RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/441308 / JE RK 25-1931
Datum uitspraak: 21 november 2025
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING, ZEELAND-WEST-BRABANT,
locatie Breda,
hierna te noemen: de Raad,
over de minderjarige:
[minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2025 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
[de vader] ,
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. P.S.R.N. Maas uit Dongen.
De kinderrechter merkt als informant aan:
STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,
locatie Etten-Leur,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (GI).
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen van de Raad van 28 oktober 2025, ingekomen bij de griffie op diezelfde datum.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 21 november 2025. Daarbij waren aanwezig en zijn gehoord:
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
- de moeder;
- een vertegenwoordigster van de Raad;
- een vertegenwoordigster van de GI.
De begeleidster van de moeder vanuit het moeder-kind huis en de begeleider van de vader vanuit [hulpverlening] waren ook als toehoorders bij de zitting aanwezig. De kinderrechter heeft hen, met instemming van alle aanwezigen, bijzondere toestemming verleend.
2. De feiten
De vader heeft [minderjarige] erkend.
De ouders zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
[minderjarige] woont samen met zijn ouders, maar verblijft op dit moment met de moeder in een moeder-kind huis.
[minderjarige] en de moeder hebben de Nederlandse nationaliteit. De vader heeft de Surinaamse nationaliteit.
3. De verzoeken
De Raad verzoekt [minderjarige] onder toezicht te stellen van de GI voor de duur van twaalf maanden.
Ook verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de gezaghebbende moeder te verlenen voor de duur van zes maanden.
De Raad verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4. Het standpunt van de Raad
Ter onderbouwing van zijn verzoeken voert de Raad, samengevat, het navolgende aan. Er is sprake van een ernstig bedreigde ontwikkeling van [minderjarige] vanwege zorgen over zijn fysieke en emotionele veiligheid. De zorgen zijn gelegen in de problematische situatie van de ouders. Er is sprake van fors alcoholgebruik door de vader en spanningen in de relatie tussen de ouders. De zorgen ten aanzien van de emotionele veiligheid zien daarnaast op de vraag of en hoe de ouders kunnen omgaan met stress en kunnen aansluiten op wat [minderjarige] nodig heeft. Het risico bestaat dat [minderjarige] niet de basale opvoeding en aandacht krijgt die noodzakelijk is terwijl hij juist nog zeer kwetsbaar en afhankelijk van zijn ouders is.
De Raad maakt zich ook zorgen over de draagkracht van de moeder. De moeder heeft een belast verleden en kan heftig reageren op triggers. Het lukte de moeder gedurende het raadsonderzoek niet om zich te houden aan veiligheidsafspraken, hetgeen zorgde voor onveilige situaties. De grootste zorg ten aanzien van de vader is zijn alcoholgebruik. Alcoholgebruik en het opvoeden van een kwetsbare baby gaan niet samen. Bovendien is gebleken dat de ouders een patroon laten zien waarbij ze ruzies hebben die zo escaleren dat er politie nodig is om de veiligheid te waarborgen. Na dergelijke escalaties is hulp tijdelijk welkom maar wordt daarna weer afgewezen door de ouders.
Ondanks voornoemde zorgen lijken de ouders een prille positieve ontwikkeling ingezet te hebben. De moeder verblijft sinds drie weken in het moeder-kindhuis en werkt mee aan de hulpverlening. De vader is gestart met zijn behandelingen bij Novadic-Kentron en komt afspraken met de hulpverlening na. Ondanks deze positieve ontwikkeling zijn de ouders onvoldoende in staat om onder eigen verantwoordelijkheid de zorgen over [minderjarige] weg te nemen en hulpverlening te accepteren. Vanuit de vrijwillige hulpverlening zijn [hulpverlening] , Veilig Thuis en Kansrijke Start betrokken. De ouders hebben deze hulpverlening maanden afgehouden en waren onbereikbaar totdat de Raad in beeld kwam. Ook stelden de ouders veel voorwaarden aan de hulpverlening. De hulpverlening is pas recent gestart en de positieve ontwikkeling bij de ouders is nog pril. Het is niet duidelijk of de ouders de positieve ontwikkeling kunnen vasthouden en intrinsiek gemotiveerd zijn om aan hun problematiek te werken. Ten aanzien van de vader constateert de Raad dat hulp vanuit Novadic-Kentron te lang is uitgesteld en dat zijn veranderwens over zijn alcoholgebruik niet groot lijkt. Concluderend zijn de ouders ambivalent geweest in hun medewerking en is de hulpverlening in het vrijwillig kader onvoldoende toereikend gebleken.
Gelet op het voorgaande verzoekt de Raad een ondertoezichtstelling voor de duur van één jaar. De Raad vindt dit een passende termijn omdat deze termijn noodzakelijk is om de hulpverlening op te starten en te gaan werken aan de doelen. Ook verzoekt de Raad een uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de gezaghebbende moeder voor de duur van zes maanden. Dit is nodig om de plaatsing van de moeder en [minderjarige] in het moeder-kind huis te formaliseren. Het verblijf van de moeder en [minderjarige] in het moeder-kind huis is nodig om zicht te krijgen op de mogelijkheden en opvoedvaardigheden van beide ouders. De moeder en [minderjarige] thuis laten verblijven en de vader elders, vindt de Raad geen goede oplossing. Gebleken is dat de vader bij een terugval terugkeert naar huis en het de moeder dan niet lukt om de vader de deur te wijzen. Het is van belang dat beide ouders, maar vooral de vader, aan hun persoonlijke problematiek gaan werken. Als de ouders voldoende stappen hebben gezet, kan door de GI worden bezien of de thuissituatie voldoende veilig is voor de moeder en [minderjarige] om stapsgewijs terug te keren.
5. De standpunten van de belanghebbenden en informant
De moeder voert, samengevat, aan dat zij zich niet verzet tegen de verzoeken van de Raad. Het gaat op dit moment goed met haar en [minderjarige] . In het moeder-kindhuis voelt de moeder zich veilig en krijgt zij de ondersteuning die zij nodig heeft. De moeder wil het liefste terugkeren naar huis, maar begrijpt dat dit pas mogelijk is als de situatie veilig is en beide ouders aan zichzelf hebben gewerkt. Beide ouders dienen aan hun doelen te werken om escalaties te voorkomen en de veiligheid van [minderjarige] te waarborgen. Gedurende de ondertoezichtstelling kan de GI monitoren wanneer de situatie voldoende verbeterd is om terug te keren. De moeder is bereid overal aan mee te werken. Zij wil aantonen dat zij een goede moeder is en de veiligheid van [minderjarige] vooropstelt. Tot slot merkt de moeder op dat zij en de vader behoefte hebben aan duidelijkheid. De moeder hoopt dat de GI een concreet plan met duidelijke doelen gaat opstellen zodat de ouders weten hoe zij de terugkeer kunnen realiseren.
Door en namens de vader is, samengevat, aangevoerd dat de vader erkent dat er incidenten hebben plaatsgevonden en dat de hulpverlening in het vrijwillig kader ontoereikend is geweest. Ook ziet de vader in dat hij hulp nodig heeft op diverse leefgebieden. Hij is gestart met behandeling bij Novadic-Kentron en is bezig met het krijgen van ondersteuning voor zijn financiële situatie. De vader wil aan alle hulpverlening meewerken en wil een laatste kans om te bewijzen dat hij een goede vader voor [minderjarige] kan zijn. De vader is van mening dat de moeder en [minderjarige] terug kunnen keren als er intensieve ambulante hulpverlening wordt ingezet in de thuissituatie. Op die manier is er voldoende zicht op de opvoedomgeving en de veiligheid van [minderjarige] . Gelet op het voorgaande verzet de vader zich niet tegen een ondertoezichtstelling, maar verzoekt hij deze wel in duur te beperken. Een periode van zes maanden is passend om ervoor te zorgen dat er concrete stappen worden genomen. Wat de uithuisplaatsing betreft, voert de vader aan dat hij wil dat de moeder en [minderjarige] zo snel mogelijk weer thuis komen wonen. Desondanks is de vader niet tegen het verblijf van de moeder en [minderjarige] in het moeder-kind huis waardoor ook een vrijwillige plaatsing mogelijk is. Als de uithuisplaatsing toch wordt toegewezen, verzoekt de vader deze toe te wijzen voor de duur van drie maanden. Een uithuisplaatsing is het ultimum remedium en het uitgangspunt is dat een kind zo snel mogelijk weer bij beide ouders kan opgroeien. Tot slot voert de vader aan dat intensieve omgang nodig is in verband met de hechtingsrelatie tussen hem en [minderjarige] . Dit is tot op heden niet het geval. De vader wil dat de omgang uitgebreid wordt en dat hij verjaar- en feestdagen samen met de moeder en [minderjarige] kan vieren. Als er een ondertoezichtstelling komt, is het voor de vader van belang dat er duidelijke doelen worden gesteld en er perspectief wordt geboden over de omgang én de termijn waarop [minderjarige] en de moeder weer terugkeren naar huis.
De GI heeft, samengevat, aangevoerd dat zij de verzoeken van de Raad ondersteunt evenals de doelen die de Raad heeft gesteld. De zorgen zijn dusdanig dat de GI deze zaak heeft geprioriteerd. Dat betekent dat deze zaak niet op de wachtlijst gaat, maar direct wordt doorgestuurd naar locatie Etten-Leur. Dit is ook in het belang van [minderjarige] omdat hij nog zeer jong en kwetsbaar is. Er is recent hulpverlening ingezet en het is afhankelijk van de inzet van de ouders, voornamelijk de vader, hoe de situatie verder zal verlopen. De GI kan dan ook nog geen uitspraken doen over de termijn van terugplaatsing. Op het moment dat de ouders resultaten hebben behaald en de situatie veilig en stabiel is, ziet de GI een terugplaatsing met de inzet van intensieve ambulante gezinsbegeleiding als een reële vervolgstap.
6. De beoordeling
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Aangezien de vader de Surinaamse nationaliteit heeft, draagt deze zaak een internationaal karakter, zodat eerst de vraag beantwoord dient te worden of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft en, zo ja, welk recht daarop van toepassing is.
Op grond van artikel 7 lid 1 van de verordening Brussel II-ter zijn ter zake van de ouderlijke verantwoordelijkheid bevoegd de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan de minderjarige zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt. Nu de gewone verblijfplaats van [minderjarige] in Nederland is, komt de Nederlandse kinderrechter rechtsmacht toe.
Nu de Nederlandse kinderrechter bevoegd is om op het verzoek te beslissen, zal op grond van artikel 15 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 het Nederlands recht op het verzoek worden toegepast.
Wettelijk kader
Op grond van het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.
Ingevolge artikel 1:265b lid 1 en 2 BW kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op verzoek van de Raad machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
Inhoudelijke beoordeling
Op basis van de ingediende stukken en hetgeen tijdens de zitting is besproken, is de kinderrechter van oordeel dat de verzoeken kunnen worden toegewezen omdat voldaan wordt aan de wettelijke criteria zoals hierboven vermeld. Dit betekent dat [minderjarige] onder toezicht worden gesteld van de GI voor de duur van een jaar en dat een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de gezaghebbende moeder wordt verleend voor de duur van zes maanden. De kinderrechter zal de beslissing hieronder toelichten.
De kinderrechter overweegt dat [minderjarige] ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. [minderjarige] is op zeer jonge leeftijd blootgesteld aan onveiligheid en instabiliteit in zijn opvoedsituatie. De spanningen tussen de ouders hebben meermaals geleid tot heftige incidenten waarbij politie-inzet noodzakelijk is geweest. Daarnaast kampen beide ouders met persoonlijke problematiek en heeft het alcoholgebruik van de vader herhaaldelijk tot onveilige situaties geleid. Gebleken is dat de onderlinge en persoonlijke problematiek van de ouders op de voorgrond staat waardoor het risico groot is dat zij de pasgeboren [minderjarige] niet de basale zorg en aandacht kunnen geven die hij nodig heeft.
De ernstige ontwikkelingsbedreiging kan niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening. Er is in het vrijwillig kader al diverse hulpverlening ingezet, maar dat is niet voldoende gebleken om de zorgen over [minderjarige] weg te nemen. De kinderrechter heeft ter zitting vernomen dat beide ouders op dit moment medewerking verlenen aan de hulpverlening. Hoewel dat een zeer positieve ontwikkeling is, stonden de ouders recentelijk nog afkerend tegenover hulpverlening. Zij hebben de hulpverlening een lange tijd afgehouden en de noodzaak daarvan onvoldoende ingezien. Ook is er een patroon zichtbaar waarbij de ouders een korte periode welwillend tegenover hulpverlening staan, maar daarna de hulpverlening weer afhouden. Vanwege de zeer jonge leeftijd en kwetsbaarheid van [minderjarige] dient de hulpverlening duurzaam ingezet te worden. Gelet op de ambivalente houding van de ouders en de prille positieve ontwikkeling is de kinderrechter van oordeel dat hulpverlening in het gedwongen kader daarvoor nodig is.
Daarom is de kinderrechter van oordeel dat een ondertoezichtstelling voor de duur van één jaar noodzakelijk is. De kinderrechter ziet geen aanleiding om de ondertoezichtstelling in duur te beperken, zoals door de vader is verzocht. De zorgen zijn fors en de GI heeft de tijd nodig om daarvoor de juiste hulpverlening in te zetten. Ook is een duurzame inzet van hulpverlening noodzakelijk om een stabiele en veilige opvoedsituatie voor [minderjarige] te creëren.
De kinderrechter neemt de door de Raad gestelde doelen over. Het is belangrijk dat onder leiding van de GI het komende jaar – in ieder geval – wordt gewerkt aan de volgende doelen:
[minderjarige] groeit op in een veilige leefomgeving, waarbinnen basale zorg en veiligheid, stabiliteit en voorspelbaar ouderlijk handelen gewaarborgd is;
[minderjarige] wordt te allen tijde verzorgd door een nuchtere (niet onder invloed van verdovende middelen) en emotioneel beschikbare opvoeder;
[minderjarige] krijgt de kans om op een positieve en onbelaste manier contact te hebben en een band op te bouwen met beide ouders;
er is duidelijkheid over het perspectief van [minderjarige] , doordat er een inschatting wordt gemaakt of de moeder/de ouders samen voldoende mogelijkheden en
opvoedvaardigheden hebben om zelfstandig voor [minderjarige] te zorgen;
de ouders werken mee aan de noodzakelijke hulpverlening en komen afspraken met de hulpverlening na;
er is zicht op de financiële situatie van de ouders en of hier aanvullende hulp voor
nodig is.
De kinderrechter is tevens van oordeel dat de uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van zijn verzorging en opvoeding. Het is in het belang van [minderjarige] dat hij met zijn moeder in het moeder-kind huis blijft omdat de thuissituatie op dit moment onvoldoende veilig en stabiel is. Nu het verzoek tot ondertoezichtstelling is toegewezen, is een machtiging tot uithuisplaatsing nodig om het verblijf van [minderjarige] in het moeder-kind huis te formaliseren. De kinderrechter zal dan ook een machtiging tot uithuisplaatsing verlenen voor zes maanden, zoals verzocht door de Raad. De kinderrechter ziet geen redenen om de machtiging in duur beperken, nu een termijn van zes maanden noodzakelijk is om tot duurzame verandering te komen.
De kinderrechter begrijpt de wens van de ouders om [minderjarige] weer samen op te voeden. Een terugplaatsing van [minderjarige] , en de moeder, kan echter pas gerealiseerd worden als beide ouders aan hun persoonlijke problematiek gaan werken. Het is aan de GI om regie te voeren over de terugplaatsing en te beoordelen wanneer vervolgstappen mogelijk zijn. Hierbij dient de GI ook regie te voeren over de omgang tussen [minderjarige] en de vader, ook met het oog op de komende feestdagen. De vader gaf ter zitting aan een kans te willen om zichzelf te bewijzen. De komende periode krijgt de vader deze kans, maar wel onder begeleiding van de GI. Tot slot geeft de kinderrechter de GI in overweging mee dat beide ouders behoefte hebben aan duidelijke en concrete doelen zodat zij weten wat er van hen wordt verwacht.
Uitvoerbaar bij voorraad
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.
7. De beslissing
De kinderrechter:
stelt [minderjarige] onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming Brabant, locatie Etten-Leur, met ingang van 21 november 2025 tot 21 november 2026;
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de gezaghebbende moeder met ingang van 21 november 2025 tot 21 mei 2026;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 21 november 2025 door mr. Phillips, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Van der Linde als griffier, en op schrift gesteld op 27 november 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.