RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/441144 / JE RK 25-1901
Datum uitspraak: 21 november 2025
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,
gevestigd te Etten-Leur,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (GI),
over
[minderjarige] ,
geboren op [geboortedag] 2018 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. B.P.A. van Beers uit Roosendaal,
[de vader] ,
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats 2] .
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
het verzoekschrift met bijlagen van de GI van 23 oktober 2025, ingekomen bij de griffie op diezelfde datum;
de door mr. Van Beers op 17 november 2025 ingediende e-mailcorrespondentie van de GI en de moeder.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 21 november 2025. Daarbij waren aanwezig en zijn gehoord:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- een vertegenwoordigster van de GI.
De vader is niet bij de zitting verschenen. Hij heeft de rechtbank op 15 november 2025 per e-mail geïnformeerd dat hij vanwege zijn werk niet bij de zitting aanwezig zal zijn.
2. De feiten
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
[minderjarige] woont bij zijn moeder
De kinderrechter heeft [minderjarige] op 4 december 2020 onder toezicht gesteld van de GI. De ondertoezichtstelling is sindsdien steeds verlengd. Laatstelijk, bij beschikking van 27 november 2024, heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd met ingang van 4 december 2024 tot 4 december 2025.
3. Het verzoek
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar, met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
4. Het standpunt van de GI
De GI voert, samengevat, aan dat [minderjarige] nog steeds ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. [minderjarige] is jarenlang getuige geweest van verbale en fysieke agressie tussen de ouders. De school, de buitenschoolse opvang (BSO) en de moeder signaleren zorgen over [minderjarige] . Zeer recent zijn deze zorgen toegenomen, omdat [minderjarige] uitspraken heeft gedaan over geweld in de thuissituatie van de moeder én de vader. Deze uitspraken van [minderjarige] en de zorgen vanuit school bevestigen dat [minderjarige] zich in een kwetsbare positie bevindt en dat de opvoedsituatie nog onvoldoende stabiel is. Ook de samenwerking tussen de ouders blijft zeer moeizaam.
De moeder is actief betrokken, stelt vragen en denkt mee. Er is sprake van een open en transparante communicatie en de moeder pakt tips en adviezen van de hulpverlening op. De samenwerking met de vader daarentegen verloopt zeer wisselend. De vader heeft moeite om zijn emoties te reguleren en reageert primair met boosheid. Hij heeft blijvende weerstand tegen de GI en lijkt na al die jaren de regiefunctie van de GI nog steeds niet te begrijpen. De GI vraagt zich dan ook ten zeerste af of de vader het geleerde vast kan houden. Hoewel de vader voorzichtig verbetering laat zien, hebben zowel de hulpverlening als de GI blijvende zorgen omdat de vader geen hulp voor zichzelf wil, de gevolgen van zijn gedrag niet inziet, het gedrag van [minderjarige] onderschat en niet inziet dat hij anderen nodig heeft om zijn emoties te kunnen reguleren. Daardoor hebben de hulpverlening en de GI veel zorgen dat de vader naar zijn emoties gaat handelen als de ondertoezichtstelling zou worden afgesloten. Het voorgaande maakt dat blijvende begeleiding en monitoring door de GI en betrokken hulpverlening noodzakelijk is.
Gezien de complexiteit van de huidige situatie, de recente zorgen over de opvoedsituatie, de nog onduidelijke maximaal haalbare omgang tussen de vader en [minderjarige] en de kwetsbaarheid van [minderjarige] verzoekt de GI om de ondertoezichtstelling met één jaar te verlengen. De GI en de hulpverlening zijn nodig om ervoor te zorgen dat de omgang tussen [minderjarige] en de vader aansluit bij de behoefte van [minderjarige] . De komende tijd zal bepaald moeten worden wat de maximale omgang is en zal een vaste regeling in het ouderschapsplan opgenomen moeten worden. Ook zal de komende periode onderzocht worden waarom [minderjarige] de zorgelijke uitspraken doet en wat hij in het kader van hulpverlening nodig heeft. Ten aanzien van de samenwerking tussen de ouders zal in het ouderschapsplan ingezet worden op parallel-solo-ouderschap. De GI zal de komende periode ook onderzoeken wat mogelijk is ten aanzien van een overdracht naar het vrijwillig kader.
5. De standpunten van belanghebbenden
Door en namens de moeder is, samengevat, aangevoerd dat zij zich niet tegen een verlenging van de ondertoezichtstelling verzet. De moeder vindt de situatie nog steeds zorgelijk. [minderjarige] heeft op school en in de thuissituatie zorgelijk gedrag laten zien. De moeder wenst de komende periode te onderzoeken wat [minderjarige] nodig heeft om beter met zijn gevoelens om te gaan. Daarvoor vindt zij betrokkenheid van de GI nog noodzakelijk. Desondanks wenst de moeder op te merken dat de problematiek al sinds 2019 aan de orde is. Hoewel er al veel hulpverlening is ingezet, zijn de zorgen nog steeds niet afgenomen. De moeder heeft het gevoel dat de GI op eieren loopt bij de vader en daardoor niet durft te zeggen waar het op staat. Na al die jaren is de geagiteerde houding van de vader niet veranderd. Nu er de afgelopen zes jaar zo weinig verbetering zichtbaar is, denkt de moeder dat het hoogst haalbare in de omgang op dit moment is behaald. Het is in het belang van [minderjarige] en beide ouders als de GI daarover duidelijkheid verstrekt. Door valse verwachtingen te creëren over uitbreiding van de omgang is er telkens weer sprake van spanningen. Pas als de GI duidelijkheid geeft over het toekomstperspectief, kan gewerkt worden aan acceptatie en een overdracht naar het vrijwillig kader. De moeder voert daarbij aan dat het ouderschapsplan met behulp van SDW geactualiseerd wordt. Zij wenst in het ouderschapsplan de huidige omgangsregeling op te nemen. Tot slot hoopt de moeder dat de GI komend jaar onderzoekt hoe een overdracht naar het vrijwillig kader kan plaatsvinden en hoe gezagsbeslissingen in de toekomst genomen kunnen worden.
De vader heeft per e-mailbericht van 15 november 2025 aangevoerd dat hij akkoord gaat met een verlenging van de ondertoezichtstelling.
6. De beoordeling
Wettelijk kader
Op grond van artikel 1:260 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de rechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 BW kan de rechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.
Inhoudelijke beoordeling
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. Er is nog steeds sprake van een ernstige bedreiging in de ontwikkeling van [minderjarige] . Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting blijkt dat [minderjarige] in zijn jonge leven al ontzettend veel heeft meegemaakt. Hij is jarenlang belast met onveiligheid en instabiliteit in zijn opvoedsituatie. Gebleken is dat [minderjarige] daarvan de nodige gevolgen ervaart. Zo vertoont hij op school en in de thuissituatie bij de moeder zorgelijk gedrag. Daarnaast wordt [minderjarige] nog altijd geconfronteerd met de slechte verstandhouding tussen zijn ouders en vertoont hij signalen die passend zijn bij het verkeren in een loyaliteitsconflict. Dat [minderjarige] zich mogelijk in een loyaliteitsconflict bevindt, wordt temeer bevestigd door de zorgelijke uitspraken die [minderjarige] recent heeft gedaan.
De ernstige ontwikkelingsbedreiging kan nog steeds niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening omdat de ouders nog altijd niet in staat zijn om op een constructieve manier met elkaar te communiceren. De kinderrechter prijst de moeder dat zij haar volledige medewerking aan de GI en de hulpverlening verleent. De vader daarentegen stelt zich na al die jaren nog steeds ambivalent op tegenover de hulpverlening en de GI. De vader is nog steeds onvoorspelbaar, geagiteerd en agressief in de samenwerking en staat niet open voor persoonlijke hulpverlening. Hoewel de GI aangeeft dat de houding van de vader enigszins verbeterd is, is het de vader na vijf jaar nog steeds gelukt om op een constructieve manier samen te werken met de GI. De kinderrechter vindt dit zorgelijk en allerminst in het belang van [minderjarige] .
Vanwege het voorgaande is de kinderrechter van oordeel dat hulpverlening in het gedwongen kader nog steeds noodzakelijk is. De kinderrechter zal daarom het verzoek van de GI toewijzen en bepalen dat de ondertoezichtstelling wordt verlengd voor de duur van een jaar. De kinderrechter neemt in haar overweging mee dat beide ouders geen verweer hebben gevoerd tegen een verlenging van de ondertoezichtstelling.
Ten aanzien van de doelen van de ondertoezichtstelling overweegt de kinderrechter het volgende. De komende periode dient onderzocht te worden of een overdracht naar het vrijwillig kader mogelijk is en, zo ja, wat de ouders en [minderjarige] daarvoor nodig hebben. Ook dient de GI te onderzoeken waar de zorgelijke signalen van [minderjarige] vandaan komen en of hij daarvoor hulpverlening nodig heeft. Daarnaast is de kinderrechter van oordeel dat duidelijkheid over de omgang tussen [minderjarige] en de vader (en het wel of niet uitbreiden daarvan) noodzakelijk is evenals het opstellen en ondertekenen van een toekomstbestendig ouderschapsplan.
De kinderrechter overweegt tot slot dat zij betwijfelt of een ondertoezichtstelling nog de geëigende maatregel is. De ondertoezichtstelling loopt al vijf jaar en het oneindig verlengen van de ondertoezichtstelling is niet in lijn met de bedoeling van de wetgever. De kinderrechter geeft de GI in overweging mee om onderzoek te doen naar alternatieven voor de ondertoezichtstelling, eventueel in overleg met de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad). Als de GI besluit de ondertoezichtstelling af te ronden, dient zij dit besluit in ieder geval ter toetsing voor te leggen aan de Raad.
Uitvoerbaar bij voorraad
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.
7. De beslissing
De kinderrechter:
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van 4 december 2025 tot 4 december 2026;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 21 november 2025 door mr. Phillips, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Van der Linde als griffier, en op schrift gesteld op 27 november 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.