ECLI:NL:RBZWB:2025:9408

ECLI:NL:RBZWB:2025:9408, Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 27-11-2025, C/02/440404 / JE RK 25-1762

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 27-11-2025
Datum publicatie 16-01-2026
Zaaknummer C/02/440404 / JE RK 25-1762
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Rekestprocedure
Zittingsplaats Breda

Samenvatting

Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht

Locatie Breda

Zaaknummer: C/02/440404 / JE RK 25-1762

Datum uitspraak: 27 november 2025

Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing

in de zaak van

RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING, ZEELAND-WEST-BRABANT,

locatie Breda,

hierna te noemen de Raad,

over

[minderjarige] ,

geboren op [geboortedag] 2008 in [geboorteplaats] ,

hierna te noemen [minderjarige] .

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de moeder] ,

hierna te noemen de moeder,

wonende in [woonplaats] ,

advocaat: mr. R.G.J. van Kerkhof uit Gilze,

de gecertificeerde instelling STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,

locatie Tilburg,

hierna te noemen de GI.

1. Het verloop van de procedure

De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

het verzoekschrift met bijlagen van de Raad van 2 oktober 2025, ontvangen op 2 oktober 2025;

het bericht van de GI van 15 oktober 2025 met bijlage;

het bericht van de GI van 4 november 2025 met bijlage.

De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 27 november 2025. Daarbij waren aanwezig:

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

- een vertegenwoordigster van de Raad;

- een vertegenwoordiger van de GI.

De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2. De feiten

De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] . De vader van [minderjarige] is niet bekend.

Bij mondelinge spoedbeslissing van de kinderrechter van 26 september 2025 is [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld van de GI en is een machtiging tot uithuisplaatsing van haar in een voorziening voor pleegzorg (netwerkpleeggezin) verleend met ingang van 26 september 2025 tot 10 oktober 2025. Deze mondelinge beslissing is schriftelijk uitgewerkt op 29 september 2025 waarbij, onder aanhouding van de behandeling van het resterende deel van het verzoek van de Raad, is bepaald dat de Raad, [minderjarige] , de moeder en de GI op de zitting van 7 oktober 2025 in de gelegenheid worden gesteld hun mening te geven over het verzoek.

Bij spoedbeslissing van de kinderrechter van 30 september 2025 is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verleend met ingang van 30 september 2025 tot 14 oktober 2025. Onder aanhouding van de behandeling van het resterende deel van het verzoek van de GI is bepaald dat de GI, de moeder en de Raad op de zitting van 7 oktober 2025 in de gelegenheid worden gesteld hun mening te geven over het verzoek en dat [minderjarige] door de griffier bij separate brief (via de jeugdbeschermer) wordt opgeroepen om, als zij dat wil, haar mening kenbaar te maken tijdens een kindgesprek op een dag voorafgaande aan de zitting.

Bij beschikking van de kinderrechter van 7 oktober 2025 is bepaald dat [minderjarige] voorlopig onder toezicht van de GI wordt gesteld met ingang van 10 oktober 2025 tot 26 december 2025. Het resterende deel van het verzoek van de Raad met betrekking tot de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg (netwerkpleeggezin) is afgewezen. Voorts is bepaald dat de machtiging tot spoeduithuis-plaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg (bestandspleeggezin) met ingang van 10 oktober 2025 tot 14 oktober 2025 wordt herroepen. Daarbij is, uitvoerbaar bij voorraad, een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg (bestandspleeggezin) verleend met ingang van 10 oktober 2025 tot 26 december 2025.

[minderjarige] verblijft op grond van de onder 2.4 genoemde machtiging op dit moment in een pleeggezin.

3. Het verzoek

De Raad heeft bij verzoekschrift van 2 oktober 2025 verzocht [minderjarige] onder toezicht te stellen voor de duur van twaalf maanden en een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] te verlenen in een voorziening voor pleegzorg (netwerkpleeggezin) tot aan haar meerderjarigheid (2 oktober 2026), met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

Tijdens de zitting heeft de Raad haar verzoek gewijzigd en verzocht om [minderjarige] , uitvoerbaar bij voorraad, onder toezicht te stellen en een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg (bestandsgezin) te verlenen tot aan haar meerderjarigheid.

De moeder heeft ter zitting met de mondelinge wijziging van het verzoek van de Raad ingestemd. Ter beoordeling ligt aldus voor het verzoek van de Raad tot ondertoezichtstelling van [minderjarige] en het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg (bestandspleeggezin) met ingang van26 december 2025 tot 2 oktober 2026.

4. De standpunten

De Raad stelt dat aan de voorwaarden van een ondertoezichtstelling wordt voldaan. [minderjarige] wordt ernstig in haar ontwikkeling bedreigd. Er zijn zorgen over de sociaal-emotionele ontwikkeling van [minderjarige] vanwege instabiliteit en onveiligheid in de opvoedingssituatie en de verstoorde relatie tussen [minderjarige] en de moeder. Er is sprake van verbaal en fysiek geweld tussen [minderjarige] en de moeder en het ontbreekt in het gezin van de moeder aan structuur, begeleiding en begrenzing in de opvoeding. Daarnaast zijn er zorgen over [minderjarige] , zoals het weglopen van huis, de beïnvloedbaarheid en veiligheid in de (seksuele) relatie met haar vriendje, de beïnvloedbaarheid in relatie met anderen en - tot voor kort - het ontbreken van een zinvolle dagbesteding. De moeder is op dit moment onvoldoende in staat om de ontwikkelingsbedreiging weg te nemen en hulpverlening te accepteren. De moeder heeft sinds 2013 gebruik gemaakt van verschillende soorten opvoedingsondersteuning en individuele hulpverlening. De hulpverlening is echter onvoldoende effectief gebleken, onder andere doordat de moeder wisselend is geweest in haar hulpvraag en haar medewerking aan de hulpverlening en vanwege veranderingen in de opvoedingssituatie. De verwachting is dat de moeder de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [minderjarige] binnen een voor [minderjarige] aanvaardbare termijn weer zelf kan dragen. Vanwege de complexe opvoedingssituatie en omdat de problemen al zo lang voortduren en hulpverlening tot nu toe onvoldoende effect heeft gehad is een ondertoezichtstelling tot aan de meerderjarigheid van [minderjarige] nodig.

Aan de voorwaarden van een uithuisplaatsing wordt ook voldaan. Een uithuisplaatsing van [minderjarige] is in het belang van haar verzorging en opvoeding noodzakelijk. [minderjarige] heeft meer nodig in de opvoeding dan de moeder haar op dit moment kan bieden. Binnen het huidige bestandspleeggezin, waar [minderjarige] sinds 30 september 2025 verblijft, zal [minderjarige] zich gaan richten op het vergroten van haar zelfstandigheid en het herstellen van haar relatie met de moeder. Aangezien het de bedoeling is dat [minderjarige] vanuit het pleeggezin een doorstart gaat maken naar een passend begeleid zelfstandig wonen traject, is een uithuisplaatsing van [minderjarige] tot aan haar meerderjarigheid aangewezen.

Door en namens de moeder is naar voren gebracht dat de moeder, hoewel zij geen klik voelt met de huidige jeugdzorgwerker en graag van jeugdzorgwerker zou willen wisselen, kan instemmen met het verzoek van de Raad tot ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] . De moeder wil graag dat er hulpverlening wordt ingezet vanuit het gedwongen kader om tot een verbetering van de situatie te komen. Van hele grote en ernstige conflicten tussen de moeder en [minderjarige] is nooit sprake geweest. Wel deden zich in de afgelopen periode in toenemende mate botsingen voor. Zowel voor [minderjarige] als de moeder is het belangrijk dat hierin verandering komt. Met de plaatsing van [minderjarige] in het huidige pleeggezin is er meer rust gekomen. De moeder staat achter deze plaatsing. Met de eerste plaatsing van [minderjarige] in het gezin van haar vriendje, te weten familie [achternaam] , heeft de moeder echter nog steeds veel moeite. Deze familie had een heel vervelende, dwingende en isolerende invloed op [minderjarige] . Belangrijk is dat door de GI goed zicht wordt gehouden op het contact van [minderjarige] met de familie [achternaam] , temeer omdat het de moeder niet weet of er contact is tussen familie [achternaam] en het huidige pleeggezin. Vanwege haar zorgen om [minderjarige] , vraagt de moeder regelmatig om informatie. De moeder mist [minderjarige] heel erg. Zij vindt het lastig dat het contact tussen haar en [minderjarige] zich tot op heden beperkt tot telefonisch contact, ook omdat de moeder er moeite mee heeft om in dit contact de juiste toon naar [minderjarige] te vinden. De moeder zou graag willen dat er op korte termijn een fysieke ontmoeting tussen haar en [minderjarige] wordt georganiseerd waarin zij met elkaar kunnen spreken over de wensen en behoeften die zij hebben in het contact met elkaar en wat hierin voor beiden mogelijk is. De moeder is er trots op dat [minderjarige] inmiddels een baan heeft waar ze geld mee verdient. [minderjarige] kan bij haar geld omdat zij een eigen bankpas heeft. Het is belangrijk dat [minderjarige] komende periode eerst gaat leren hoe zij op een verantwoorde wijze met haar geld om kan gaan, voordat zij de beschikking krijgt over internetbankieren.

De GI heeft aangegeven achter het verzoek van de Raad te staan. De GI deelt de zorgen van de Raad en de doelen waaraan gewerkt moet worden zoals beschreven in het raadsrapport. Gezien wordt dat [minderjarige] een positieve ontwikkeling doormaakt in het pleeggezin. Zij laat groei zien in haar ontwikkeling en zit steeds beter in haar vel. [minderjarige] heeft de opleiding bij [school] afgerond en werkt inmiddels. Dit gaat goed. [minderjarige] is zich aan het oriënteren op een BBL-opleiding en wordt hierin ondersteund door haar pleegouders. [minderjarige] en de moeder hebben regelmatig telefonisch contact met elkaar. Dit verloopt wisselend. De moeder stelt heel veel vragen aan [minderjarige] . Hierdoor voelt [minderjarige] zich regelmatig onder druk gezet door de moeder. Belangrijk is dat het contact tussen de moeder en [minderjarige] geleidelijk aan wordt opgebouwd waarbij fysiek contact op dit moment nog een brug te ver lijkt te zijn voor [minderjarige] . Ook de begeleider van [hulpverlening] pleit in dit kader nog voor rust. Belangrijk is dat [minderjarige] in het contact met de moeder meer duidelijkheid gaat ervaren. Op dit moment begeleidt de GI het contact tussen de moeder en [minderjarige] daar waar mogelijk. Er is geen connectie tussen het huidige pleeggezin en de familie [achternaam] . Het contact tussen [minderjarige] en haar vriendje kan de GI, mede gezien de leeftijd van [minderjarige] , niet verbieden. Wel heeft de GI aandacht voor deze relatie. Er vindt een wisseling van jeugdzorgwerker plaats op het moment dat er een ondertoezichtstelling wordt uitgesproken. Gezien de leeftijd van [minderjarige] zou het passend zijn dat zij niet alleen de beschikking heeft over haar bankpas, maar ook gebruik kan maken van internetbankieren. Hierover heeft een gesprek met de moeder plaatsgevonden.

5. De beoordeling

Wat zegt de wet?

Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:

a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;

b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, van het BW, in staat zijn te dragen.

Ingevolge artikel 1:265b, eerste lid, van het BW kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.

Inhoudelijke beoordeling

Conform hetgeen is overwogen in de recente beschikking van 7 oktober 2025 stelt de kinderrechter vast dat er grote zorgen zijn over de emotionele en fysieke veiligheid van [minderjarige] binnen de opvoedsituatie van de moeder. Het ging niet goed tussen [minderjarige] en de moeder. Tussen hen was sprake van toenemende conflicten en verbale en fysieke escalaties. Het lukte de moeder en [minderjarige] niet om uit dit negatieve patroon te komen ondanks de inzet van diverse hulpverlening en de veiligheidsafspraken die tussen hen waren gemaakt. Dit maakt dat [minderjarige] ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd.

[minderjarige] verblijft sinds 30 september 2025 in het huidige pleeggezin. [minderjarige] ontwikkelt zich goed in dit pleeggezin en is aan het groeien. Zij onderneemt activiteiten die passen bij haar leeftijd en is zich aan het oriënteren op een BBL-opleiding. [minderjarige] voelt daarbij de steun van haar pleegouders en heeft met hen, en dan met name de pleegmoeder, een prettige en fijne relatie.

De moeder houdt veel van [minderjarige] en wil het beste voor haar. De moeder is op dit moment echter niet in staat om de ontwikkelingsbedreiging en de zorgen over [minderjarige] weg te nemen. Met alleen hulpverlening in het vrijwillig kader zijn onvoldoende resultaten bereikt. Het gedwongen kader van een ondertoezichtstelling is nodig om de hulpverlening die nu wordt ingezet te waarborgen en/of eventuele aanvullende hulpverlening te organiseren. Ook is het van belang dat er goed zicht wordt gehouden op de ontwikkeling en veiligheid van [minderjarige] en dat er een regievoerder, in de vorm van een jeugdzorgwerker, betrokken is om de belangen van [minderjarige] te behartigen en beslissingen in haar belang kan nemen, ook wanneer de moeder hier niet (volledig) achter zou kunnen staan. Belangrijk is dat er duidelijkheid, stabiliteit en rust voor [minderjarige] wordt gecreëerd. Daarnaast acht de kinderrechter een langer verblijf van [minderjarige] bij het huidige pleeggezin noodzakelijk. Een thuisplaatsing van [minderjarige] bij de moeder behoort op dit moment, gezien de problematiek die tussen hen speelt en waarbij het contact zich vooralsnog beperkt tot telefonisch contact, niet tot de mogelijkheden. In het huidige pleeggezin wordt [minderjarige] een veilige en stabiele opvoedingssituatie geboden. Er wordt tegemoet gekomen aan hetgeen [minderjarige] nodig heeft, zoals structuur, regels, maar ook steun en begeleiding bij het vorm geven van haar leven richting volwassenheid. Dit komt haar persoonlijke groei en ontwikkeling ten goede.

Uit het voorgaande volgt naar het oordeel van de kinderrechter dat is voldaan aan de wettelijke criteria voor een ondertoezichtstelling en een machtiging tot uithuisplaatsing. De kinderrechter zal [minderjarige] daarom onder toezicht van de GI stellen en machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] verlenen in een voorziening voor pleegzorg. Gezien de ernst van de problematiek en de stappen die nog gezet moeten worden acht de kinderrechter voor beide maatregelen een duur tot aan de meerderjarigheid van [minderjarige] passend en aangewezen. In haar overweging neemt de kinderrechter mee dat de moeder instemt met de maatregelen en hier, ook ten aanzien van de duur, achter kan staan.

In het komende jaar dient in ieder geval gewerkt te worden aan de doelen zoals vermeld door de Raad in zijn rapport, te weten:

- [minderjarige] ervaart veiligheid en stabiliteit, structuur en duidelijkheid in haar opvoedingsomgeving;

- [minderjarige] ervaart voorspelbaarheid, begeleiding en steun in de relatie met haar moeder waarbij [minderjarige] zich gezien en begrepen voelt door haar moeder;

- [minderjarige] ontwikkelt zich positief, waarbij zij geen last heeft van nare herinneringen, zij een zinvolle dagbesteding heeft, positieve sociale contacten, veilige seksuele contacten en anticonceptie gebruikt.

Gebleken is dat het telefonisch contact tussen de moeder en [minderjarige] wisselend verloopt. [minderjarige] voelt met regelmaat druk vanuit haar moeder die tot verwarring en onduidelijkheid bij haar leidt. Dit is niet de bedoeling. Belangrijk is dat [minderjarige] de rust krijgt om te werken aan het herstellen van haar relatie met de moeder, waarbij wordt aangesloten bij haar tempo, behoeften en mogelijkheden. Hierop zal komende periode door de GI stevige regie moeten worden gevoerd met duidelijke kaders, eventueel door omgangsbegeleiding van een professioneel derde in te zetten. De kinderrechter vraagt hiervoor uitdrukkelijk aandacht.

Daarnaast overweegt de kinderrechter dat zij het passend bij de leeftijd van [minderjarige] acht dat zij niet alleen de beschikking heeft over haar bankpas, maar ook kan internetbankieren. Het is belangrijk dat [minderjarige] inzicht heeft in haar bankrekening. Dit zodat zij weet hoeveel geld zij heeft en dat zij voor zichzelf doelen kan stellen met betrekking tot inkomsten en uitgaves, sparen etcetera. Alleen op deze manier leert [minderjarige] verantwoord met haar geld om te gaan, hetgeen de moeder, zoals door haar naar voren gebracht ter zitting, voorstaat en graag wenst. De kinderrechter geeft de moeder dan ook in overweging om aan [minderjarige] toestemming te verlenen voor internetbankieren.

De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. De kinderrechter vindt dit in het belang van [minderjarige] . Zij moet weten waar zij aan toe is.

6. De beslissing

De kinderrechter:

stelt [minderjarige] onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming Brabant met ingang van 26 december 2025 tot 2 oktober 2026;

verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg (bestandspleeggezin) met ingang van 26 december 2025 tot 2 oktober 2026;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 27 november 2025 door mr. Van Triest, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Snatersen als griffier en schriftelijk vastgesteld op 10 december 2025.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. Snatersen als

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?