ECLI:NL:RBZWB:2025:9317

ECLI:NL:RBZWB:2025:9317, Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 24-12-2025, 11682101 \ CV EXPL 25-2217

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 24-12-2025
Datum publicatie 22-01-2026
Zaaknummer 11682101 \ CV EXPL 25-2217
Rechtsgebied Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure Bodemzaak
Zittingsplaats Tilburg

Samenvatting

Huur woonruimte. Verhuurder verblijft als expat in het buitenland. Huurders betalen al 12 maanden geen huur. Vorderingen tot ontbinding en ontruiming worden toegewezen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Tilburg

Zaaknummer: 11682101 \ CV EXPL 25-2217

Vonnis van 24 december 2025

in de zaak van

[eiser]

te [plaats 1]

eisende partij

hierna te noemen: [eiser]

gemachtigde: mr. M.L.A. van Hurne

tegen

1. [gedaagde 1]

en2. [gedaagde 2]

beiden te [plaats 2]

gedaagde partijen

hierna samen te noemen: [gedaagden]

procederend in persoon

De zaak in het kort

Deze zaak betreft de door [eiser] verhuurde woning. Hij en zijn partner zijn als expats woonachtig in het buitenland en hebben hun woning in [plaats 2] verhuurd aan [gedaagden] . [gedaagden] betalen al geruime tijd geen huur. [eiser] wil daarom dat de huurovereen-komst eindigt, dat [gedaagden] de woning ontruimen en dat zij alsnog de achterstallige huur betalen. De daartoe ingestelde vorderingen worden toegewezen.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 18 juni 2025;

- de e-mails van [gedaagden] van 3 oktober 2025 (09.20 en 09.21u) met foto’s;

- de akte van [eiser] met producties 13 en 14;

- de mondelinge behandeling van de zaak op 26 november 2025, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt.

Omdat met het sluiten van de mondelinge behandeling het debat tussen partijen is geëindigd kan de inhoud van de e-mail die [gedaagden] op 1 december 2025 nog aan de rechtbank heeft toegezonden niet in de beoordeling van de zaak worden betrokken.

2. De feiten

[eiser] verhuurt met ingang van 9 januari 2023 aan [gedaagden] de woning aan het [adres] in [plaats 2] (hierna: het gehuurde). De huur bedraagt sinds februari 2025 € 1.821,00 per maand en is bij vooruitbetaling vóór de eerste dag van elke maand verschuldigd. Op deze huurovereenkomst zijn algemene voorwaarden van toepassing.

[gedaagden] hebben (een deel van) de huur niet betaald. Onder andere in een brief van 16 januari 2025 heeft [eiser] [gedaagden] aangemaand om aan hun betalings-verplichtingen te voldoen.

In een volgende brief d.d. 4 februari 2025 heeft [eiser] [gedaagden] gewezen op de mogelijkheid van schuldhulpverlening bij betalingsachterstanden. [gedaagden] hebben daarop niet afwijzend gereageerd. [eiser] heeft [gedaagden] daarna bij de gemeente aangemeld in het kader van vroegsignalering.

3. Het geschil

[eiser] vordert ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde door [gedaagden] . Daarnaast vordert hij dat [gedaagden] de achterstallige huur betalen.

Aan zijn vorderingen legt [eiser] - samengevat - het volgende ten grondslag.

[gedaagden] zijn in hun verplichtingen als huurders tekortgeschoten, door niet (volledig) aan hun betalingsverplichting te voldoen. Bij dagvaarding betrof de achterstand in de betaling van de huur € 8.078,82. Tijdens de mondelinge behandeling van de zaak was de betalingsachterstand tot en met de maand november 2025 opgelopen tot € 21.318,74. De hoogte van een dergelijk bedrag aan huurachterstand rechtvaardigt volgens [eiser] de ontbinding van de huurovereenkomst en de ontruiming van het gehuurde.

[gedaagden] voeren verweer. Zakelijk weergegeven komt dit verweer er op neer dat de betalingsachterstand het gevolg is van een zeer ernstige ziekte waardoor [gedaagde 1] , die zzp-er is, zonder inkomen was. Inmiddels is hij weer aan het werk. [gedaagden] willen in de woning blijven wonen en de huurachterstand in drie termijnen voldoen. Zij willen daarbij dat het bedrag wordt verminderd met de in de huurprijs begrepen kosten voor twee parkeerplekken waarvan zij geen, althans niet altijd gebruik hebben kunnen maken en met de eveneens in de huurprijs begrepen kosten voor een makelaar.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4. De beoordeling

Allereerst wordt geoordeeld dat er in dit geval geen grond bestaat om ambtshalve de huurovereenkomst te toetsen aan het Europese en Nederlandse consumentenrecht, in het bijzonder aan Richtlijn 93/13/EEG (de Richtlijn oneerlijke bedingen). [eiser] heeft tijdens de mondelinge behandeling desgevraagd verklaard dat het gehuurde de enige woning is die hij verhuurt. Dit doet hij sinds hij en zijn partner als expats in het buitenland verblijven. [gedaagden] hebben dit niet weersproken. Vastgesteld wordt dan ook dat [eiser] niet een persoon is die handelt in het kader van zijn privaatrechtelijke beroepsactiviteit als bedoeld in de Richtlijn oneerlijke bedingen.

Met betrekking tot de betalingsachterstand wordt overwogen dat [gedaagden] het bedrag daarvan niet, althans niet gemotiveerd weerspreken. [gedaagden] hebben in hun mondelinge verweer op de rolzitting van 4 juni 2025 erkend dat de in de dagvaarding vermelde achterstand juist was. Tijdens de mondelinge behandeling op 26 november 2025 is het overzicht van de achterstand tot en met de maand november 2025 besproken. [gedaagden] hebben gesteld dat er naast de betaling in april 2025 die in het overzicht is verwerkt, ook in mei 2025 door hen een betaling van € 1.750,00 is gedaan. Daarmee houdt de kantonrechter in dit vonnis geen rekening. [gedaagden] hebben van deze betaling namelijk geen bewijs bijgebracht. Bovendien rijmt de plotseling gestelde betaling die in mei 2025 zou zijn gedaan niet met de erkenning van het bedrag aan betalingsachterstand op de rolzitting van 4 juni 2025. En ten slotte betwist [eiser] dat hij in mei 2025 een betaling heeft ontvangen. De kantonrechter gaat daarom uit van een betalingsachterstand tot en met 30 november 2025 zoals die is weergegeven in het overzicht van [eiser] .

In dat overzicht zijn naast de huur ook de over de achterstallige huur berekende wettelijke rente en de in de sommatie van [eiser] van 16 januari 2025 aangezegde buitengerechtelijke incassokosten plus de btw daarover opgenomen. [eiser] heeft de op 6 april 2025 van [gedaagden] ontvangen betaling op de voet van artikel 6:44 lid 1 BW eerst op de verschenen rente en op de incassokosten in mindering gebracht en het restant op de achterstallige huur. [gedaagden] hebben daartegen geen bezwaren gemaakt. Aldus vordert [eiser] per saldo € 21.318,74 wegens tot en met november 2025 achterstallige huur.

[gedaagden] stellen dat zij dit bedrag willen betalen, zij het in termijnen en met aftrek van volgens hen in de huurprijs begrepen kosten voor een makelaar en parkeer-plaatsen. Echter, in de huurovereenkomst is geen aparte vergoeding opgenomen voor het gebruik van (een) parkeerplaats(en), noch een maandelijks verschuldigd bedrag voor een makelaar of beheerder. Hierin is dan ook geen grond gelegen voor enige vermindering van het verschuldigde. [gedaagden] zullen hierna dan ook worden veroordeeld om het verschuldigde bedrag van € 21.318,74 aan [eiser] te betalen. Of zij dit in termijnen mogen doen zullen [gedaagden] met [eiser] moeten bespreken. De kantonrechter heeft niet de mogelijkheid om aan partijen dwingend een betalingsregeling op te leggen.

De kantonrechter heeft vastgesteld dat [eiser] heeft voldaan aan de informatieplicht en de meldplicht als bedoeld in artikel 2 van Besluit Gemeentelijke Schuldhulpverlening.

Over de vorderingen tot ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde overweegt de kantonrechter als volgt. De huurder is verplicht om de huur op tijd en volledig te betalen. Iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van een van haar verbintenissen geeft aan de wederpartij de bevoegdheid om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden, tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. De kantonrechter wijst een vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst alleen toe als de huurachterstand ernstig genoeg is om de huurovereenkomst te beëindigen. Vaak zal een achterstand van meer dan drie maanden genoeg zijn, maar de kantonrechter moet alle omstandigheden afwegen. Van belang is bijvoorbeeld ook of inmiddels de huur weer wordt betaald en of de achterstand (deels) is ingelopen.

Op het moment van dagvaarden bedroeg de huurachterstand (afgerond) 5 maanden. Daarna is de huurachterstand opgelopen en bedraagt de achterstand inmiddels, althans tot en met november 2025, (afgerond) 12 maanden. De huurachterstand is daarom ernstig genoeg om de huurovereenkomst te ontbinden. [gedaagden] hebben nog aangevoerd dat gedaagde [gedaagde 1] inmiddels weer werk heeft maar dat met de inkomsten daaruit de betalingsachterstand op korte termijn kan worden afbetaald en tevens de lopende huur kan worden betaald acht de kantonrechter niet waarschijnlijk. [gedaagden] hebben verder gesteld dat zij met hun vier kinderen, waarvan de jongste nog minderjarig is, in het gehuurde wonen.

De kantonrechter overweegt dat op grond van artikel 3 van het Verdrag inzake de rechten van het kind de belangen van kinderen een eerste overweging moeten vormen. Dat betekent niet dat een huurovereenkomst met een huurder met een minderjarig kind niet mag worden ontbonden. De ouders van een minderjarig kind zijn in principe verantwoordelijk voor tekortkomingen die tot een ontbinding en daaropvolgende ontruiming kunnen leiden. Het ligt dan ook in de eerste plaats op de weg van de ouders zelf om de nadelige effecten van de ontbinding en ontruiming voor hun kind zoveel mogelijk te beperken. Er bestaat de mogelijkheid om, indien daarbij hulp nodig is, hulpverlenende instanties in te schakelen. Als er toch een noodsituatie dreigt, bijvoorbeeld omdat het kind letterlijk op straat komt te staan, dan kan dat - mede afhankelijk van de overige omstandigheden - een belemmering voor ontruiming zijn. Het minderjarige kind van [gedaagden] zal, naar uit hun verklaring ter zitting volgt, over minder dan drie maanden de leeftijd van 18 jaar bereiken. Gelet hierop ziet de kantonrechter in de minderjarigheid van dit kind dan ook geen beletsel om de vorderingen van [eiser] toe te wijzen.

De ontbinding van de huurovereenkomst zal op grond van het voorgaande worden uitgesproken. [gedaagden] zullen worden veroordeeld het gehuurde te ontruimen op een termijn van veertien dagen na betekening van het vonnis. De kantonrechter is van oordeel dat dit een redelijke termijn is om aan de veroordeling te voldoen.

[eiser] wil ook dat [gedaagden] worden veroordeeld tot het betalen van een maandelijks bedrag van € 1.821,00, te rekenen vanaf de maand december 2025 tot het moment dat zij het gehuurde hebben ontruimd. Dit is de huurprijs per maand en na het ontbinden van de huurovereenkomst is dit een gebruiksvergoeding voor de tijd dat

[gedaagden] nog in het gehuurde verblijven. Deze vordering zal worden toegewezen.

[gedaagden] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden vastgesteld op:

- kosten van de dagvaarding

146,43

- griffierecht

257,00

- salaris gemachtigde

678,00

(2 punten × € 339,00)

Totaal

1.081,43

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

De veroordelingen worden hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat zowel gedaagde [gedaagde 1] , als gedaagde [gedaagde 2] kan worden gedwongen om het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.

5. De beslissing

De kantonrechter

ontbindt de tussen partijen bestaande huurovereenkomst met betrekking tot het gehuurde aan het [adres] in [plaats 2] ;

veroordeelt [gedaagden] om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis het gehuurde te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van [eiser] zijn, en de sleutels af te geven aan [eiser] ;

veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk om te betalen aan [eiser] :

- € 21.318,74 aan achterstallige huur tot en met de maand november 2025, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 27 november 2025 tot de dag van voldoening;

- € 1.821,00 per maand vanaf 1 december 2025 tot en met het einde van de maand waarin de daadwerkelijke ontruiming heeft plaatsgevonden;

veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk in de proceskosten van € 1.081,43, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening indien [gedaagden] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend;

veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten wanneer deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,

verklaart dit vonnis wat betreft de onder 5.2 t/m 5.5 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het eventueel meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. Van 't Nedereind en is in het openbaar uitgesproken op 24 december 2025.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?