beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Breda
Zaaknummer: C/02/434826 / FA RK 25-2197
datum uitspraak: 9 december 2025
beschikking over gezag, hoofdverblijf en omgang
in de zaak van
[de man] ,
hierna: de man,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat: voorheen mr. M.M.M. Minkels uit Tilburg, nu mr. J.M. Molkenboer uit Tilburg,
tegen
[de vrouw] ,
hierna: de vrouw,
wonende in [woonplaats 2] ,
advocaat: mr. E.M.A. Leijser uit Tilburg,
over de minderjarige:
- [minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2010, hierna: [minderjarige] .
Als belanghebbenden in deze zaak worden aangemerkt:
[de tante] ,
hierna: de pleegmoeder of de tante,
wonende in [woonplaats 2] ,
[de oom] ,
hierna: de oom,
wonende in [woonplaats 2] .
Als informant in deze zaak wordt aangemerkt:
WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING & JEUGDRECLASSERING,
gevestigd te Amsterdam,
hierna: de gecertificeerde instelling (GI).
Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna: de Raad, de rechtbank over de verzoeken geadviseerd.
1. Het procesverloop
In het dossier zitten de volgende stukken:
het op 25 april 2025 ontvangen verzoekschrift met bijlagen;
het op 27 mei 2025 ontvangen verweerschrift met bijlagen;
de brief met bijlagen van mr. Molkenboer van 29 oktober 2025.
De verzoeken zijn behandeld op de zitting van 10 november 2025. Bij die behandeling zijn gekomen partijen met hun advocaten, de oom, een vertegenwoordigster van de GI en een vertegenwoordigster van de Raad.
De pleegmoeder is correct opgeroepen, maar niet op de zitting verschenen.
[minderjarige] is op 9 juli 2025 door de rechtbank opgeroepen om te zeggen wat zij van het verzoek vindt tijdens een zogenoemd kindgesprek of door een brief te schrijven. Tijdens de zitting is gebleken dat deze oproep [minderjarige] niet heeft bereikt. De rechtbank heeft daarom besloten [minderjarige] na de zitting alsnog in de gelegenheid te stellen haar mening te geven. [minderjarige] heeft op 20 november 2025 een gesprek gevoerd met de kinderrechter. De inhoud van het gesprek wordt hierna (rechtsoverweging 4.4) samengevat weergegeven.
2. De feiten
Blijkens de stellingen en overgelegde stukken staat tussen partijen het volgende vast:
- partijen hebben met elkaar een relatie gehad;
uit de relatie van partijen is [minderjarige] geboren;
de man heeft [minderjarige] erkend;
de vrouw heeft van rechtswege alleen het gezag over [minderjarige] ;
na het uiteengaan van partijen verbleef [minderjarige] bij de vrouw;
sinds augustus 2024 verblijft [minderjarige] bij de tante en oom van moederszijde.
Bij beschikking van 19 september 2025 heeft de kinderrechter [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 19 september 2025 tot 19 september 2026. Bij diezelfde beschikking heeft de kinderrechter een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg (zijnde de tante) verleend met ingang van 19 september 2025 tot 19 maart 2026. De behandeling van het resterende verzoek van de GI om een machtiging tot uithuisplaatsing te verlenen, is aangehouden.
3. De verzoeken
De man verzoekt bij beschikking, voor zover rechtens mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. te bepalen dat de man en de vrouw gezamenlijk worden belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] ;
II. de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] te wijzigen en/of te bepalen dat [minderjarige]
(voortaan) haar hoofdverblijf heeft bij de man;
III. (subsidiair) een co-ouderschapsregeling vast te stellen tussen de man en [minderjarige] , waarbij [minderjarige] week om week bij de man verblijft (de ene week bij de man en de andere week bij de vrouw/tante), waarbij het wisselmoment plaatsvindt op de zondag om 18:00 uur alsmede te bepalen dat [minderjarige] gedurende de helft van de vakanties en feestdagen bij de man verblijft, in onderling overleg nader te bepalen;
IV. dan wel een zodanige beslissing te nemen als de rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren;
V. kosten rechtens.
4. De standpunten en het advies van de Raad
Door en namens de man is, samengevat, het volgende aangevoerd. Sinds partijen in 2014 uit elkaar zijn gegaan, heeft de man tot september 2024 geen contact met [minderjarige] meer gehad. De vrouw heeft [minderjarige] voorgehouden dat de man overleden was. Sinds september 2024 is er bijna dagelijks contact tussen de man en [minderjarige] en dat verloopt heel goed. Ook heeft de man goed contact met de tante en oom bij wie [minderjarige] verblijft. De oom is ook degene die de man heeft benaderd om het contact met [minderjarige] te organiseren. De man erkent dat hij een slechte periode in zijn leven heeft gehad, maar benadrukt dat het nu weer beter met hem gaat. Hij heeft sinds december 2024 een woning waar [minderjarige] haar eigen kamer heeft en wil op termijn weer gaan werken. Vanwege de huidige situatie wenst de man inspraak te hebben in beslissingen die over [minderjarige] genomen moeten worden. Gezamenlijk gezag is in het belang van [minderjarige] en is bovendien het wettelijk uitgangspunt. Er is geen sprake van een ontzeggingsgrond, zoals bedoeld in artikel 1:253c lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Het verzoek met betrekking tot het gezag moet dan ook worden toegewezen. Subsidiair moet het verzoek worden aangehouden in afwachting van het onderzoek van de GI. Ten aanzien van het verzoek over het hoofdverblijf voert de man aan dat [minderjarige] een sterke wens heeft om bij de man te wonen. Subsidiair verzoekt de man een co-ouderschapsregeling vast te stellen. Een ongestoorde relatie tussen de man en [minderjarige] is in haar belang en is ook belangrijk voor haar sociaal-emotionele ontwikkeling. Op de zitting heeft de man aangegeven dat hij zich erin kan vinden als de verzoeken met betrekking tot het hoofdverblijf en de omgangsregeling worden aangehouden, omdat het onderzoek van de GI nog van start moet gaan.
De vrouw voert verweer en stelt zich primair op het standpunt dat de verzoeken met betrekking tot het gezag en het hoofdverblijf moeten worden afgewezen. Partijen zijn al voor de geboorte van [minderjarige] uiteen gegaan. De man heeft daarna vastgezeten en kampte met verslavingen. Hij was niet in beeld en heeft de vrouw nooit benaderd om een rol in het leven van [minderjarige] te spelen. De man is niet bekend met de ontwikkeling van [minderjarige] en kan op basis van deze onwetendheid niet de juiste beslissingen nemen. Daarnaast is de man plots opgedoken in het leven van [minderjarige] , waarbij hij de vrouw als gezaghebbende ouder volledig heeft gepasseerd. Hierin spelen de tante en de oom een grote rol en daar maakt de vrouw zich zorgen om. Ook zij passeren haar als gezaghebbende ouder. De vrouw heeft [minderjarige] sinds augustus 2024 niet meer gezien en zij weigert ieder contact met de vrouw. Er is dus sprake van een zeer complex systeem tussen de man, de tante en de oom en [minderjarige] , waarbij de vrouw verstoten is geraakt. Uit de aanpak van de man blijkt niet dat hij met de vrouw probeert samen te werken, sterker nog, de man zet de vrouw volledig aan de kant. Gezamenlijk gezag is niet in het belang van [minderjarige] . Er is een onaanvaardbaar risico dat [minderjarige] klem of verloren zal raken. Ten aanzien van het hoofdverblijf voert de vrouw aan dat [minderjarige] al maanden ernstig belast wordt door de man en de tante en oom. [minderjarige] heeft van het een op andere moment met de vrouw en andere familieleden gebroken. De vrouw acht een neutrale verblijfplaats voor [minderjarige] passend zodat gewerkt kan worden aan contactherstel. Ten aanzien van de omgangsregeling stelt de vrouw dat omgang in het belang van [minderjarige] is, maar niet op de manier hoe de man dit nu vormgeeft. De verzochte regeling is niet opportuun en niet in het belang van [minderjarige] . [minderjarige] zal eerst op een neutrale plek hulp dienen te krijgen, voordat zij omgang met de man kan hebben. De vrouw verzoekt dan ook om de regie over de omgang bij de GI te beleggen.
De oom heeft, samengevat, verklaard dat het goed gaat met [minderjarige] . [minderjarige] zit op sport, heeft een verzorgpaard en doet het goed op school. Bij de tante en oom krijgt [minderjarige] de duidelijkheid en rust die zij nodig heeft.
[minderjarige] heeft in het kindgesprek het volgende aangegeven. Ze vindt het fijn om bij haar tante en oom te wonen en wil daar totdat ze achttien jaar oud is blijven wonen, het liefst langer. Ze wil niet bij haar vader gaan wonen. [minderjarige] wenst dat haar tante en oom het gezag over haar krijgen of haar vader samen met haar tante en oom. Met haar vader is [minderjarige] een band aan het opbouwen, nadat ze hem ongeveer elf jaar niet heeft gezien. [minderjarige] ziet haar vader wanneer het haar vader en haar uitkomt, dit geldt ook voor het contact tijdens de vakanties. Als [minderjarige] haar vader ziet, vindt ze dit fijn. [minderjarige] wil het contact met haar vader wel heel rustig opbouwen, want hij is pas kort weer in haar leven.
De GI heeft aangegeven pas net bij [minderjarige] betrokken te zijn. [minderjarige] heeft bij de GI aangegeven bij haar tante en oom te willen blijven wonen, maar de GI moet onderzoeken of dit de beste plek voor haar is. Er ligt nog geen officiële screening voor pleegzorg. Er is een aanmelding gedaan voor een gezinsonderzoek bij Groei Jeugdhulp. Met het onderzoek, dat drie tot vier maanden in beslag zal nemen, wil de GI een compleet beeld van [minderjarige] krijgen, waarbij onder meer wordt gekeken naar haar identiteitsontwikkeling en haar mogelijkheden en beperkingen. De ouders en pleegouders worden in dit onderzoek ook meegenomen. De GI maakt zich zorgen omdat [minderjarige] zich in een loyaliteitsconflict bevindt en vanwege het feit dat de moeder en [minderjarige] al ruim een jaar geen contact hebben gehad.
De GI kan pas advies geven over het hoofdverblijf van [minderjarige] als het gezinsonderzoek is afgerond. Verder moet er zicht komen op de opvoedkwaliteiten van de man. De GI is te kort in beeld om een advies over het gezag te geven, maar geeft wel aan dat gezamenlijk gezag de afstand tussen de vrouw en [minderjarige] zal vergroten. Zij adviseert de Raad onderzoek naar het gezag te laten doen. Ten aanzien van de omgangsregeling brengt de GI naar voren dat [minderjarige] heeft aangegeven dat zij niet de wens heeft om een omgangsregeling vast te leggen.
De Raad adviseert om de verzoeken van de man af te wijzen en heeft daartoe het volgende naar voren gebracht. De verzoeken van de man zijn te prematuur. De man heeft tien jaar lang geen rol gespeeld in het leven van [minderjarige] en heeft geen zicht op haar ontwikkeling. Hij is zonder enige begeleiding weer in haar leven gekomen, waarna het contact tussen de vrouw en [minderjarige] is verbroken. Er zijn belangrijke beslissingen over [minderjarige] genomen door personen die geen gezag over haar hebben. Dit had niet mogen gebeuren. Er is geen zicht op de situatie van de man en niet is bekend of hij in staat is beslissingen in het belang van [minderjarige] te nemen. De wijze waarop de man het contactherstel heeft aangepakt, is in ieder geval niet in het belang van [minderjarige] geweest. Bovendien is het voor gezamenlijk gezag noodzakelijk dat partijen in onderling overleg beslissingen kunnen nemen en daar zijn partijen op dit moment niet toe in staat. De Raad vindt het ook niet passend om het verzoek met betrekking tot het gezag aan te houden. De man moet kunnen focussen op het welzijn van [minderjarige] en niet enkel tot doel hebben om het gezag te verkrijgen. Wat het hoofdverblijf betreft, stelt de Raad zich op hetzelfde standpunt. De Raad heeft een machtiging tot uithuisplaatsing voor een korte periode verzocht om te onderzoeken of het verblijf bij de tante en oom in het belang van [minderjarige] is. Om die vraag te kunnen beantwoorden, is het passend dat de GI een gezinsonderzoek doet om zicht te krijgen op het systeem en de ontwikkeling van [minderjarige] . Er moet eerst gefocust worden op dit onderzoek en het daaropvolgende hulpverleningstraject van de GI. Nu de GI is betrokken, verzoekt de Raad om in de tussentijd de regie over de omgang tussen [minderjarige] en haar beide ouders bij de GI te beleggen.
5. De beoordeling
Gezag
In artikel 1:253c BW staat dat de vader van het kind, als hij het gezag mag krijgen, de rechtbank kan verzoeken hem ook, dus samen met de moeder, het gezag te geven. Hij mag dit gezag dan niet eerder al met de moeder hebben gehad. Verder staat in dat artikel dat dit verzoek alleen kan worden afgewezen als het risico bestaat dat het kind anders erg klem komt te zitten tussen haar ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen korte tijd genoeg verbetering komt. Het verzoek kan ook worden afgewezen als dat om een andere reden in het belang van het kind noodzakelijk is.
De rechtbank stelt voorop dat de wetgever als uitgangspunt hanteert dat ouders gezamenlijk het gezag uitoefenen over hun kind. De rechtbank dient dan ook de vraag te beantwoorden of er sprake is van één van de afwijzingsgronden zoals opgenomen in voornoemd wetsartikel. De rechtbank is van oordeel dat daarvan sprake is en overweegt daartoe als volgt.
Uit de ingediende stukken en hetgeen tijdens de zitting is besproken, blijkt dat de man en [minderjarige] tien jaar lang geen contact met elkaar hebben gehad. Hoewel de precieze oorzaak daarvan tussen partijen in geschil is, is gebleken dat de man in die periode geen contact heeft opgenomen met [minderjarige] en ook niet bij de vrouw heeft geïnformeerd hoe het met [minderjarige] gaat. De man weet dan ook niet wat zich in de tien jaar vóór september 2024 in het leven van [minderjarige] heeft afgespeeld. De rechtbank deelt de visie van de GI en de Raad dat er op dit moment geen zicht is op de opvoedkwaliteiten van de man. Niet is onderzocht of de man goed kan aansluiten bij de belevingswereld van [minderjarige] en of hij in staat is om beslissingen in haar belang te nemen. Dat de man en [minderjarige] sinds ruim een jaar weer contact met elkaar hebben, doet daar naar het oordeel van de rechtbank niet aan af. De man is plotseling in het leven van [minderjarige] verschenen zonder zorgvuldige opbouw of enige vorm van begeleiding. Hierdoor is niet duidelijk wat het contactherstel met [minderjarige] doet en wat zij hierin nodig heeft.
Daarnaast is voor gezamenlijk gezag vereist dat partijen in staat zijn tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening en dat zij beslissingen van enig belang over hun kind in gezamenlijk overleg kunnen nemen, althans ten minste in staat zijn vooraf afspraken te maken over situaties die zich rond hun kind kunnen voordoen. De rechtbank is van oordeel dat hiervan geen sprake is, omdat er al jarenlang geen enkele vorm van communicatie of samenwerking tussen partijen is. Bovendien lijkt [minderjarige] in een loyaliteitsconflict te verkeren en dit conflict kan toenemen als partijen gezamenlijk beslissingen over haar moeten nemen.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat er sprake is van een onaanvaardbaar risico dat [minderjarige] klem zou komen te zitten tussen haar ouders als zij gezamenlijk het gezag over haar zouden uitoefenen en dat afwijzing van het verzoek van de man ook anderszins in het belang van [minderjarige] noodzakelijk is. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om een raadsonderzoek te gelasten. Het verzoek van de man wordt dus afgewezen. De rechtbank overweegt ten overvloede dat het verzoek dus ook niet wordt aangehouden, zoals subsidiair door de man is verzocht. De rechtbank verwacht namelijk niet dat er binnen afzienbare tijd voldoende verbetering in de huidige situatie zal komen, gelet op de complexe gezinssituatie. De inzet van hulpverlening heeft nu prioriteit.
Hoofdverblijf
De rechtbank overweegt dat zij op grond van artikel 1:253a BW in geval van gezamenlijk gezag tussen partijen kan bepalen waar het hoofdverblijf van hun minderjarig kind is gelegen. Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen, zal zij het verzoek van de man om hem mede met het ouderlijk gezag over [minderjarige] te belasten, afwijzen. Nu het eenhoofdig ouderlijk gezag van de vrouw over [minderjarige] daarmee gehandhaafd blijft, is het bepalen van het hoofdverblijf van [minderjarige] dus niet aan de orde. De rechtbank zal het verzoek van de man om het hoofdverblijf van [minderjarige] bij hem te bepalen daarom afwijzen.
Omgangsregeling
Aangezien de rechtbank, zoals hiervoor is overwogen, het verzoek van de man tot gezamenlijk gezag afwijst, kwalificeert de rechtbank het subsidiaire verzoek van de man als een verzoek tot het vaststellen van een omgangsregeling op grond van artikel 1:377a BW. In artikel 1:377a BW staat dat een ouder zonder gezag over het kind recht heeft op omgang met het kind. De rechtbank kan op verzoek van één ouder of op verzoek van de ouders samen een omgangsregeling vaststellen.
Op grond van de ingediende stukken en hetgeen tijdens de zitting is besproken, is de rechtbank van oordeel dat de door de man verzochte omgangsregeling in strijd is met de zwaarwegende belangen van [minderjarige] . Zoals hiervoor is overwogen, heeft de man tien jaar lang geen contact met [minderjarige] heeft gehad en is er geen zicht op wat het contactherstel tussen de man en [minderjarige] met haar doet en wat zij hierin nodig heeft. Gebleken is dat sprake is van een complex gezinssysteem, waarbij [minderjarige] al het contact met de vrouw heeft verbroken. De rechtbank deelt de visie van de Raad dat deze situatie zorgelijk is. Er moet daarom eerst onderzoek worden verricht, voordat een omgangsregeling kan worden vastgesteld. De rechtbank neemt hierin mee dat [minderjarige] zelf heeft aangegeven dat zij bij haar oom en tante wil blijven wonen, dat zij haar vader ziet wanneer het uitkomt en het contact met hem op een rustige manier wil opbouwen. De man heeft op zitting ook verklaard dat [minderjarige] en de man regelmatig contact hebben en dat dit goed verloopt. De komende tijd verwacht de rechtbank dat de GI, in het kader van de ondertoezichtstelling, onderzoek verricht naar en hulpverlening inzet voor de omgang tussen [minderjarige] en haar beide ouders. Hierbij dient de GI te onderzoeken wat de opvoedvaardigheden van partijen zijn, welke behoeften [minderjarige] in het contact heeft en welke invulling van het contact (vorm, frequentie en duur) het meest passend is. De rechtbank zal het verzoek ook niet aanhouden, omdat de rechtbank dit niet in het belang van [minderjarige] acht. De focus van partijen moet nu op de hulpverlening komen te liggen.
Proceskosten
Omdat partijen een relatie met elkaar hebben gehad en de zaak over hun kind gaat, zullen de proceskosten worden gecompenseerd. Dat betekent dat iedere partij zijn eigen kosten moet dragen.
6. De beslissing
De rechtbank:
wijst de verzoeken af;
compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Deze beschikking is gegeven door mr. Van Beelen, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 9 december 2025 in aanwezigheid van mr. Van der Linde, griffier.
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.