ECLI:NL:RBZWB:2025:9328

ECLI:NL:RBZWB:2025:9328, Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 12-11-2025, C/02/440405 / JE RK 25-1763

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 12-11-2025
Datum publicatie 09-01-2026
Zaaknummer C/02/440405 / JE RK 25-1763
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Rekestprocedure
Zittingsplaats Breda

Samenvatting

Verlenging ondertoezichtstelling voor de duur van een jaar – verlenging machtiging tot uithuisplaatsing voor de duur van zes maanden.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht

Locatie Breda

Zaaknummer: C/02/440405 / JE RK 25-1763

Datum uitspraak: 12 november 2025

Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing

in de zaak van

STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,

gevestigd te 's-Hertogenbosch,

hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (GI),

over

[minderjarige 1] ,

geboren op [geboortedag 1] 2018 in [geboorteplaats 1] ,

hierna te noemen: [minderjarige 1] ,

[minderjarige 2] ,

geboren op [geboortedag 2] 2014 in [geboorteplaats 2] ,

hierna te noemen: [minderjarige 2] .

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de moeder] ,

hierna te noemen: de moeder,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. S. Klootwijk uit Breda,

[de vader] ,

hierna te noemen: de vader,

wonende in [woonplaats] ,

advocaat: mr. A. Huseinovic uit Breda.

1. Het verloop van de procedure

De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

- het verzoekschrift met bijlagen van de GI van 26 september 2025, ingekomen bij de griffie op 2 oktober 2025.

De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 12 november 2025. Daarbij waren aanwezig en zijn gehoord:

de moeder met mr. Klootwijk;

mr. Huseinovic;

- twee vertegenwoordigers van de GI.

De vader was ook bij de zitting verschenen, maar is niet gehoord. Hij heeft zich bij aanvang van de zitting (verbaal en fysiek) agressief opgesteld. Hierdoor is hij aangehouden door de politie en was hij niet in staat de zitting verder bij te wonen. De kinderrechter heeft besloten de zitting voort te zetten in afwezigheid van de vader.

Vanwege zijn leeftijd heeft de kinderrechter [minderjarige 2] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige 2] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige 2] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2. De feiten

De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .

Bij beschikking van 14 november 2024 heeft de kinderrechter [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld van de GI tot 14 november 2025.

Bij beschikking van 5 juni 2025 heeft de kinderrechter een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg (netwerk) verleend

tot 14 november 2025.

Op grond van voornoemde machtiging verblijven [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een netwerkpleeggezin. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verbleven aanvankelijk bij de tante moederszijde en haar partner (hierna: de tante en oom), maar zijn recentelijk bij de grootouders moederszijde geplaatst.

3. De verzoeken

De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van een jaar.

Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een pleeggezin te verlengen met ingang van 20 november 2025 voor de duur van zes maanden.

Ter zitting heeft de GI aangevoerd dat zij per abuis de ingangsdatum van 20 november 2025 heeft verzocht. De GI heeft haar verzoek gewijzigd in die zin dat zij als ingangsdatum 14 november 2025 verzoekt.

De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4. Het standpunt van de GI

De GI heeft, samengevat, aangevoerd dat er gedurende de ondertoezichtstelling veel onrust is geweest. Er hebben incidenten plaatsgevonden zoals de ziekenhuisopname van de moeder vanwege alcoholintoxicatie en het verbreken van het contactverbod door de vader. Bovendien zijn [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en de moeder in een geheime opvang geplaatst vanwege bedreigingen vanuit de vader. Beide ouders waren bij de start van de ondertoezichtstelling onvoldoende in staat om het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voorop te stellen. Om deze reden zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de tante en oom geplaatst. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben daar een positieve ontwikkeling doorgemaakt. De plaatsing bij de tante en oom was echter niet langer mogelijk, waardoor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] recentelijk bij de grootouders zijn geplaatst. Er zal binnenkort een netwerkonderzoek plaatsvinden om te kijken of deze plek geschikt voor hen is. De afgelopen periode is er ook diverse hulpverlening ingeschakeld. Zo is er MIM video-interactie ingezet voor beide ouders en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Daarnaast is [minderjarige 2] in september 2025 gestart met PMT en [minderjarige 1] met speltherapie. Deze trajecten verlopen tot nu toe positief.

Sinds de uithuisplaatsing hebben beide ouders te horen gekregen wat van hen verwacht wordt. Voor de vader om tot contactherstel te komen en voor de moeder om een terugplaatsing te realiseren. De moeder heeft de gewenste stappen gezet. Zij heeft een aanmelding gedaan voor persoonlijke hulpverlening en is opgenomen geweest in een verslavingskliniek. Daarnaast werkt de moeder mee aan de hulpverlening rondom [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De contactmomenten tussen [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en de moeder zijn uitgebreid en vinden voortaan onbegeleid plaats. Ook dit verloopt naar behoren. Aan de zijde van de vader ligt het anders. Bij indiening van het verzoek leek de vader vooruitgang te laten zien, maar hij heeft deze vooruitgang niet voortgezet. Hij is niet gestart met zijn behandelingen bij de ggz en is tot op heden niet verschenen op afspraken bij de hulpverlening. Ook heeft hij het contact met de GI verbroken. De GI heeft de vader altijd in de gelegenheid gesteld om aan te sluiten bij afspraken rondom [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , maar hij heeft daarvan geen gebruik gemaakt.

Gelet op het voorgaande is de GI van mening dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] nog altijd ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd. Door alle onrust is er onvoldoende ruimte geweest om te werken aan de doelen van de ondertoezichtstelling. Het is van belang dat de GI betrokken blijft om het perspectief van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] vorm te geven en zicht te houden op de noodzakelijke hulpverlening. De GI ziet geen ruimte in het vrijwillig kader omdat de vader niet meewerkt met de hulpverlening en ambivalent is in het contact met de GI. De GI verzoekt daarom een verlenging van de ondertoezichtstelling voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing voor de duur van zes maanden. Zes maanden is volgens de GI een realistische termijn is om terugplaatsing bij de moeder te realiseren. De moeder heeft een positieve ontwikkeling laten zien, maar de komende periode is nog nodig om de contactmomenten te evalueren en zorgvuldig uit te breiden. Er zal ook een ambulant begeleider ingezet worden die mee gaat kijken in de thuissituatie van de moeder.

Tot slot voert de GI ten aanzien van de doelen van de ondertoezichtstelling aan dat de eerste zes maanden voornamelijk gericht zullen zijn op de terugplaatsing bij de moeder. De zes maanden daarna zijn nodig om de situatie bij de moeder te monitoren. Ook blijven het contactherstel met de vader en het invullen van het ouderschap belangrijke doelen.

5. De standpunten van belanghebbenden

Door en namens de moeder is, samengevat, het navolgende aangevoerd. De moeder verzet zich niet tegen de de verzoeken van de GI, maar stelt wel de voorwaarde dat er concrete stappen gezet moeten worden naar een terugplaatsing bij de moeder. De moeder heeft hard aan zichzelf gewerkt. Zo is zij recentelijk opgenomen in een kliniek waar zij handvaten en inzichten heeft opgedaan om met haar problematiek om te gaan. De moeder probeert haar leven vorm te geven en stabiel te blijven in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Ook werkt de moeder aan alle hulpverlening mee en verlopen de uitgebreide contactmomenten naar behoren. De moeder hoopt dat de GI actief naar een terugplaatsing gaat handelen, maar begrijpt wel dat daarbij een zorgvuldige opbouw nodig is. Ondanks de positieve ontwikkeling vraagt de situatie veel van de moeder. Zij moet continu over haar schouder kijken vanwege het onvoorspelbare gedrag van de vader. Ondanks een tweede contact- en locatieverbod, wat aan de vader is opgelegd, blijven er incidenten plaatsvinden. De vader leek de goede richting op te gaan, maar vandaag is duidelijk geworden dat hij weer terug bij af is. De behandeling van de vader komt niet van de grond en hij komt zijn afspraken niet na. Voor zover nog gewerkt wordt aan contactherstel tussen de vader en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , voert de moeder aan dat haar veiligheid, en die van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , daarin voorop dient te staan.

Namens de vader is, samengevat, aangevoerd dat de vader geen verweer voert tegen de verzoeken van de GI. Aan de wettelijke vereisten wordt nog altijd voldaan. De situatie is zeer zorgelijk. De vader erkent dat hij afspraken heeft afgezegd vanwege privéomstandigheden en ook dat zijn persoonlijke behandeling nog niet van de grond is gekomen omdat hij op de wachtlijst staat. Wel krijgt de vader hulp vanuit de gemeente en staat hij op een urgentielijst voor een woning. De vader probeert in contact te blijven met de GI, maar het afgelopen jaar is hij nauwelijks geïnformeerd over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Zo wist de vader niet dat het contact met de moeder is uitgebreid en voortaan onbegeleid plaatsvindt. Ook weet hij niets over de hulpverlening die is ingezet voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Het gebrek aan informatie frustreert de vader omdat hij deze informatie nodig heeft om tot contactherstel te komen. De vader wil minstens een keer per maand geïnformeerd worden. Daarnaast vindt de vader het belangrijk dat er een screening plaatsvindt bij de grootouders en dat er een concreet plan komt indien wordt toegewerkt naar een terugplaatsing bij de moeder. Er moet zorgvuldig gehandeld worden omdat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] al veel hebben meegemaakt. Los van het aandeel van de vader, zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de moeder geconfronteerd met haar alcoholproblematiek en belast met volwassenenzaken.

6. De beoordeling

Wettelijk kader

Op grond van artikel 1:260 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.

Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 BW kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:

a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en

b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.

Ingevolge artikel 1:265b lid 1 BW kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.

Op grond van artikel 1:265c lid 2 BW kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste een jaar.

Inhoudelijke beoordeling

De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van

de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing is voldaan. Er is nog steeds

sprake van een ernstige bedreiging in de ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting blijkt dat het afgelopen jaar zeer onrustig is verlopen. Er hebben diverse incidenten plaatsgevonden waarbij de persoonlijke problematiek van de ouders op de voorgrond stond en zij het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] uit het oog waren verloren. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn daardoor structureel belast met onduidelijkheid, onveiligheid en instabiliteit. Ook hebben [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hierdoor meermaals moet wisselen van verblijfplaats. Zo hebben zij vanwege dreigingen vanuit de vader in een geheime opvang verbleven en zijn zij daarna uit huis geplaatst bij de tante en oom en vervolgens bij de grootouders. Het herhaaldelijk moeten wisselen van verblijfplaats vindt de kinderrechter zorgelijk en allerminst in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Daarnaast is er nog altijd sprake van forse strijd tussen de ouders en hebben [minderjarige 1] en [minderjarige 2] nog steeds geen contact gehad met hun vader.

Ondanks voornoemde zorgen ziet de kinderrechter dat de moeder een positieve ontwikkeling heeft ingezet. De kinderrechter begrijpt dat de situatie veel van de moeder vergt, maar prijst haar voor de stappen die zij tot nu toe heeft gezet. Zij heeft ervoor gekozen om het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voorop te zetten en is hard aan het werk om haar problemen op te lossen. De kinderrechter complimenteert de moeder ook voor het feit dat zij inziet dat de contactmomenten met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zorgvuldig opgebouwd moeten worden voordat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] weer volledig bij haar kunnen wonen.

Zoals hiervoor overwogen handelt de moeder in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en werkt zij aan alle hulpverlening mee. Desondanks kunnen de zorgen om [minderjarige 1] en [minderjarige 2] nog niet worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening. Gebleken is namelijk dat de vader zich ambivalent opstelt tegenover de hulpverlening en de GI. De vader is niet gestart met zijn behandelingen bij de ggz en haakt niet aan bij de afspraken vanuit de hulpverlening. Bovendien brengt de vader met zijn houding, zoals ter zitting ook is gebleken, de veiligheid van de moeder, en daarmee ook van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , in het geding.

Gelet op het voorgaande is de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] nog steeds noodzakelijk. De kinderrechter is dan ook van oordeel dat de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing verlengd dienen te worden voor de verzochte duur. De kinderrechter neemt in zijn overweging mee dat de ouders geen verweer voeren tegen een verlenging van de maatregelen.

De ondertoezichtstelling wordt verlengd voor de duur van een jaar. Ten aanzien van de doelen van de ondertoezichtstelling overweegt de kinderrechter het navolgende. De doelen, zoals opgenomen in de beschikking van 14 november 2024, zijn nog steeds aan de orde. De eerste zes maanden zal de prioriteit liggen bij de terugplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de moeder. Ook het contactherstel met de vader blijft een primair doel. De GI heeft ter zitting aangegeven dat zij de vader periodiek zal informeren over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De kinderrechter hoopt dat dit de vader motiveert om zijn individuele behandeling aan te gaan en zijn medewerking te verlenen aan de hulpverlening. De vader dient hiertoe over te gaan alvorens er ruimte kan ontstaan om aan het contactherstel te werken. Indien [minderjarige 1] en [minderjarige 2] na zes maanden weer bij de moeder geplaatst worden, dient de GI ook te onderzoeken hoe het gezamenlijk ouderschap ingevuld moet worden. Kortom, het is belangrijk dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] duidelijkheid krijgen over het contact met de vader en de rol van de vader als gezaghebbende ouder. De kinderrechter heeft er vertrouwen in dat de GI hierin de stappen zal zetten die zij in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] noodzakelijk acht.

De machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wordt verlengd voor de duur van zes maanden. Zoals de GI ter zitting heeft aangegeven, zal er een plan opgesteld moeten worden om stapsgewijs en zorgvuldig te werken naar terugplaatsing bij de moeder. De kinderrechter vindt dit ook in het belang van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] én de moeder zodat er geen terugval plaatsvindt en de moeder haar draagkracht niet overschrijdt. Als de uitbreiding van de contactmomenten op een zorgvuldige manier plaatsvindt, heeft de kinderrechter er vertrouwen in dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] binnen zes maanden weer bij de moeder kunnen verblijven.

Uitvoerbaar bij voorraad

De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

7. De beslissing

De kinderrechter:

verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met ingang van 14 november 2025 tot 14 november 2026;

verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 14 november 2025 tot 14 mei 2026;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 12 november 2025 door mr. Sumner, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Van der Linde als griffier, en op schrift gesteld op 26 november 2025.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. Van der Linde als

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?