van de vrouw met 10 producties;

- het F9-formulier van mr. Gommers van 1 december 2025 met 7 producties;

- het F9-formulier van mr. Gommers van 2 december 2025 met 1 productie.

De zaak is met gesloten deuren behandeld op de zitting van 4 december 2025. Bij de zitting zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaten, en een vertegenwoordigster namens de Raad.

2. De feiten

Partijen hebben met elkaar een relatie gehad. Deze relatie is geëindigd eind augustus 2023. Uit de relatie van partijen is [minderjarige] geboren.

De man heeft [minderjarige] erkend. De vrouw heeft alleen het ouderlijk gezag over [minderjarige] .

[minderjarige] verblijft bij de vrouw.

Partijen zijn mondeling een omgangsregeling tussen de man en [minderjarige] overeengekomen. [minderjarige] verblijft bij de man:

- wekelijks op woensdag van 9:00 uur tot 18:00 uur;

- om de week op vrijdag van 12:00 uur tot zaterdag 19:00 uur.

3. De verzoeken en de standpunten

De man verzoekt de rechtbank om bij beschikking, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. op grond van artikel 1:253c, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) de man en de vrouw gezamenlijk te belasten met het ouderlijk gezag over [minderjarige] ;

II. op grond van artikel 1:253a, eerste lid, van het BW te bepalen dat de man en [minderjarige] gerechtigd zijn tot omgang met elkaar:

a. in de ene week van woensdag 9:00 uur tot en met vrijdag 18:30 uur en in de andere week van woensdag 9:00 uur tot en met zondag 18:30 uur;

b. gedurende drie aaneengesloten weken in de zomervakantie;

c. gedurende één week in de meivakantie, waarvoor geldt dat dit de eerste week van de meivakantie zal zijn indien [minderjarige] volgens de reguliere zorgregeling al het eerste weekend van de meivakantie bij de man verblijft;

d. gedurende één week in de kerstvakantie, waarbij dit jaarlijks wisselend de eerste dan wel de tweede week zal zijn;

e. gedurende de helft van de feestdagen met Pasen en Pinksteren, waarbij [minderjarige] op de eerste Paas- en Pinksterdag zal verblijven bij de ouder bij wie zij op dat moment volgens de reguliere zorgregeling is en de tweede Paas- en Pinksterdag zal verblijven bij de andere ouder;

f. gedurende de helft van de kerstdagen, in die zin dat [minderjarige] jaarlijks wisselend bij de ene ouder zal zijn van kerstavond tot en met eerste Kerstdag 13:00 uur en bij de andere ouder van eerste Kerstdag 13:00 uur tot en met tweede Kerstdag 13:00 uur.

De vrouw is het niet eens met de verzoeken van de man en verzoekt deze verzoeken af te wijzen.

Op de standpunten van alle betrokkenen wordt, voor zover nodig om de verzoeken te beoordelen, hierna ingegaan.

4. De standpunten

Door en namens de man is aangevoerd dat partijen na de beëindiging van hun relatie lange tijd zijn begeleid door [hulpverlening] . De vrouw heeft het traject voortijdig stop gezet. Volgens de vrouw had [hulpverlening] onvoldoende aandacht voor de onderliggende problematiek en veiligheidsaspecten, maar dit volgt niet uit de stukken van [hulpverlening] . Daaruit blijkt dat er bij aanvang van het traject, toen het CJG nog betrokken was, concrete veiligheidsafspraken zijn gemaakt en dat door [hulpverlening] de Masic-methode is gehanteerd.

De man ontkent niet dat zich tijdens de relatie van partijen incidenten en/of gebeurtenissen hebben voorgedaan. Wel wijst de man erop dat deze incidenten en/of gebeurtenissen hebben plaatsgevonden in een periode waarin sprake was van grote veranderingen waarvan beide partijen druk ondervonden en dat, behalve bij het incident van september 2022, er geen rechtstreeks fysiek geweld is geweest van de man naar de vrouw. Na dit incident heeft de man zich bovendien direct aangemeld voor hulpverlening en is hij tot mei 2023 in behandeling geweest bij een GZ-psycholoog. Dit traject heeft hij positief afgerond.

Op dit moment is er, onbedoeld, geen sprake van gezamenlijk ouderlijk gezag omdat de erkenning van [minderjarige] , die na inwerkingtreding van de nieuwe wet op 1 januari 2023 is geboren, dateert van voor deze datum. Gezamenlijk ouderlijk gezag is echter het uitgangspunt in de wet. In de huidige situatie zijn er geen contra-indicaties voor gezamenlijk ouderlijk gezag. De gronden, zoals geformuleerd in artikel 1:253c, tweede lid, van het BW voor afwijzing van gezamenlijk gezag, doen zich niet voor. Uit het eind evaluatieverslag van [hulpverlening] blijkt dat bij beide partijen een meer veilige en stabiele woonomgeving is ontstaan sinds hun relatie is beëindigd. Er hebben na het uiteengaan van partijen geen incidenten meer plaatsgevonden en het huidige contact met de vrouw ervaart de man als prettig en goed. De vrouw maakt onvoldoende duidelijk op grond waarvan er volgens haar voor [minderjarige] nog risico bestaat op huiselijk geweld bij de man. De man ervaart zijn gemoedstoestand al langere tijd als rustig en stabiel. Mede gelet hierop, maar ook omdat de man het belangrijk vindt dat [minderjarige] meer dan nu opgroeit met haar [zus] en [broer] die zijn geboren uit een eerdere relatie van de man, acht de man een uitbreiding van de omgangsregeling naast gezamenlijk gezag, tevens aangewezen.

De man wil dat [minderjarige] opgroeit in een harmonieuze omgeving en dat zij geen last ervaart van de spanningen tussen partijen dan wel de ouders van partijen of andere familieleden. De door de vrouw in het geding gebrachte schriftelijke verklaringen van haar zus en haar moeder, waaruit naar voren komt dat zij een zeer negatieve kijk op de man hebben, baren de man in dit kader dan ook zorgen. Hoewel partijen al hulpverlening hebben gehad, staat de man open voor een nieuw en volgend traject van hulpverlening. Dit geldt ook voor individuele (en afzonderlijke) hulp wanneer dit nodig wordt geacht en kan bijdragen aan de onderlinge verhoudingen en het door de vrouw thans nog ervaren gevoel van onveiligheid kan wegnemen. Indien de rechtbank een eindbeslissing neemt op de verzoeken van de man, is de man bereid om zich tot de gemeente te wenden voor een hulpverleningstraject. Indien de rechtbank haar beslissing op de verzoeken van de man aanhoudt, is de man bereid om deel te nemen aan een hulpverleningstraject in het kader van het Uniform Hulpaanbod (UHA).

Door en namens de vrouw is aangevoerd dat tussen partijen sprake is geweest van een bijzonder problematische en onveilige relatie, die gekenmerkt werd door agressief en onvoorspelbaar gedrag van de man tegen de vrouw en andere gezinsleden, met name wanneer de man onder invloed van alcohol verkeerde. Er hebben zich meerdere ernstige incidenten voorgedaan, waarbij de oudere kinderen van de man, [minderjarige] en andere kinderen aanwezig zijn geweest. Naast de incidenten, was het gedrag van de man tijdens de relatie van partijen in het algemeen agressief waarbij sprake was van een patroon van onveilige situaties in de thuissituatie. Er was vrijwel dagelijks sprake van verbaal geweld, er is meer dan eens fysiek geweld gepleegd door de man naar de vrouw, spullen en meubilair moesten het bij de man regelmatig ontgelden en de man had een ontzettend kort lontje.

Veilig Thuis heeft de vrouw in september 2023 geadviseerd om hulpverlening in te schakelen voor het maken van afspraken over de omgang tussen [minderjarige] en de man en voor het monitoren van de veiligheid van de vrouw en [minderjarige] . Partijen zijn door Veilig Thuis verwezen naar het CJG, dat kort heeft bemiddeld en partijen heeft aangemeld bij [hulpverlening] voor hulpverlening. De hulpverlening van [hulpverlening] is in maart 2024 van start gegaan en heeft tot medio maart 2025 geduurd. De vrouw heeft de hulpverlening van [hulpverlening] niet bepaald als constructief en ondersteunend ervaren. Door [hulpverlening] zijn de zorgen over de veiligheid van de vrouw en [minderjarige] en de zorgen over de (onbehandelde?) problematiek van de man genegeerd en gebagatelliseerd. Ook was verslaglegging vanuit [hulpverlening] regelmatig niet correct. De vrouw heeft de bemiddelaar van [hulpverlening] meerdere malen laten weten dat er correcties aangebracht moesten worden in de verslaglegging en dat zij tevens een andere bejegening en aanpak verlangde gelet op de onderliggende problematiek. Daarnaast heeft de vrouw de bemiddelaar regelmatig moeten wijzen op het feit dat de communicatie tussen de man en de bemiddelaar bij herhaling niet werd gedeeld met de vrouw, doch dat andersom wel alle communicatie tussen de vrouw en de bemiddelaar met de man werd gedeeld. Mede daardoor liepen de bemiddelingsgesprekken bijzonder stroef. Vanwege het verloop van het traject met het oog op haar veiligheid en die van [minderjarige] heeft de vrouw zich op enig moment genoodzaakt gezien om het hulpverleningstraject van [hulpverlening] te beëindigen.

De vrouw voelt zich tot op heden onveilig in het contact met de man. De man blijft zich onvoorspelbaar gedragen en zoekt het ene moment toenadering bij de vrouw en op het andere moment gedraagt hij zich weer boos/verbaal agressief naar de vrouw. Ieder contact met de man is voor de vrouw nog steeds een beproeving en onvoorspelbaar. Daarnaast maakt de vrouw zich zorgen over de veiligheid van [minderjarige] in haar contact met de man. De verzorging en opvoeding van een kind vergt over het algemeen een ‘lang lontje’ van ouders, terwijl de vrouw heeft ervaren dat de man daarover niet beschikt. De vrouw heeft geen zicht op de situatie van [minderjarige] en haar veiligheid wanneer zij bij de man verblijft. Korte periodes van omgang lijken op dit moment nog wel te overzien, maar de vrouw kan niet inschatten of dat in de toekomst ook nog zo zal zijn. De vrouw schat het risico dat [minderjarige] bij de man (opnieuw) wordt blootgesteld aan huiselijk geweld als reëel in.

Ingevolge artikel 31 van het Verdrag van Istanbul dient er bij beslissingen aangaande gezag en omgang door de rechtbank rekening te worden gehouden met dat de rechten en veiligheid van de andere ouder (moeder) en het kind ( [minderjarige] ) gewaarborgd zijn (zie de uitspraak van het gerechtshof Arnhem van 28 augustus 2025 met ECLI-nummer: ECLI:NL:GHARL:2025:5305). Een uitsluitingsgrond als genoemd in artikel 1:253c van het BW voor gezamenlijk gezag is van toepassing en ook artikel 31 van het Verdrag van Istanbul staat aan het vaststellen van gezamenlijk gezag in de weg. Daarnaast zijn partijen niet in staat om op een gelijkwaardige en veilige wijze met elkaar in contact te treden om bijvoorbeeld informatie uit te wisselen bij de overdracht van [minderjarige] , incidentele wijzigingen in de regeling eenvoudig te regelen en/of om de vakanties en feestdagen onderling te verdelen. Een uitbreiding van de omgang tussen de man en [minderjarige] is onder de gegeven omstandigheden en zonder zicht te hebben op de bestaande zorgen rondom de persoonlijke situatie van de man en de veiligheid van [minderjarige] niet in het belang van [minderjarige] .

De vrouw geeft de rechtbank in overweging om een raadsonderzoek te gelasten naar het gezag en de omgang. Ook staat de vrouw open voor een hulpverleningstraject in het kader van het UHA onder aanhouding van een beslissing op de verzoeken van de man. Daarbij acht de vrouw het wel belangrijk dat een andere werkwijze wordt gehanteerd dan [hulpverlening] heeft gedaan, waarbij aandacht is voor de veiligheidsrisico’s die spelen in het contact tussen de man en de vrouw in relatie tot de bij de man aanwezige problematiek.

De vertegenwoordigster van de Raad heeft aangegeven dat partijen een verschillende visie hebben op de omgang en het gezamenlijk gezag. Er hebben incidenten tussen partijen plaatsgevonden, maar deze zijn van langere tijd geleden. Na het uiteengaan van partijen is er rust gekomen. Binnen het hulpverleningstraject van [hulpverlening] hebben partijen positieve stappen gezet. De vertegenwoordigster van de Raad ziet mogelijkheden voor een uitbreiding van de omgang tussen de man en [minderjarige] . Er zijn geen contra-indicaties van dien aard dat gezamenlijk gezag niet aan de orde kan zijn. Dit maakt dat de vertegenwoordigster van de Raad geen meerwaarde ziet in een onderzoek door de Raad. Ook twijfelt zij aan een nieuw hulpverlengingstraject voor partijen in het kader van het UHA. Belangrijk is dat er voor partijen duidelijkheid komt zodat zij verder kunnen. [minderjarige] is er het meest bij gebaat wanneer de situatie tussen partijen rustig is, er een goede communicatie tussen partijen plaatsvindt en er geen sprake is van verwijten over en weer. Hieraan zouden partijen nog (verder) kunnen werken met behulp van hulpverlening. Voorkomen moet echter worden dat partijen in een vicieuze cirkel terecht komen. Visieverschillen tussen partijen zullen mogelijk blijven bestaan en hulpverlening zal dit niet oplossen.

5. De beoordeling

De rechtbank stelt op basis van de voorliggende stukken en hetgeen ter zitting is besproken vast dat er zich tussen partijen veel heeft afgespeeld. Tijdens hun relatie hebben meerdere incidenten van verbaal en/of fysiek geweld plaatsgevonden, waarbij met name de vrouw onveiligheid heeft ervaren in relatie tot de man. Partijen hebben na de beëindiging van hun relatie op advies van het CJG een hulpverleningstraject bij [hulpverlening] gevolgd, maar dit traject is door de vrouw voortijdig beëindigd. Naar de rechtbank begrijpt voelde de vrouw zich tijdens dit traject onvoldoende gehoord en serieus genomen in haar zorgen over het handelen en het gedrag van de man alsook de veiligheid van haar en [minderjarige] in het contact met de man.

Ter zitting hebben beide partijen aangegeven open te staan voor een nieuw hulpverleningstraject. Dit met als doel om het vertrouwen in elkaar te vergroten en daarmee het gezamenlijk ouderschap over [minderjarige] beter samen uit te kunnen oefenen. De vrouw heeft specifiek benoemd het van belang te vinden dat tijdens een dergelijk nieuw hulpverleningstraject aandacht is voor eventuele onderliggende problematiek bij de man die heeft geleid tot de in de procedure beschreven incidenten. De man heeft benadrukt het belangrijk te vinden dat de families van partijen op een positieve manier betrokken zijn bij [minderjarige] , en dat hierop, daar waar nodig, (ook) wordt ingezet tijdens het hulpverleningstraject.

Nu beide partijen bereid zijn om te werken aan een verbetering van hun relatie op ouderniveau, is de rechtbank van oordeel dat partijen deze mogelijkheid moet worden geboden. Daarbij ziet de rechtbank, anders dan de Raad, wel meerwaarde in een nieuw hulpverleningstraject. Partijen hebben tijdens het hulpverleningstraject bij [hulpverlening] mogelijk stappen vooruit gezet, maar tussen partijen is nog steeds sprake van problematiek. Vanuit de vrouw bestaat nog altijd veel wantrouwen naar de man, dat gepaard gaat met gevoelens van onveiligheid en angst. Belangrijk is dat partijen vanuit een basis van onderling vertrouwen leren om met elkaar op een goede manier te communiceren en samen te werken, ook voor wat betreft de verdere toekomst. [minderjarige] is nog heel jong waardoor partijen nog heel wat jaren samen zorg dragen voor de verzorging en opvoeding van [minderjarige] en nog tal van beslissingen over haar dienen te nemen. Een nieuw hulpverleningstraject kan partijen ondersteuning bieden in de uitoefening van het gezamenlijk ouderschap. Daarnaast biedt dit partijen de gelegenheid om tot nadere afspraken met elkaar te komen over het gezag en de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken van [minderjarige] .

Partijen hebben tijdens de zitting ermee ingestemd dat de rechtbank hen en [minderjarige] voor hulpverlening verwijst naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio West-Brabant-Oost. De verwijzing heeft op 12 december 2025 plaatsgevonden met het verzenden van het verwijzingsformulier naar het loket. Deze beschikking geldt als bevestiging dat partijen met de doorverwijzing en de voorwaarden daarvan hebben ingestemd. Daarbij wijst de rechtbank partijen erop dat deelname aan het hulpverleningstraject weliswaar vrijwillig, maar niet vrijblijvend is. Van partijen wordt dan ook een serieuze inspanning verlangd om het traject tot een goed einde te brengen.

Met de inzet van het hulpverleningstraject gaan partijen, zo is met hen afgesproken, in ieder geval werken aan het behalen van de volgende resultaten:

- de ouders hebben inzicht in de (psychologische) gevolgen van de scheiding voor het kind;

- het kind heeft een stem in het scheidingsproces, voelt zich gehoord en gesteund.

Gebleken is dat partijen daarnaast ook op andere onderdelen hulp en ondersteuning nodig hebben. Daarom heeft de rechter na overleg met partijen besloten dat zij samen met een zorgaanbieder ook gaan werken aan het behalen van de volgende resultaten:

- de (gezagdragende) ouders zorgen voor afspraken en beslissingen die in het belang zijn van het kind, waarbij sprake is van een zware/systeemgerichte interventie;

- het kind en de (gezagdragende) ouders hebben onbelast contact met elkaar;

- er is inzicht in de mogelijkheden/belemmeringen van beide ouders en de hulp die nodig is om een stabiele opvoedsituatie voor het kind te realiseren (binnen de scheidingssituatie). Daarbij zijn partijen met elkaar overeenkomen dat in het kader van het bereiken van dit resultaat (ook) aandacht moet zijn voor eventuele onderliggende problematiek aan de zijde van de man die kan hebben geleid tot de in de procedure beschreven incidenten.

De resultaten heeft de rechtbank ook vastgelegd in een resultatenlijst. Deze lijst is bij deze beschikking gevoegd (bijlage 1).

Na afloop van het hulpverleningstraject maakt de zorgaanbieder een rapportage op over het verloop en het resultaat van het traject. Deze rapportage wordt als bijlage bij het door de gemeente/toegang op te maken rapport gevoegd. De rechtbank verzoekt het loket om de volledige UHA rapportage uiterlijk op na te noemen pro forma datum, of zoveel eerder als mogelijk is, bij de rechtbank in te dienen.

Als de hulp heeft geleid tot een positief resultaat, stelt de rechtbank partijen en hun advocaten in de gelegenheid zich binnen twee weken na ontvangst van de eindrapportage uit te laten of een zitting nodig is. De advocaten maken in hun reactie kenbaar wat het resultaat van de hulpverlening betekent voor de verzoeken met betrekking tot [minderjarige] .

Als de hulp niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat verzoekt de rechtbank het loket de volledige UHA rapportage ook direct toe te sturen aan de Raad. De Raad toetst en beoordeelt dan of een onderzoek of interventie zal worden verricht. De Raad informeert de rechtbank binnen twee weken na ontvangst van de eindrapportage of er aanleiding is een onderzoek of interventie te starten.

Wanneer de Raad geen aanleiding ziet voor een onderzoek of interventie, maar op grond van de UHA rapportage direct een advies kan geven, stelt de rechtbank partijen en hun advocaten in de gelegenheid zich over dit advies, alsmede over het verdere procesverloop uit te laten.

Wanneer de Raad een onderzoek wel noodzakelijk vindt, dan verzoekt de rechtbank de Raad dit onderzoek te verrichten en daarover bij de rechtbank een rapport en advies in te dienen ter beantwoording van de volgende vragen:

- Bestaat er, bij toewijzing van het gezag aan partijen gezamenlijk, een onaanvaardbaar risico dat [minderjarige] klem of verloren zal raken tussen partijen en is het niet te verwachten dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zal komen of is het anderszins in het belang van [minderjarige] te achten om af te wijken van het in de wet neergelegde uitgangspunt dat de ouders gezamenlijk het gezag uitoefenen?

- Welke omgangsregeling tussen de man en [minderjarige] past het beste bij de belangen van [minderjarige] ?

- Past een verandering van de omgangsregeling bij de belangen van [minderjarige] ?

- Hoe moet die regeling eruit gaan zien?

- Zijn er contra-indicaties voor omgang en zo ja, welke?

- In hoeverre zijn deze contra-indicaties op te heffen; hoe, onder welke voorwaarden en op welke termijn?

- Welke andere feiten en/of omstandigheden die uit het onderzoek naar voren zijn gekomen, zijn niet in voorgaande vragen aan de orde gesteld en zijn wel van belang om te vermelden?

Deze beschikking is een verzoek aan de Raad om dit onderzoek te verrichten, indien het traject niet is gestart of niet positief wordt afgesloten én de Raad dat onderzoek noodzakelijk acht.

Na een onderzoek of interventie van de Raad stelt de rechtbank partijen en hun advocaten in de gelegenheid op het rapport van de Raad te reageren en zich uit te laten over het verdere procesverloop.

Partijen zijn na de zitting geïnformeerd over de privacy aspecten van de doorverwijzing (bijlage 2). Zij hebben met het delen van de privacy gegevens en de voorwaarden waaronder de verwijzing plaatsvindt ingestemd.

Omdat partijen en [minderjarige] in de gelegenheid worden gesteld deel te nemen aan het hulpverleningstraject zal de rechtbank geen (definitieve) beslissing nemen op de voorliggende verzoeken van de man met betrekking tot het gezag en de omgang, maar houdt zij de beslissing daarover voor de duur van negen maanden aan. Op verzoek van het loket en/of de gemeente/toegang kan de rechtbank deze termijn verlengen. Dit verzoek moet gemotiveerd worden gedaan. Als de verlenging wordt toegestaan dan geeft de rechtbank een nieuwe pro forma datum door.

Tijdens de zitting hebben partijen overeenstemming bereikt over een (voorlopige) wijziging van de voorliggende omgangsregeling. Tussen partijen is afgesproken dat de man en [minderjarige] met ingang van heden recht hebben op omgang met elkaar in de ene week (week 1) op de woensdag van 9:00 uur tot 18:00 uur en in de andere week (week 2) op de woensdag van 9:00 uur tot 18:00 uur en op de vrijdag van 12:00 uur tot zondag 17:00 uur, waarbij als week 1 geldt de week die start op maandag 8 december 2025. De vrouw brengt [minderjarige] naar de man, en de man brengt [minderjarige] terug naar de vrouw.

De rechtbank is niet gebleken dat deze tussen partijen gemaakte afspraken over de omgang tussen de man en [minderjarige] , hetgeen een uitbreiding van de omgang inhoudt, niet in het belang van [minderjarige] zouden zijn. De rechtbank zal de tussen partijen overeengekomen gewijzigde omgangsregeling tussen de man en [minderjarige] dan ook in deze beschikking vastleggen. Daarbij benadrukt de rechtbank dat dit een voorlopige wijziging van de omgangsregeling betreft. Een definitieve beslissing over de omgang tussen de man en [minderjarige] zal door de rechtbank worden genomen nadat partijen en [minderjarige] het hulpverleningstraject in het kader van het UHA hebben doorlopen. Indien partijen gedurende het hulpverleningstraject een andere omgangsregeling overeenkomen die zij meer passend en aangewezen achten, bijvoorbeeld tijdens de vakanties, staat dit partijen vrij. Komen zij er samen niet uit, dan loopt de regeling zoals nu in deze beschikking bepaald wordt, door.

Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

6. De beslissing

De rechtbank:

bepaalt, onder wijziging van de eerder tussen partijen mondeling overeengekomen omgangsregeling, dat de man en genoemde minderjarige [minderjarige] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag] 2023, voorlopig - totdat in deze zaak anders wordt beslist of partijen anders overeenkomen - gerechtigd zijn tot omgang met elkaar zoals in rechtsoverweging 5.16 is omschreven;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

verwijst partijen en de minderjarige [minderjarige] voor een hulpverleningstraject ten behoeve van de hierboven genoemde resultaten naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio West-Brabant-Oost. Het loket zal partijen en de minderjarige [minderjarige] vervolgens via de toegang van de woonplaatsgemeente van de minderjarige [minderjarige] verwijzen naar de zorgaanbieder;

verzoekt het loket om uiterlijk op 6 oktober 2026 pro forma, of zoveel eerder als mogelijk is, de UHA rapportage over het verloop en de resultaten van het hulpverleningstraject bij de griffie van de rechtbank in te dienen;

verzoekt het loket, wanneer het traject niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat, de UHA rapportage ook direct toe te sturen aan de Raad;

verzoekt de Raad binnen veertien dagen na binnenkomst van de UHA rapportage de rechtbank te informeren of hij aanleiding ziet een onderzoek of interventie te starten;

verzoekt de Raad, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda wanneer het hulpverleningstraject niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat, dan wel als de Raad daartoe zelf aanleiding ziet, een onderzoek in te stellen ter beantwoording van de in rechtsoverweging 5.11 vermelde vragen en daarover te rapporteren en te adviseren;

verzoekt de Raad zijn rapport en advies binnen vier maanden nadat de Raad de rechtbank heeft laten weten dat een onderzoek of interventie zal worden verricht bij de rechtbank in te dienen;

houdt aan de beslissing op:

- het verzoek van de man tot gezamenlijk gezag;

- het verzoek van de man tot het vaststellen van een (definitieve) omgangsregeling tussen de man en de minderjarige [minderjarige] .

Deze beschikking is gegeven door mr. Baggel, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 22 december 2025 in aanwezigheid van mr. Snatersen, griffier.

Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:

door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het

gerechtshof ’s-Hertogenbosch.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. Snatersen

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?