RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Middelburg
Zaaknummer: 11781225 \ CV EXPL 25-2357
Vonnis van 26 november 2025
in de zaak van
CZ ZORGVERZEKERINGEN N.V.,
gevestigd te Tilburg,
eisende partij,
hierna te noemen: CZ,
gemachtigde: GGN Mastering Credit B.V.,
tegen
[gedaagde] ,
wonende te [plaats],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
procederend in persoon.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 16 juni 2025 met producties 1 en 2,- de aantekeningen van de griffier van de rolzitting van 9 juli 2025 met daarin het mondeling antwoord met producties,- de conclusie van repliek met producties 1 en 2,- de conclusie van dupliek.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
[gedaagde] heeft als verzekerde, met CZ als verzekeraar, een zorgverzekeringovereenkomst gesloten voor een basis zorgverzekering. [gedaagde] is maandelijks bij vooruitbetaling premie verschuldigd aan CZ. Voor betaling van de premie wordt door CZ geen factuur verzonden. CZ heeft op 6 maart 2025 een veertiendagenbrief aan [gedaagde] gestuurd, waarin zij aangeeft dat [gedaagde] binnen 14 dagen vanaf de dag nadat de brief is bezorgd de hoofdsom van € 466,58 dient te voldoen.
[gedaagde] heeft op 27 mei 2025 en op 20 juni 2025 (na dagvaarding) een bedrag van € 159,99 betaald (in totaal € 319,98).
3. Het geschil
CZ vordert bij vonnis, na vermindering van eis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] te veroordelen aan haar te betalen € 53,57 (€ 0,00 aan hoofdsom, € 48,00 aan buitengerechtelijke incassokosten, en € 5,57 aan wettelijke rente tot 16 juni 2025), vermeerderd met de wettelijke rente over € 213,56 vanaf de dag van dagvaarding tot aan de dag van algehele voldoening, met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van de procedure.
Aan haar vordering heeft CZ ten grondslag gelegd dat [gedaagde] de verplichtingen uit de zorgverzekeringsovereenkomst dient na te komen en dus is gehouden om de maandelijkse premie voor de basis zorgverzekering te voldoen. Of de medicijnen welke door [gedaagde] worden gebruikt al dan niet door CZ worden vergoed, doet niet af aan de betalingsverplichting van de maandelijkse premie voor de basis zorgverzekering.
[gedaagde] erkent de hoofdsom en voert het volgende aan. Hij stelt dat hij door een ziekte medicijnen nodig heeft welke niet door CZ worden vergoed. Omdat de medicijnen niet worden vergoed, heeft [gedaagde] maandelijks hoge kosten waardoor hij de maandelijkse premie voor de basisverzekering niet kan betalen. [gedaagde] wenst dat CZ de benodigde medicijnen vergoedt, zodat [gedaagde] de maandelijkse premie voor de basisverzekering kan betalen.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4. De beoordeling
De kantonrechter stelt voorop dat [gedaagde] op grond van de zorgovereenkomst de maandelijkse premies moet betalen. [gedaagde] heeft de volledige hoofdsom van € 319,98 inmiddels betaald, maar wel te laat. [gedaagde] is nog steeds de wettelijke rente over dit bedrag verschuldigd tot de datum van betaling. De omstandigheid dat CZ bepaalde medicijnen die [gedaagde] gebruikt niet vergoedt, maakt dat niet anders. [gedaagde] is op grond van de verzekeringsovereenkomst de maandelijkse basispremie verschuldigd en als deze premie niet tijdig wordt betaald, is hij wettelijke rente over dit bedrag verschuldigd. De vordering tot betaling van wettelijke rente wordt dan ook toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
buitengerechtelijke incassokosten
CZ vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De kantonrechter stelt vast dat [gedaagde] een consument is (een natuurlijk persoon die niet heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf). Daarom moet de kantonrechter controleren of is voldaan aan de dan geldende extra eisen voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten. De door CZ verstuurde aanmaning voldoet niet aan de in artikel 6:96 lid 6 BW gestelde eisen. In de aanmaning staat namelijk een hoofdsom van € 466,58 opgenomen, hetgeen niet overeenkomt met de gevorderde hoofdsom. In de aanmaning staat ook vermeld dat op de achterkant van de brief is vermeld waaruit de achterstand bestaat, de volledige brief is echter niet overgelegd. Het is voor de kantonrechter dan ook niet duidelijk waarop de genoemde hoofdsom in de aanmaning ziet. De gevorderde vergoeding zal daarom worden afgewezen.
proceskosten
[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van CZ worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
145,45
- griffierecht
€
135,00
- salaris gemachtigde
€
80,00
(2 punten × € 40,00)
- nakosten
€
20,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
380,45
5. De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt [gedaagde] om aan CZ te betalen de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over € 159,99 vanaf 1 januari 2025 tot 27 mei 2025 en de wettelijke rente over € 159,99 vanaf 1 februari 2025 tot 20 juni 2025,
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 380,45, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Van Dam en in het openbaar uitgesproken op 26 november 2025.