RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Middelburg
Zaaknummer: 11738094 \ CV EXPL 25-1995
Vonnis van 19 november 2025
in de zaak van
CZ ZORGVERZEKERINGEN N.V.,
gevestigd te Tilburg,
eisende partij,
hierna te noemen: CZ,
gemachtigde: GGN Mastering Credit B.V.,
tegen
[gedaagde] ,
wonende te [plaats 1],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
procederend in persoon.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 20 mei 2025 met producties 1 en 2,- de conclusie van antwoord,- de conclusie van repliek met producties 2 tot en met 5,- de conclusie van dupliek met productie.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
[gedaagde] heeft als verzekerde, met CZ als verzekeraar, een zorgverzekeringovereenkomst gesloten. [gedaagde] is maandelijks bij vooruitbetaling premie verschuldigd aan CZ. Voor betaling van de premie wordt door CZ geen factuur verzonden. Voor de vergoeding van ziektekosten geldt een (wettelijk verplicht) eigen risico en/of eigen bijdrage. Voor zowel de betaling van het eigen risico, als de betaling van de eigen bijdrage stuurt CZ facturen aan [gedaagde]. CZ heeft op 6 februari 2025 een brief aan [gedaagde] gestuurd, waarin zij aangeeft dat [gedaagde] binnen 14 dagen vanaf de dag nadat deze brief is bezorgd de hoofdsom van € 524,71 (bestaande uit eenmaal een bedrag aan eigen risico en driemaal een bedrag aan eigen bijdrage) dient te voldoen. [gedaagde] heeft dit bedrag niet betaald.
3. Het geschil
CZ vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] te veroordelen aan haar te betalen € 613,51 (€ 524,71 aan hoofdsom, € 78,71 aan buitengerechtelijke incassokosten, en € 10,09 aan wettelijke rente tot 20 mei 2025), vermeerderd met de wettelijke rente over € 524,71 vanaf de dag van dagvaarding tot aan de dag van algehele voldoening en met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van de procedure.
Aan haar vordering heeft CZ ten grondslag gelegd dat [gedaagde] de verplichtingen uit de zorgverzekeringsovereenkomst dient na te komen en dus is gehouden om het eigen risico en de eigen bijdrage te voldoen.
[gedaagde] voert verweer. Hij maakt bezwaar tegen de in rekening gebrachte bedragen van het eigen risico, de eigen bijdrage en de bijkomende kosten. Hij stelt dat de apotheek in [plaats 2] hem niet vooraf heeft geïnformeerd over het eigen risico en de eigen bijdrage welke bij hem in rekening zijn gebracht. Daarnaast heeft de apotheek hem niet geïnformeerd over de mogelijkheid van andere medicijnen die wel volledig worden vergoed. Ook wordt het jaarlijks maximum bedrag aan eigen risico en eigen bijdrage door CZ overschreden. Het is volgens [gedaagde] niet redelijk dat hij financieel verantwoordelijk wordt gehouden voor de handelwijze van de apotheek.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4. De beoordeling
[gedaagde] heeft niet betwist dat hij een ziektekostenverzekering heeft bij CZ. Hij weerspreekt ook niet dat hij de premies, het eigen risico en de eigen bijdrage moet betalen. Waar het om gaat is of de daarvoor aan hem gestuurde facturen juist zijn. Dat betwist hij.
gevorderde facturen
Het bedrag van € 524,71 dat CZ vordert bestaat uit de volgende facturen:
De kantonrechter ziet geen onderbouwing van de facturen voor € 0,40 en € 190,22. De factuur waarop laatstgenoemd bedrag staat (bijlage 1 bij productie 4 van CZ) heeft betrekking op mevrouw [persoon]. Zij is geen partij in deze procedure en CZ stelt niet waarom [gedaagde] tot betaling van deze factuur kan worden aangesproken. De kantonrechter zal de vordering van deze twee bedragen daarom afwijzen.
CZ vordert verder betaling van de factuur van 29 november 2024 ten bedrage van € 183,00. In de conclusie van repliek stelt zij dat deze factuur op 17 maart 2025 is gecorrigeerd, waarbij er een bedrag van € 183,00 aan [gedaagde] is betaald. Onduidelijk is op grond waarvan [gedaagde] alsnog € 183,00 moet betalen. CZ geeft hierover geen nadere toelichting. Bovendien heeft deze factuur betrekking op mevrouw [persoon]. Uit niets blijkt waarom CZ deze vordering dan op [gedaagde] kan verhalen, zoals hiervoor onder 4.3 al is overwogen. Ook dit gedeelte van de vordering zal worden afgewezen.
Dan is er nog de factuur van € 151,09. CZ heeft deze factuur overgelegd. Het verweer van [gedaagde] dat de apotheek in [plaats 2] hem op voorhand had moeten informeren over de kosten van het eigen risico en/of de eigen bijdrage slaagt niet. De apotheek brengt de kosten voor verstrekte medicijnen in rekening bij CZ. CZ heeft deze kosten aan de apotheek vergoed en [gedaagde] een factuur gestuurd. Indien [gedaagde] meent dat de apotheek hem op voorhand had moeten informeren over de kosten van het eigen risico en/of de eigen bijdrage, dan dient hij hierover contact op te nemen met de apotheek. CZ mag de vergoede kosten bij [gedaagde] in rekening brengen. Bovendien blijkt uit bijlage 2 bij productie 4 van CZ dat er na betaling van het bedrag van € 151,09 nog een bedrag van € 161,51 aan eigen risico overblijft. Het jaarlijks maximum bedrag aan eigen risico is dan ook niet overschreden. De kantonrechter stelt daarom vast dat CZ deze kosten terecht bij [gedaagde] in rekening heeft gebracht. [gedaagde] zal deze factuur dan ook moeten betalen.
buitengerechtelijke incassokosten, wettelijke rente en proceskosten
CZ vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De kantonrechter stelt vast dat [gedaagde] een consument is (een natuurlijk persoon die niet heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf). Daarom moet de kantonrechter controleren of is voldaan aan de dan geldende extra eisen voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten. CZ heeft aan [gedaagde] een of meer aanmaningen gestuurd die voldoen aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW. Daarom zal een bedrag van € 40,00 (nu slechts € 151,09 aan hoofdsom toewijsbaar is) worden toegewezen.
De gevorderde en niet weersproken wettelijke rente over de hoofdsom van € 151,09 moet [gedaagde] ook betalen.
Omdat beide partijen gedeeltelijk ongelijk krijgen, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
5. De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt [gedaagde] om aan CZ te betalen een bedrag van € 151,09, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW hierover, met ingang van 6 december 2024, tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt [gedaagde] om aan CZ te betalen een bedrag van € 40,00 aan buitengerechtelijke kosten,
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Van der Lende-Mulder Smit en in het openbaar uitgesproken op 19 november 2025.