ECLI:NL:RBZWB:2025:9439

ECLI:NL:RBZWB:2025:9439, Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 19-11-2025, C/02/430472 /HA ZA 25-15

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 19-11-2025
Datum publicatie 06-01-2026
Zaaknummer C/02/430472 /HA ZA 25-15
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Bodemzaak
Zittingsplaats Middelburg

Samenvatting

.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

vonnis

C/02/391731 / HA ZA 21-66223 februari 2022

Cluster II Handelszaken

Middelburg

zaaknummer / rolnummer: C/02/430472 /HA ZA 25-15

Vonnis van 19 november 2025

in de zaak van

[de vrouw] ,

wonende te [plaats] ,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. W. Tiggelaar te Middelburg,

tegen

[de man] ,

wonende te [plaats] ,

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaat mr. M.C.J.G. Kathmann te Breda.

Partijen zullen hierna respectievelijk de vrouw en de man worden genoemd.

1. De verdere procedure

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

het tussenvonnis van 5 maart 2025 en de daarin genoemde stukken;

de conclusie van antwoord in reconventie;

de akte overlegging producties van de zijde van de man;

de akte wijziging/aanvulling vorderingen in conventie van de kant van de vrouw, na debat door de rechter toegelaten en overgelegd tijdens de hierna te noemen mondelinge behandeling.

Op 22 mei 2025 vond de mondelinge behandeling van de zaak plaats. Daarbij zijn verschenen partijen, de vrouw bijgestaan door haar advocaat, de man bijgestaan door zijn advocaat alsmede door mr. J. Smael, advocaat te Rotterdam.

Daarna zijn nog gewisseld:

- de nadere akte van 1 juli 2025 van de zijde van de vrouw;

- de antwoordakte nader uitlaten, met producties, van 20 augustus 2025 van de kant van de man;

- de – op verzoek daartoe op voorhand door de rechter toegelaten – akte aanvulling c.q. wijziging van eis, met producties, van 3 september 2025 van de zijde van de vrouw;

- de antwoordakte naar aanleiding van de beide hiervoor genoemde akten, met producties, van 16 september 2025, van de kant van de man;

- de antwoordakte van 8 oktober 2025 van de kant van de vrouw.

Tenslotte heeft de rechter vonnis bepaald.

2. De feiten

Partijen hebben een affectieve relatie gehad en hebben gedurende ongeveer 19 jaar ongehuwd, zonder geregistreerd partnerschap en zonder samenlevingsovereenkomst samengewoond.

Partijen zijn door aankoop (voor een bedrag van € 135.000,--) in augustus 2004 en levering aan hen in november 2004 gezamenlijk eigenaar geworden van de woning aan het [adres 1] (hierna: de woning). Ter financiering van de aankoop zijn partijen destijds gezamenlijk een hypothecaire lening aangegaan, welke lening in 2017 volledig was afgelost. Op 17 januari 2020 zijn partijen gezamenlijk bij de Volksbank N.V., handelend onder de naam BLG Wonen (opnieuw) een hypothecaire lening – voor een bedrag van € 200.000,-- – aangegaan met de woning als onderpand.

Partijen zijn gezamenlijk eigenaar geweest van een pand aan [adres 2] . Partijen hebben dit pand gedurende een aantal jaren verhuurd. Zij hebben het pand verkocht en op 30 oktober 2019 geleverd aan een derde.

Partijen hebben op grond van een koop/aanneemovereenkomst gezamenlijk op 25 februari 2020 geleverd gekregen een perceel bouwrijpe grond en een appartementsrecht, omvattende de bevoegdheid tot uitsluitend gebruik van een parkeerplaats en de bevoegdheid tot uitsluitend gebruik van een stoep, gelegen aan [adres 3] (hierna: het appartement). Zij zijn ter financiering hiervan gezamenlijk een hypothecaire lening aangegaan. Zij hebben het appartement weer verkocht en op 23 april 2021 geleverd aan een derde; de hypothecaire lening is toen volledig afgelost.

Er bestaat een schriftelijk stuk, met daarop de handtekeningen van beide partijen en de datering 22 oktober 2020, dat als volgt luidt:

“Hierbij verklaar ik, [de vrouw] geboren [datum] 1983 dat ik afstand doe van alle lopende hypotheken en bezittingen in onroerend goed opgebouwd tijdens mijn relatie met [de man] .

Dit betekent dat ik zal worden ontslagen uit hoofdelijke aansprakelijkheid van de volgende hypotheken en onroerend goed;

- [adres 1] > hypotheek bij BLG wonen

- [adres 3] > hypotheek bij Hypotrust.

We hebben samen afgesproken, dat [de man] de volledige aansprakelijkheid van beide hypotheken op zich neemt en dat we hiervoor via onze adviseur ontslag zullen aanvragen. Alle eventuele bijkomende kosten (notaris/hypotheekadviseur/tussenpersonen) hierin zijn voor [de man] .

Met deze afspraak komen twee voorwaarden, jij zal mij een bedrag van 25.000 euro overmaken, en hebt mij beloofd mij niet de deur uit te zetten zonder geschikte woonruimte.

Tevens zal de auto met [kenteken 1] voor mij zijn, en alle spullen in huis die ik heb aangeschaft in de loop van de jaren.

We hebben altijd samen aangifte bij de Belastingdienst gedaan, en er is mij een percentage grondslag sparen en beleggen toegekend waar ik voor werd belast. Mocht dit in de toekomst onverhoopt gebeuren, zullen de eventuele kosten die hieruit voortvloeien zijn voor [de man] .

Onze 3 kinderen verblijven bij de moeder, 1x in de 2 weken zijn ze een weekend bij de vader. De alimentatie is hierop gebaseerd en wordt op een later tijdstip in goed overleg vastgesteld.

Als dit allemaal juist is afgerond heeft [de vrouw] geen enkele financiële rechten of plichten meer t.a.v. deze woningen.”

Voorts zijn er nog twee nagenoeg gelijkluidende, ongedateerde stukken, die eveneens de handtekeningen van beide partijen bevatten. In deze stukken zijn (als belangrijkste verschillen met het geciteerde stuk) [adres 3] en de hypotheek bij Hypotrust niet genoemd, en is de zin over de drie kinderen niet opgenomen.

De relatie van partijen is midden juli 2022 beëindigd; op 3 september 2022 heeft de vrouw de woning verlaten. De man woont sindsdien alleen (voor een deel van de tijd samen met de kinderen van partijen) in de woning.

3. Het geschil

in conventie

De vrouw vordert – na wijziging en aanvulling van haar vorderingen – dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

1. de man veroordeelt/beveelt op voet van artikel 22 Rv, tot afgifte/overlegging in rechte van de financiële overzichten van 2022, 2023 en 2024 van de gemeenschappelijke bankrekeningen met de nummers [rekeningnummer 1] en [rekeningnummer 2] inclusief de daaraan gekoppelde beleggingsrekening met [nummer 1] alsmede een gedocumenteerde opgave van de saldi per 1 september 2022 van voornoemde bankrekeningen, en voorts informatie met betrekking tot de hypothecaire geldlening, waaronder de financiële overzichten van 2022, 2023 en 2024, waartoe als onderpand dient de woning, op straffe van een dwangsom van € 250,-- voor iedere dag dat de man in gebreke blijft met nakoming van hetgeen hiervoor is gevorderd;

2. ter bepaling van de onderhandse verkoopwaarde van de woning op voet van artikel 194 e.v. Rv een deskundigenbericht beveelt met benoeming van een door de rechtbank aan te wijzen (lokaal bekende) register-vastgoed-expert ingeschreven voor de Kamer Wonen in het kwaliteitsregister van de Stichting VastgoedCert, althans een door de rechtbank aan te wijzen deskundige;

3. het aandeel van de vrouw in de woning toedeelt aan de man en de op de woning rustende hypothecaire geldlening toerekent aan de man onder de navolgende voorwaarden:

a. de notariële levering van het aandeel van de vrouw in de woning aan de man dient plaats te vinden binnen 3 maanden na de datum van het door de rechtbank in deze te wijzen (eind)vonnis;

b. uiterlijk ten tijde van de notariële levering van het aandeel van de vrouw in de woning aan de man:

(I) de vrouw wordt ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening of de hypothecaire geldlening geheel door de man wordt afgelost, en

(II) de man betaalt ten titel van overbedeling aan de vrouw een nog nader door de rechtbank te bepalen bedrag, gebaseerd op de helft van de door de deskundige getaxeerde waarde van de woning;

c. de financieringskosten, de notariskosten en de overige kosten voor overname

door de man van het aandeel van de vrouw in de woning door de man dienen te

worden betaald en gedragen;

4. een notaris benoemt, ten overstaan van wie de werkzaamheden van de levering voortvloeiende uit hetgeen onder 3 is gevorderd zullen plaatsvinden;

5. de man veroordeelt zijn medewerking te verlenen aan de verkoop en levering van voornoemde woning, in het bijzonder aan het verstrekken van een opdracht daartoe aan een door de vrouw te kiezen lokaal bekende NVM-makelaar, ingeval de notariële levering onder de hiervoor gestelde voorwaarden binnen de genoemde periode van 3 maanden na de datum van het door de rechtbank te wijzen vonnis niet heeft plaatsgevonden, met bevel aan de man om:

a. zich te houden aan de vraag- en laatprijs die voornoemde makelaar zal bepalen en aan de overige aanwijzingen van voornoemde makelaar;

b. uiterlijk twee weken vóór de datum van notariële levering van de woning aan de koper(s) de woning metterwoon dient te verlaten en te ontruimen met al het zijne en de zijnen, de woning daarna verder niet meer te betreden, onder afgifte van de sleutels van de woning aan de vrouw;

c. zijn medewerking te verlenen aan het opstellen en het ondertekenen van een overeenkomst van verkoop van de woning en van een akte van levering van de woning aan de koper(s), binnen drie dagen na het eerste schriftelijke verzoek van of namens de vrouw daartoe;

waarbij de rechtbank bepaalt dat:

d. dit vonnis ex artikel 3:300 BW in de plaats komt van de voor het verlenen van de opdracht tot verkoop aan voornoemde makelaar en de verkoop en notariële levering van de woning aan de koper(s) noodzakelijke toestemming en/of wilsverklaring en/of handtekening van de man, wanneer de man na betekening van het door de rechtbank te wijzen vonnis weigert daaraan binnen drie dagen na het eerste schriftelijke verzoek van of namens de vrouw daartoe zijn medewerking te verlenen;

e. de door de koper(s) te betalen koopsom voor de woning (zijnde de verkoopopbrengst minus de makelaarscourtage en overige rechtstreeks met de verkoop gemoeide kosten) bij helfte tussen partijen wordt verdeeld;

f. dat ten laste van het aandeel van de man in de verkoopopbrengst van de woning wordt gebracht het saldo van de openstaande hypotheekschuld(en);

6. de man veroordeelt om binnen 14 dagen na het door de rechtbank in deze zaak te wijzen vonnis althans een door de rechtbank te bepalen termijn, aan de vrouw te voldoen een bedrag gelijk aan de helft van de saldi van voornoemde gemeenschappelijke bankrekeningen bij de Rabobank en de ING inclusief het saldo van de aan de ING-rekening gekoppelde beleggingsrekening met [nummer 1] per 3 september 2022, te vermeerderen met een bedrag van € 40.000,--, zijnde de helft van het saldo van de DEGIRO rekening dat na 1 september 2022 is overgemaakt op voornoemde gemeenschappelijke bankrekening bij de Rabobank en te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de datum van dagvaarding tot aan de dag van betaling;

7. de man veroordeelt zijn medewerking te verlenen aan het wijzigen van de tenaamstelling van voornoemde bankrekeningen;

8. de man veroordeelt om binnen 14 dagen na het door de rechtbank in deze te wijzen vonnis althans een door de rechtbank te bepalen termijn aan de vrouw te voldoen een bedrag van € 5.000,-- ten titel van de toedeling van de auto aan de man, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf datum van dagvaarding tot aan de dag van betaling;

9. de man veroordeelt, op straffe van een dwangsom van € 500,-- per dag dat de man in gebreke blijft met de nakoming daarvan met een maximum van € 10.000,--, tot afgifte van de navolgende goederen binnen twee weken na het door de rechtbank in deze te wijzen vonnis althans binnen een door de rechtbank te bepalen termijn:

- Plastic box met knutselwerkjes en tekeningen [naam 1]

- Dozen met Suske & Wiske

- Babyspullen kinderen

- Fototoestel Canon

- Sieraden + zonnebril Ralph Lauren

- Externe harde schijf of fotoalbums kinderen

- Alle dameskleding & schoenen die nog aanwezig zij

- Tennistas + racket + schoenen

- Koffer

- Schaatsen [naam 1]

- Trolley

- Doos van Macbook Air

10. althans, subsidiair en voor zover nodig, voorzieningen te bepalen die overeenstemmen met of realiseren hetgeen hiervoor onder 1 tot en met 9 is gevorderd.

De man heeft verweer gevoerd en geconcludeerd dat de rechtbank de vrouw in haar vorderingen niet-ontvankelijk dient te verklaren, dan wel haar die vorderingen dient te ontzeggen, met veroordeling van de vrouw in de kosten van het geding. Voor het geval de rechtbank één of meer van die vorderingen (gedeeltelijk) zal toewijzen, heeft de man bij de vorderingen 1, 2, 4 en 6 (voorwaardelijk) eigen vorderingen ingesteld; deze vorderingen zullen hierna, zo de rechtbank daaraan toekomt, nader worden vermeld.

in reconventie

De man vordert dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. de vrouw veroordeelt tot nakoming van de door partijen ondertekende overeenkomst, hetgeen betekent dat:

- de woning binnen vier maanden na de datum van het vonnis van uw rechtbank bij een door de man aan te wijzen notaris aan de man dient te worden toegedeeld/notarieel geleverd;

- de man ervoor dient te zorgen dat de vrouw gelijktijdig met de toedeling/notariële levering van de woning aan hem wordt ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening bij de Volksbank N.V., handelend onder de naam BLG Wonen;

- de man aan de notaris de opdracht dient te geven de akte van verdeling op te stellen;

- de financieringskosten, de notariskosten en de overige kosten voor de overname door de man van het aandeel van de vrouw in de woning door de man dienen te worden betaald en gedragen;

- voor de datum van toedeling/notariële levering van de woning aan de man, door de man ten behoeve van de vrouw € 25.000,-- dient te worden overgemaakt naar de derdengeldrekening van de door de man aan te wijzen notaris;

- voor de datum van toedeling/notariële levering van de woning aan de man partijen ING Bank N.V. gezamenlijk de opdracht dienen te verstrekken de tenaamstelling van de betaalrekening bij ING Bank N.V. met [rekeningnummer 2] te wijzigen, zodanig dat de betaalrekening bij ING Bank N.V. met [rekeningnummer 2] ten name van de man wordt gesteld;

- voor de datum van toedeling/notariële levering van de woning aan de man partijen Rabobank gezamenlijk de opdracht dienen te verstrekken het huidige saldo op de betaalrekening bij Rabobank met [rekeningnummer 1] over te maken op een door de man aan te wijzen bankrekening en vervolgens de tenaamstelling van de betaalrekening met [rekeningnummer 1] te wijzigen, zodanig dat de betaalrekening bij Rabobank met [rekeningnummer 1] ten name van de vrouw wordt gesteld;

althans een wijze van verdeling van de eenvoudige gemeenschap gelast als de rechtbank in

goede justitie vermeent te behoren;

II. voor het geval de vrouw niet binnen vier maanden na de datum van het vonnis van de rechtbank meewerkt aan de toedeling/notariële levering van de woning aan de man:

primair: daarbij bepaalt dat het vonnis van de rechtbank in de plaats komt van de noodzakelijke toestemming en/of wilsverklaring en/of handtekening van de vrouw voor de eigendomsoverdracht van de woning via/bij de door de man aan te wijzen notaris aan de man, althans dat het vonnis van de rechtbank in de plaats treedt van de tot de toedeling/notariële levering van de woning aan de man bestemde akte van verdeling;

subsidiair: op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,-- per dag voor iedere dag die de vrouw vanaf vier maanden na de datum van het vonnis van de rechtbank te voldoen, met een maximum van € 25.000,--;

althans een zodanige beslissing neemt als de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren;

III. voor recht verklaart dat de vrouw vanwege de door de man aan haar verstrekte geldlening een schuld heeft aan de man ten bedrage van € 1.000,--, althans een zodanige beslissing neemt als de rechtbank vermeent te behoren;

IV. voor recht verklaart dat de vrouw vanwege de door de man aan de heer [naam 2] van ME Vastgoed verschuldigde boete voor de ontbinding van de koopovereenkomst voor de woning aan [adres 4] een schuld heeft aan de man ten bedrage van € 23.000,--, althans een zodanige beslissing neemt als de rechtbank vermeent te behoren;

V. voor recht verklaart dat de vrouw vanwege de annuleringskosten die de man heeft moeten maken voor zijn vakantie met de kinderen in juli 2023 naar Ibiza, omdat de vrouw haar toestemming weer had ingetrokken, een schuld heeft aan de man ten bedrage van € 5.500,--, althans een zodanige beslissing neemt als de rechtbank vermeent te behoren;

VI. voor recht verklaart dat de vrouw vanwege haar weigering te opteren voor het verlengd fiscaal partnerschap en in de gezamenlijke aangiften inkomstenbelasting 2022 gebruik te maken van artikel 2.17 Wet inkomsterbelasting 2001 (toerekenen inkomsten en aftrekposten) voor de door de man meer betaalde inkomstenbelasting 2022 een schuld heeft aan de man ten bedrage van € 7.894,--, althans een zodanige beslissing neemt als de rechtbank vermeent te behoren;

VII. de vrouw veroordeelt om haar schuld(en) aan de man te betalen door overboeking op een door de man op te geven rekeningnummer, binnen twee weken na de datum van het vonnis van de rechtbank, althans te betalen binnen een termijn als de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren, te vermeerderen met de wettelijke rente over het bedrag van de vordering vanaf bedoelde termijn voor voldoening tot de datum van algehele voldoening, althans met ingang van een datum als de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren;

VIII. de vrouw veroordeelt in de proceskosten van de gehele procedure, volgens het liquidatietarief, te vermeerderen met de nakosten, één en ander te voldoen binnen twee weken na de datum van het vonnis van de rechtbank, en – voor het geval voldoening van de (na)kosten niet binnen gestelde termijn plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na)kosten te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening tot de datum van algehele voldoening.

Bij akte aanvulling c.q. wijziging van eis van 3 september 2025 heeft de man verder nog gevorderd dat de rechtbank:

IX. de vrouw veroordeelt om aan de man te verstrekken, binnen twee weken na de datum van het vonnis van uw rechtbank, althans binnen een termijn als de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,00 per dag(deel) waarop de vrouw in gebreke zal blijven hieraan te voldoen, althans op straffe van verbeurte van een dwangsom als uw rechtbank in goede justitie vermeent te behoren:

- de rekeningafschriften van de beleggingsportefeuille bij DEGIRO/de

beleggingsrekening bij DEGIRO met [rekeningnummer 3] over de periode vanaf de oprichting (vermoedelijk november 2020) tot heden;

- de rekeningafschriften van de betaalrekening bij Rabobank met [rekeningnummer 4] ten name van de vrouw over de periode 27 april 2021 tot de peildatum 3 september 2022;

- de rekeningafschriften van de betaalrekening bij Rabobank met [rekeningnummer 5] ten name van de vrouw over de periode 27april 2021 tot de peildatum 3 september 2022.

De vrouw voert verweert tegen de vorderingen van de man en concludeert dat de rechtbank de man daarin niet-ontvankelijk dient te verklaren, dan wel deze dient af te wijzen dan wel te ontzeggen.

in conventie en in reconventie

Op de stellingen van partijen zal hierna, voor zover voor de beoordeling van de vorderingen van belang, nader worden ingegaan.

4. De beoordeling

in conventie en in reconventie

Gezien de samenhang tussen de vorderingen in conventie en in reconventie – die alle betrekking hebben op de (wijze van) verdeling van (een) tussen partijen bestaande gemeenschap(pen) en op de verdere vermogensrechtelijke afwikkeling van hun (beëindigde) relatie – zal de rechtbank die vorderingen hierna gezamenlijk behandelen.

het stuk van 22 oktober 2020

Gelet op de stellingen van partijen over een weer zal eerst moeten worden beoordeeld of het hierboven onder 2.5 geciteerde stuk, gedateerd 22 oktober 2020, ten aanzien van de afwikkeling van de tussen partijen bestaande vermogensrechtelijke betrekkingen moet worden gezien als

(a) een overeenkomst tussen partijen

(b) die rechtsgeldig tot stand is gekomen – dat wil zeggen dat aan de overeenkomst geen wilsgebreken aan de zijde van de vrouw kleven, dan wel tot stand is gekomen ten gevolge van onrechtmatig handelen aan de zijde van de man,

(c) en zijn geldigheid niet door omstandigheden nadien heeft verloren,

(d) waarin zij de vermogensrechtelijke afwikkeling van hun relatie uitputtend hebben geregeld.

Over de vraag of daadwerkelijk sprake was van een overeenkomst (vereiste sub (a)) hebben partijen in de stukken en tijdens de mondelinge behandeling het navolgende gesteld:

De man stelt dat sprake is van een overeenkomst en heeft daartoe aangegeven dat het stuk – opgesteld als een verklaring van de vrouw – tot stand is gekomen in een overleg tussen partijen, nadat de vrouw de man had medegedeeld dat zij de relatie wilde beëindigen. Partijen hebben op 22 oktober hierover app-contact gehad. De man legt een – inhoudelijk door de vrouw niet betwist – appbericht van die datum van de vrouw over (productie 21) waarin hij zijnerzijds heeft aangegeven (voor zover hier van belang) dat hij de vrouw wil uitkopen voor een eenmalig bedrag. Hij spreekt over “morgen notaris inschakelen” en “je mag de woning van mij dan huren”. De vrouw reageert daarop met een app-bericht, waarin ze schrijft: “Gewoon 25000”. De man heeft aangegeven dat nog diezelfde dag de vrouw het onderhavige stuk heeft opgesteld en dat partijen dat toen thuis hebben ondertekend.

De vrouw betwist dat sprake is van een overeenkomst; zij heeft in de processtukken de door de man geschetste gang van zaken betwist, stellende dat het stuk niet op haar initiatief tot stand is gekomen. Zij heeft echter niet toegelicht hoe het stuk dan wel tot stand is gekomen. Op de mondeling behandeling heeft zij (anders dan in de stukken) aangegeven dat zij het stuk wel heeft uitgetypt en dat zij het ook heeft ondertekend. Zij stelt dat zij de inhoud niet heeft bepaald en niet heeft kunnen bepalen; die werd gedicteerd door de man.

Op grond van het vorenstaande moet de rechtbank moet vaststellen dat op 22 oktober 2020 er een stuk met de hierboven onder 2.5 weergegeven inhoud bestond, dat partijen over de inhoud van dat stuk (in elk geval digitaal) hadden overlegd, dat zij de tekst (door de vrouw getypt) beiden hebben gezien en vervolgens beiden van hun handtekening hebben voorzien. Op grond van die omstandigheden staat naar het oordeel van de rechtbank voldoende vast dat er sprake geweest van onderhandelingen, waarbij over en weer een aanbod is gedaan, daarover is overlegd en vervolgens – doordat het onderhavige stuk is opgesteld en door beiden partijen is ondertekend – het over en weer aangebodene is aanvaard. Aldus is op 22 oktober 2020 tussen partijen een overeenkomst met de hiervoor onder 2.5 weergegeven inhoud tot stand is gekomen.

Bij dit oordeel weegt de rechtbank nog mee dat ook vast staat dat het door beide partijen ondertekende stuk op enig moment vrij kort na 22 oktober 2020 (in elk geval nog in 2020) door (één van) partijen (terwijl beiden daarvan wisten) naar [notariskantoor] is gebracht. Een en ander blijkt uit een brief van dat kantoor van 4 augustus 2022. Over de bedoeling hiervan hebben partijen geen verklaring gegeven, maar wel heeft de vrouw op de mondelinge behandeling verklaard dat zij eind 2020 aan de notaris heeft bericht dat het stuk overhaast was geweest en niet doorging. Daarmee erkent zij het stuk te hebben gekend en te hebben geweten dat het met een kennelijke bedoeling om overeenkomstig dat stuk formeel te handelen, bij de notaris lag.

Of de inhoud van het stuk daadwerkelijk de wil van beide partijen weergaf – de vrouw stelt dat dat niet zo is; het stuk zou door de man zijn gedicteerd en zij had geen mogelijkheden om daar tegenin te gaan – is voor het vereiste onder (a) – namelijk dat sprake is van een overeenkomst – niet van belang. De betreffende stelling van de vrouw zal hierna, bij de beoordeling van het vereiste onder (b), verder aan de orde komen.

Van de twee andere, ongeveer gelijkluidende stukken, die ook door partijen zijn ondertekend, is geen datering bekend; partijen hebben daarover geen duidelijkheid verschaft. De rechtbank kan op grond van deze stukken enkel vaststellen dat partijen kennelijk op enig ander moment dan 22 oktober 2020 de behoefte of noodzaak hebben gevoeld hun afspraken – hiervoor beoordeeld als een overeenkomst – te bevestigen.

Dan komt aan de orde de vraag naar de rechtsgeldigheid van (de totstandkoming van) de overeenkomst (vereiste sub (b)). De vrouw betwist deze. Zij stelt dat sprake was van wilsgebreken aan haar zijde, met name dat sprake was van bedreiging en/of misbruik van omstandigheden als bedoeld in artikel 3:44 BW aan de zijde van de man, subsidiair dwaling in de zin van artikel 3:196 BW aan haar zijde.

De man heeft als verweer hiertegen allereerst gesteld dat de vrouw deze wilsgebreken niet meer met succes kan opwerpen, omdat het recht daartoe voor haar inmiddels is verjaard.

Voor zover de vrouw een beroep doet op bedreiging en misbruik van omstandigheden, doet zij dat ter afwering van een op de gestelde overeenkomst steunende vordering van de man. Dat kan, zo bepaalt artikel 3:51, lid 3 BW, te allen tijde; een dergelijk beroep is niet aan enige vorm van verjaring onderhevig.

Waar de vrouw zich beroept op dwaling als bedoeld in artikel 3:196 BW, stelt de man verjaring als bedoeld in artikel 3:200 BW. De rechtbank stelt vast dat dit wetsartikel niet een verjaringstermijn noemt, maar voor de rechtsvordering tot vernietiging van een verdeling op grond van artikel 3:196 BW een vervaltermijn noemt van 3 jaar na de verdeling. Van belang is dan dat de overeenkomst van 22 oktober 2020 strikt genomen geen (overeenkomst van) verdeling is; het is een overeenkomst tot verdeling, die partijen verplichtte om de daarin opgenomen verdeling – door tussenkomst van een notaris – uit te voeren. Voor toepassing van artikel 3:196 BW geldt deze overeenkomst echter toch als een “verdeling” als in dat artikel genoemd (zie ECLI:NL:PHR:2019:1006, met verwijzing naar HR NJ 1996, 499). Dat betekent dat een beroep op de vernietigbaarheid van deze overeenkomst (ook nu de verdeling niet is uitgevoerd) mogelijk was tot 3 jaar na de datum waarop de overeenkomst was gesloten, dus uiterlijk op 22 oktober 2023. De vrouw heeft voor het eerst een beroep op de vernietigingsgrond van artikel 3:196 BW bij dagvaarding, dus op 11 september 2024, en daarmee dus te laat. De rechtbank zal aan de stellingen van de vrouw op dit punt dus voorbijgaan, en geen nader onderzoek doen naar de vermogenssituatie (die bij een verdeling moest worden betrokken) van partijen.

De rechtbank dient – gezien het vorenstaande – wel te beoordelen of bij de totstandkoming van de overeenkomst aan de zijde van de man sprake is geweest van bedreiging of van misbruik van omstandigheden, zoals door de vrouw gesteld. De vrouw heeft daartoe vooral omstandigheden aangevoerd, die plaatsvonden nadat de overeenkomst al was gesloten (namelijk van rond de periode dat partijen in 2022 uit elkaar gingen). De gestelde feiten – betrekking hebbend op hoe de man de vrouw toen in de relatie zou hebben bejegend (de vrouw spreekt van een destructieve relatie) – zijn verder vooral in algemene termen verwoord, en niet concreet onderbouwd. Dat de man de vrouw heeft bewogen tot het sluiten van de overeenkomst door haar met enig nadeel te bedreigen, dan wel dat hij de totstandkoming van de overeenkomst heeft bevorderd, terwijl hij wist of moest begrijpen dat de vrouw door noodtoestand, afhankelijkheid, lichtzinnigheid, abnormale geestestoestand of onervarenheid daartoe werd bewogen, kan uit hetgeen is gesteld, niet feitelijk blijken. Het beroep op beide wilsgebreken wordt dan ook verworpen.

Waar de vrouw heeft gesteld dat de man jegens haar onrechtmatig heeft gehandeld, geldt hetzelfde. De vrouw heeft onvoldoende met feiten en omstandigheden onderbouwd waaruit het onrechtmatig handelen van de man zou hebben bestaan, en hoe dit haar zou hebben gebracht tot het sluiten van de overeenkomst.

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen komt de rechtbank tot de conclusie dat op 22 oktober 2020 tussen partijen rechtsgeldig een overeenkomst is tot stand gekomen.

Dan komt aan de orde de vraag of de overeenkomst door omstandigheden na 22 oktober 2020 – zoals de vrouw heeft gesteld – zijn geldigheid heeft verloren, dan wel (zoals de vrouw het noemt) is vervallen (vereiste sub (c)).

De rechtbank stelt voorop dat een enkel “niets doen” nadat de overeenkomst was gesloten niet zonder meer met zich brengt, dat de overeenkomst tussen partijen zijn geldigheid heeft verloren. Uit hetgeen door partijen is gesteld blijkt enkel dat partijen met de overeenkomst feitelijk weinig hebben gedaan, De overeenkomst is naar de notaris gebracht, meer deze heeft er geen gevolg aan gegeven, en twee jaar later het stuk teruggestuurd. Partijen zijn samengebleven en hebben in hun gezamenlijke vermogen veranderingen aangebracht; zo is het appartement in 2021 verkocht en is de in de overeenkomst genoemde auto ingeruild voor een andere. Zoals hiervoor onder 4.3.5 al is overwogen, staat vast dat partijen op enig moment een stuk (nagenoeg gelijkluidend als de overeenkomst van 22 oktober 2020) hebben opgesteld en beiden ondertekend, waarin – naar is aan te nemen: na de verkoop ervan – het appartement niet meer wordt genoemd; dit lijkt er op te wijzen dat ook na die verkoop partijen nog nakoming van de overeenkomst wensten. De rechtbank ziet in dit (niet-)handelen van partijen dan ook geen grond om tot de conclusie te komen dat de partijen hun rechten uit de overeenkomst hebben verwerkt, en de overeenkomst tussen partijen dus niet meer zou gelden. Dat de notaris in zijn brief aan partijen van 4 augustus 2022 aangeeft “nog geen akte van verdeling (te kunnen) opstellen” maakt dat niet anders; die door de notaris benoemde omstandigheid betreft formele aspecten van de overeenkomt, en heeft geen betrekking op de inhoud van de in de overeenkomst opgenomen, tussen partijen gemaakte afspraken.

Voor het geval de vrouw met haar stelling dat de overeenkomst is “vervallen”, ook heeft bedoeld te stellen dat het in strijd met de redelijkheid en billijkheid is om nu nog uitvoering te vorderen van de overeenkomst, overweegt de rechtbank als volgt. Op grond van artikel 6:248, lid 2 BW is een tussen partijen als gevolg van de overeenkomst geldende regel alleen dan niet (meer) van toepassing, wanneer die toepassing in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn.

Welke omstandigheden in dit geval zouden maken, dat de toepassing van enige regel uit de overeenkomst naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn, is door de vrouw niet concreet gesteld. Haar stellingen betreffen met name de totstandkoming van de overeenkomst in 2020; aan die stellingen is de rechtbank hiervoor al gemotiveerd voorbijgegaan, en die stellingen maken niet dat enkele jaren later uitvoering van de overeenkomst alsnog naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn.

Tenslotte zal moet worden beoordeeld of partijen – zoals de man heeft gesteld – in de overeenkomst de vermogensrechtelijke afwikkeling van hun relatie uitputtend hebben geregeld (vereiste sub (d)).

Bij de beoordeling van deze stelling zal de rechtbank de letterlijke tekst van de overeenkomst (voor zover deze betrekking heeft op de vermogensrechtelijke afwikkeling tussen partijen) als uitganspunt nemen. De eerste zin houdt in dat de vrouw “afstand doe(t) van alle lopende hypotheken en bezittingen in onroerend goed opgebouwd tijdens mijn relatie met [de man] ”. Vervolgens gaat de tekst over de wijze waarop deze afstand tussen partijen zal worden uitgevoerd. Daarna wordt in de overeenkomst gesproken over twee, door de vrouw gestelde voorwaarden: “jij zal mij een bedrag van 25.000 euro overmaken, en hebt mij beloofd mij niet de deur uit te zetten zonder geschikt nieuw onderkomen”.

Dit deel van de overeenkomst betreft aldus een regeling betreffende (alleen) de onroerende zaken en hypotheken van partijen, niet meer. Verderop in de overeenkomst staat nog een afspraak over een auto en de inboedel: “Tevens zal de auto (…) voor mij zijn, en alle spullen in huis die ik heb aangeschaft in de loop der jaren” en een afspraak over de mogelijke gevolgen voor de vrouw bij de Belastingdienst. Tenslotte eindigt de overeenkomst met de zinsnede “Als dit allemaal juist is afgerond heeft (de vrouw) geen enkele financiële rechten of plichten meer t.a.v. deze woningen”.

Dat het de bedoeling was van partijen om met de overeenkomst ook de afwikkeling van andere dan de in die overeenkomst uitdrukkelijk genoemde vermogensbestanddelen te regelen, kan uit de tekst niet blijken. Partijen hebben ook geen andere feiten en omstandigheden aangevoerd, die op (de bedoeling tot) een dergelijke alomvattendheid wijzen. De man stelt die bedoeling wel, maar onderbouwd dat niet, terwijl deze stelling voorts moeilijk is te rijmen met zijn pertinente stelling dat het initiatief voor de overeenkomst niet van hem is uitgegaan, maar dat hij in deze steeds de vrouw (die de alomvattendheid betwist) heeft gevolgd. De rechtbank gaat dan ook aan die stelling voorbij. De conclusie moet dan zijn dat de overeenkomst enkel gaat over de hiervoor in de citaten uit de overeenkomst genoemde vermogensbestanddelen. Over andere gezamenlijke vermogensbestanddelen hebben partijen in de overeenkomst geen afspraken gemaakt; over de verdeling/afwikkeling daarvan zal dus afzonderlijk moeten worden beslist.

De slotsom van hetgeen hiervoor is overwogen moet zijn, dat partijen op 22 oktober 2020 rechtsgeldig een overeenkomst hebben gesloten – welke overeenkomst ook nu nog tussen hen geldt – over hoe na hun uiteengaan de gezamenlijke onroerende zaken en hypotheken, de auto en de inboedel tussen hen zouden moeten worden afgewikkeld.

de woning en de hypothecaire schuld

Het voorgaande betekent dat voor de afwikkeling tussen partijen van de gezamenlijke onroerende zaken en de hypothecaire schulden – dat zijn de woning en de hypothecaire schuld bij de Volksbank N.V. – de overeenkomst bepalend is. De woning komt aan de man toe en de man zal de hypothecaire schuld als zijn eigen schuld op zich dienen te nemen en dienen te voldoen, terwijl de vrouw dient te worden ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor die hypothecaire schuld. De man dient verder een bedrag van

€ 25.000,-- aan de vrouw te betalen. Al hetgeen verder over de (verdeling van de) woning en de hypothecaire schuld in de stukken en op de mondelinge behandeling is gesteld behoeft dan geen nadere beoordeling meer.

Voor de ingestelde vorderingen betekent een en ander, dat die van de vrouw onder 2, 3, 4 en 5 zullen worden afgewezen, en die van de man onder I (voor zover betrekking hebbend op de woning, de hypothecaire schuld en de betaling van € 25.000,--) en II primair– nu de vrouw zich tegen de daarin opgenomen uitwerking van de afspraken uit de overeenkomst van 22 oktober 2020 niet heeft verzet – op onderstaande wijze zullen worden toegewezen. Omdat het vorenstaande met zich brengt dat inzage van de (hoogte van de) hypothecaire lening door de vrouw niet noodzakelijk is, zal de vordering van de vrouw onder 1, die strekt tot afgifte/overlegging van stukken, voor zover die betrekking heeft op de hypothecaire lening, worden afgewezen.

de overige mogelijk gemeenschappelijke vermogensbestanddelen

De vrouw heeft vorderingen ingediend die betrekking hebben op de verdeling van de saldi van de op beider naam staande bankrekeningen en van de inboedel van de echtelijke woning. De bankrekeningen worden in de hiervoor vastgestelde overeenkomst tussen partijen niet genoemd; anders dan de man stelt kan dus niet op grond van die overeenkomst worden vastgesteld dat de saldi van die rekeningen alleen aan de man toekomen. De rechtbank zal over de vraag of deze saldi dienen te worden verdeeld en zo ja, op welke wijze, hierna beslissen. Verder zijn partijen niet tot overeenstemming kunnen komen over de afwikkeling van de gezamenlijke inboedel; de daarover in de overeenkomst gemaakte afspraak biedt hen daarvoor – kennelijk – onvoldoende handvatten. Ook hierover zal de rechtbank dus moeten beslissen.

de (saldi van de) bankrekeningen

Vast staat dat er in elk geval twee bankrekeningen zijn die op naam staan van beide partijen, namelijk een betaalrekening bij de Rabobank met nummer [rekeningnummer 1] en een betaalrekening bij de ING met nummer [rekeningnummer 2] . De man heeft gevorderd dat de rekening bij de Rabobank op naam van alleen de vrouw dient te worden gesteld, en die bij de ING op alleen zijn naam. De vrouw heeft daarmee ingestemd, zodat de rechtbank aldus zal beslissen. Bij de door beide partijen gevorderde veroordeling van de ander tot medewerking aan wijziging van de tenaamstelling van de bankrekeningen, hebben partijen – nu zij het over die wijziging eens zijn en er dus op dit punt feitelijk geen geschil tussen hen bestaat – geen belang (meer); de betreffende vorderingen zullen worden afgewezen.

Vervolgens heeft de vrouw gevorderd de saldi van deze betaalrekeningen per 3 september 2020 tussen partijen te verdelen. De man betwist dat, stellende dat de saldi niet gemeenschappelijk zijn, maar aan alleen hem toebehoren. Hierover zal dus eerst moeten worden beslist. De enkele tenaamstelling van een bankrekening op beider naam is niet doorslaggevend voor de vaststelling dat (ook) het saldo op die rekening gemeenschappelijk is. Uit de stukken blijkt evenwel dat de beide bankrekeningen eerder op naam stonden van één van partijen en in april 2021 op beider naam zijn gezet. Deze destijds kennelijk door partijen bewust tot stand gebrachte wijziging van de tenaamstelling van de bankrekeningen ziet de rechtbank – nu partijen geen andere toelichting daarop hebben gegeven – als een aanwijzing voor hun bedoeling om de bankrekeningen feitelijk gezamenlijk te gaan gebruiken, waardoor ook het saldo daarop gezamenlijk zou worden. Die aanwijzing kan gemotiveerd worden weerlegd. De man heeft gesteld dat een gezamenlijk gebruik niet heeft plaatsgevonden, maar dat de rekeningen alleen met door hem verworven gelden zijn gevoed. Bij juistheid van die stelling zou voornoemde aanwijzing zijn weerlegd. De vrouw heeft de stelling van de man echter betwist, daarbij verwijzend naar bankafschriften, waaruit blijkt dat inkomsten uit verhuur en verkoop van onroerende zaken op deze rekeningen werden gestort. Die feiten zijn door de man niet betwist. De genoemde inkomsten moeten (ook voor zover zij zijn ontvangen op een moment dat de bankrekeningen nog niet op beider naam stonden) als gezamenlijke inkomsten worden beschouwd, omdat de onroerende zaken ook gezamenlijk waren. Dat mogelijk – zoals de man stelt – die onroerende zaken van alleen zijn vermogen zijn aangeschaft, maakt dat niet anders; partijen hebben ervoor gekozen de onroerende zaken gezamenlijk eigendom te maken, en dat heeft voor de inkomsten daaruit (uit verhuur en/of uit verkoop) tot gevolg, dat die gezamenlijk zijn. Voorts blijkt uit de overgelegde stukken dat het inkomen dat de vrouw ontving uit het bedrijf van de man op (één van) de genoemde bankrekeningen werd gestort. Aldus staat naar het oordeel van de rechtbank voldoende vast dat de bankrekeningen door beide partijen – en niet door alleen de man – werden gevoed. Onder deze omstandigheden kan de stelling van de man dat het saldo van de rekening bij ING ten tijde van de wijziging van de tenaamstelling naar gezamenlijk hoger was dan op de peildatum, hem niet baten. Ook de omstandigheid dat het de man was, die de saldi van bankrekeningen in zijn belastingaangifte opnam, doet aan het vorenstaande niet af. Al het bovenstaande brengt de rechtbank tot het oordeel dat de saldi van de beide bankrekeningen op de peildatum (door beide partijen in beginsel gesteld op 3 september 2022) gemeenschappelijk zijn en dienen te worden verdeeld. Dat na de peildatum door een van partijen nog transacties zijn verricht ten laste of ten bate van de bankrekening die nu aan de andere partij wordt toegedeeld, is niet gebleken, zodat van de saldi per die peildatum kan worden uitgegaan.

Partijen zijn het erover eens dat het saldo van de bankrekening bij ING op de de peildatum € 35.166,47 bedroeg. Dit saldo zal tussen partijen bij helfte dienen te worden gedeeld. Nu (het saldo van) de rekening wordt toegedeeld aan de man, zal hij – uit hoofde van overbedeling – de helft van genoemd saldo, dus € 17.583,24, aan de vrouw dienen te voldoen.

De vrouw heeft bij haar nadere akte nog een aan de rekening bij ING gekoppelde, gezamenlijke beleggingsrekening genoemd, alsmede een gezamenlijke spaarrekening, met saldi van respectievelijk € 201.683,90 en € 4.997,99. Zij vordert verdeling van ook deze saldi. De man stelt ook hier dat deze rekeningen door uitsluitend zijn vermogen zijn gevuld, en dus niet voor verdeling in aanmerking komen.

Als onbetwist staat vast dat de betreffende beleggingsrekening en spaarrekening tot april 2021 op alleen de naam van de man hebben gestaan. Ook deze rekeningen zijn vervolgens op beider naam gezet. Zoals eerder gesteld, is die gewijzigde tenaamstelling een aanwijzing van de bedoeling om de saldi gezamenlijk te maken; die tenaamstelling alleen is daartoe echter niet voldoende.

Ten aanzien van de beleggingsrekening staat onbetwist vast dat deze in de jaren 2020 en 2021 is gevuld vanuit de eerdergenoemde (toen nog op naam van alleen de man staande)

ING-betaalrekening. Op die rekening werden, zoals hiervoor al is vastgesteld, ook al in die jaren inkomsten uit de (verhuur en/of verkoop van) aan partijen gezamenlijk in eigendom toebehorende onroerende zaken gestort. Op grond van die omstandigheid, tezamen met de kennelijk bewuste handeling van partijen om de beleggingsrekening in april 2022 op beider naam te stellen, concludeert de rechtbank dat (het saldo op) de beleggingsrekening aan partijen gezamenlijk, ieder voor de helft, toebehoort. Ervan uitgaand dat deze rekening aan de man wordt toegedeeld, dient de man de helft van het saldo op de peildatum, zijnde – nu dat saldo onbetwist € 201.683,90 bedraagt – € 100.841,95, aan de vrouw te voldoen.

Ten aanzien van de spaarrekening heeft de man gesteld dat deze voordat de tenaamstelling werd gewijzigd door hem alleen was gevoed, en dat er na de tenaamstelling tot de peildatum geen bedragen meer op deze rekening zijn gestort. De vrouw betwist dat ongemotiveerd; anders dan voor de beleggingsrekening laat zij niet zien hoe deze rekening volgens haar is gevuld. Voor de rechtbank staat dan voldoende vast, dat deze rekening volledig uit vermogen van de man is gevoed, en dat het saldo ervan dus niet gemeenschappelijk is. Het saldo van deze rekening komt dus aan de man alleen toe en kan niet bij een verdeling worden betrokken. De vordering van de vrouw op dat punt wordt afgewezen.

Het saldo van de betaalrekening bij de Rabobank op de peildatum zal de rechtbank met de man vaststellen op € 533,91. Dit saldo zal tussen partijen bij helfte dienen te worden gedeeld. Daarnaast zijn partijen het erover eens dat twee stortingen, die na de peildatum op deze bankrekening zijn gedaan, nog tussen partijen dienen te worden verdeeld. Het gaat om een storting van € 6.547,32 (van Stichting Beheer Derdengelden Peaks in verband met automatisch sparen bij pinnen) en de terugbetaling naar aanleiding van een eindafrekening voor energie van € 1.477,40 (Delta Energie B.V.).

Voor zover er na de peildatum nog andere transactie hebben plaatsgevonden op deze bankrekening, rekent de rechtbank ze, bij gebreke aan aanknopingspunten voor een ander oordeel, toe aan degene aan wie de rekening wordt toegedeeld, dus aan vrouw. De man hoeft daaraan niet bij te dragen.

De vrouw heeft gesteld dat bij de verdeling van de rekening bij de Rabobank ook dient te worden betrokken een na de peildatum op die rekening gestorte saldo van een in 2020 geopende, op naam van de vrouw gestelde, beleggingsrekening DEGIRO. In totaal is in maart 2023 door DEGIRO € 80.917,41 op de rekening bij de Rabobank gestort. De vrouw stelt dat dit bedrag tussen partijen dient te worden verdeeld. De man stelt dat de betreffende beleggingsrekening met alleen zijn geld is gevoed, en dat dus het genoemde bedrag volledig aan hem toekomt.

De rechtbank stelt vast dat de beleggingsrekening op naam stond van de vrouw; dat doet vermoeden dat zij moet worden beschouwd als (tenminste: één van de) rechthebbende(n) op het saldo op die rekening. Genoemd vermoeden kan onderbouwd worden weerlegd. Hetgeen de man ter weerlegging van dit vermoeden heeft aangevoerd is daartoe onvoldoende. De man heeft gesteld dat alleen hij rechthebbend is. De door hem ter onderbouwing van die stelling overgelegde overschrijvingsbewijzen van bedragen naar de beleggingsrekening geven – tegenover de door de vrouw overgelegde stukken, waaruit blijkt dat de stortingen steeds plaatsvonden vanuit de vanaf april 2022 op naam van beide partijen gestelde betaalrekening bij de Rabobank – geen enkel inzicht in (een) andere bron(nen) dan die Rabobankrekening waaruit de overgeschreven bedragen afkomstig zouden zijn geweest; de overgelegde verklaring van een vriend van de man geeft daarin evenmin enig inzicht. De man heeft aldus onvoldoende gesteld om hem tot bewijsvoering toe te laten. De rechtbank gaat aan de stellingen van de man voorbij en zal met de vrouw van uitgaan dat het saldo op de beleggingsrekening bij DEGIRO (inclusief de autonome groei daarvan na de peildatum) aan partijen gezamenlijk toebehoorde, en derhalve (inmiddels als onderdeel van het saldo op de bankrekening bij de Rabobank) tussen partijen bij helfte dient te worden verdeeld.

Nu de vrouw de stukken betreffende de onderhavige beleggingsrekening heeft overgelegd, heeft de man bij zijn vordering daartoe geen belang meer; deze vordering wordt afgewezen.

Nu (het saldo van) de bankrekening bij de Rabobank wordt toegedeeld aan de vrouw, zal zij – uit hoofde van overbedeling – de helft van saldo per de peildatum, dus

€ 266,95, de helft van de in 4.12.1 genoemde stortingen van na de peildatum (€ 4.012,36) en de helft van het na de peildatum door DEGIRO op deze rekening gestorte saldo van de beleggingsrekening, dus € 40.458,71, aan de man dienen te voldoen.

De rechtbank zal partijen dus over en weer veroordelen na toedeling van de bankrekeningen bedragen aan elkaar te betalen; die betalingen kunnen – zoals de vrouw van de man vordert – probleemloos binnen 14 dagen na heden worden gedaan, nu het geld daarvoor beschikbaar is. De rechtbank zal die termijn dus voor de door te man te verrichten betaling vaststellen. Nu de man niet in verzuim is – zijn verplichting te betalen wordt pas bij dit vonnis vastgesteld – is er geen grondslag voor het vaststellen van door hem te betalen wettelijke rente vanaf de dag van de dagvaarding, zoals door de vrouw gevorderd. Dat deel van de vordering zal worden afgewezen. Omdat het vorenstaande met zich brengt dat inzage van de (hoogte van de) saldi van de bankrekeningen door de vrouw niet noodzakelijk is, zal de vordering van de vrouw onder 1, voor zover die betrekking heeft op de bankrekeningen, worden afgewezen.

de inboedel

Partijen hebben tijdens de mondelinge behandeling de afspraak gemaakt om de verdeling van de door de vrouw genoemde inboedelgoederen in onderling overleg nader te regelen. Blijkens de nadien genomen aktes heeft de vrouw enkele van de door haar gevorderde spullen uit de woning ontvangen. Vervolgens is tussen partijen geen overeenstemming kunnen ontstaan over de wijze waarop de overige spullen – zo die er (nog) zijn – zouden worden opgezocht en overgedragen.

De rechtbank stelt vast dat de man erkent dat de door de vrouw genoemde spullen (voor zover het niet de spullen van de kinderen betreft), als deze er zijn, aan de vrouw kunnen worden toegedeeld. Dat betekent dat (rekening houdend met wat zij al heeft ontvangen) aan de vrouw zullen worden toegedeeld:

- Fototoestel Canon

- Sieraden + zonnebril Ralph Lauren

- Alle dameskleding & schoenen die nog aanwezig zij

- Tennistas + racket

- Doos van Macbook Air.

Daarnaast heeft de vrouw naar het oordeel van de rechtbank recht op exemplaren van de foto’s van de kinderen van partijen, dus ofwel zal aan haar de externe harde schijf met die foto’s ter beschikking moeten worden gesteld (zodat zij de foto’s die zij wil hebben, voor zichzelf kan overnemen) dan wel zullen aan haar de bestaande fotoalbums dienen te worden afgegeven. Van de overige door de vrouw gevorderde spullen moet worden vastgesteld dat het gaat om spullen van de kinderen, met name van de inmiddels 13 jaar oude [naam 1] . De rechtbank beschouwt dat niet als inboedelgoederen; het is aan partijen om – in overleg met de kinderen, met name met [naam 1] – te bepalen bij wie deze spullen dienen te zijn.

Nu de aan de vrouw over te dragen inboedelgoederen – zo ze er (nog) zijn – zich bevinden in de nu door de man alleen bewoonde, gemeenschappelijke woning van partijen, mag van de man de nodige medewerking worden gevergd aan de overdracht ervan. Op de mondelinge behandeling is al besproken dat de vrouw in de woning zal moeten worden toegelaten, teneinde zelf de spullen op te zoeken. Daarmee heeft de man toen ingestemd. Dat de vrouw daarbij een bij beide partijen bekende derde wil meenemen oordeelt de rechtbank gelet op de gespannen verhouding tussen partijen niet onredelijk. Daarom zal de rechtbank de man veroordelen om de hiervoor genoemde inboedelgoederen en fotoalbums dan wel de externe harde schijf aan de vrouw af te geven, waarbij hij de vrouw binnen 14 dagen na heden eenmalig de gelegenheid dient te geven om samen met de door haar genoemde derde in de woning naar die goederen te zoeken, en wanneer zij die vindt, deze mee te nemen. Gelet op de houding van de man zal de rechtbank aan eventuele niet-nakoming van die veroordeling een dwangsom verbinden, zoals hieronder verder uitgewerkt.

de auto

Bij het uiteengaan van partijen beschikten zij over een auto, Volkswagen Golf met [kenteken 2] , die toen werd gebruikt door de vrouw en ook op haar naam stond. De auto is bij de man gebleven en door hem op zijn naam gezet. Partijen zijn het erover eens dat de auto bij de man kan blijven; de vrouw vordert voor dat geval een door de man aan haar te betalen vergoeding van € 5.000,--. De man stelt dat de auto zijn eigendom was en is (hij heeft de volledige aankoopprijs betaald), en dat er geen reden is voor toedeling en/of een aan de vrouw te betalen vergoeding.

De rechtbank stelt vast dat de partijen in hun stellingen niet helder zijn. De vrouw lijkt te stellen dat de auto haar eigendom was, en dat zij bij toedeling aan de man daarvoor een vergoeding wil ontvangen, waarbij zij wel rekening lijkt te willen houden met ook door de man voor de aanschaf van de auto gedane betalingen (hoewel ze die betalingen betwist), de man stelt dat de auto volledig zijn eigendom was en door hem is betaald, terwijl hij ook erkent dat de vrouw in het verleden met een in te ruilen auto heeft bijgedragen aan de aankoopprijs van de toen aangekochte voorganger van de huidige auto.

Op grond van de stukken en de stellingen van partijen stelt de rechtbank vast dat de factuur voor de in 2022 aangeschafte auto op naam stond van de vrouw, dat na aanschaf de auto op naam stond van de vrouw en dat de vrouw de auto gebruikte tot het moment van uiteengaan van partijen. Verder staat vast dat de vrouw in 2012 een Kia Picanto ter inruil heeft ingebracht voor een toen gekochte auto, waarna in de jaren daarna door partijen steeds opnieuw een auto werd ingeruild voor een andere, als laatste in 2022, toen een Audi werd ingeruild voor de onderhavige auto. Hoe – en door wie – de (bij-)betalingen voor de auto’s zijn gedaan, is niet met stukken onderbouwd.

Op grond van het bovenstaande gaat de rechtbank ervan uit dat partijen beide aan de auto hebben betaalden beschouwt zij – nu zij de aandelen van elk van partijen niet kan vaststellen – de auto als een gemeenschappelijk eigendom van partijen, ieder – op grond van artikel 3:166, lid 2 BW – voor een gelijk aandeel, waarvan nu de verdeling aan de orde is. Partijen zijn het eens over de toedeling aan de man. De man zal dan wegens overbedeling de helft van de waarde van de auto aan de vrouw dienen te vergoeden. Partijen hebben geen stukken overgelegd, die inzicht geven in de waarde van de auto. Uit de wel overgelegde factuur van de aankoop in 2022 blijkt dat toen een prijs van € 37.950,-- voor de auto is betaald. In dat licht oordeelt de rechtbank de door de vrouw genoemde huidige waarde van de auto van € 10.000,-- niet onredelijk. De man zal dus € 5.000,-- aan de vrouw dienen te vergoeden. Met verwijzing naar hetgeen is overwogen onder 4.12.4 zal de rechtbank de door de vrouw voor deze betaling gevorderde termijn van 14 dagen vaststellen, en de gevorderde wettelijke rente afwijzen.

vorderingen van de man

De man heeft gevorderd voor recht te verklaren dat de vrouw (na intrekking tijdens de mondelinge behandeling van een gestelde schuld van € 1.000,--) aan hem nog een tweetal schulden heeft, welke bedragen belopen van respectievelijk € 23.000,-- en € 5.500,--.

De man stelt dat hij in overleg met de vrouw in 2022 een woning had gekocht die zij na uiteengaan van partijen zou kunnen bewonen, maar dat de vrouw deze woning bij nader inzien niet wilde gaan bewonen, waarna hij de woning niet heeft afgenomen. Als gevolg daarvan werd hij aan de eigenaar van een woning een boete verschuldigd van

€ 23.000,--. De man stelt dat de vrouw jegens hem onrechtmatig heeft gehandeld door de woning niet meer te willen, en daarom aansprakelijk is voor deze boete en deze dus aan hem dient te vergoeden. De vrouw heeft betwist dat zij met de man afspraken heeft gemaakt over aankoop van de woning.

Vast staat dat partijen over de hier bedoelde woning als door de vrouw te bewonen hebben gesproken en dat de vrouw de woning heeft bekeken. Zij heeft er ook enige tijd gewoond; zij huurde toen rechtstreeks van de eigenaar. Dat tussen partijen de afspraak was gemaakt dat de man de woning ten behoeve van de vrouw zou kopen, is door de man op geen enkele wijze onderbouwd; verwezen wordt naar WhatsAppcorrespondentie, maar die is niet overgelegd. De rechtbank kan de gestelde afspraak dan ook niet vaststellen, en ziet ook onvoldoende onderbouwing om de man tot bewijs ervan toe te laten. De stelling dat de vrouw jegens de man onrechtmatig zou hebben gehandeld, is dus onvoldoende feitelijk onderbouwd. De vordering van de man zal al om die reden moeten worden afgewezen.

De man stelt voorts dat hij, na toestemming van de vrouw, in 2023 een vakantie met de kinderen had geboekt en daarvoor € 5.500,-- heeft betaald. De vrouw heeft vervolgens haar toestemming ingetrokken, waardoor de man niet met de kinderen op vakantie is kunnen gaan. Hij stelt dat de vrouw voor deze door hem vergeefs gemaakte kosten aansprakelijk is. De vrouw betwist dat zij toestemming had gegeven voor de vakantie en stelt dat de man de gestelde kosten op geen enkele wijze heeft onderbouwd.

De rechtbank stelt vast dat de man zijn stelling dat hij voor een feitelijk niet gemaakte vakantiereis met de kinderen € 5.500,-- heeft betaald op geen enkele wijze heeft onderbouwd. In het midden kan dan blijven of de vrouw wel of niet voor die reis toestemming had gegeven en die later weer heeft ingetrokken. De vordering moet worden afgewezen.

De man heeft verder gevorderd dat de vrouw inzage geeft in de bankafschriften van haar betaalrekeningen met de nummers [rekeningnummer 4] en [rekeningnummer 5] voor de periode 27 april 2021 tot de peildatum 3 september 2022. Hij stelt dat aan de eerdergenoemde (vanaf 27 april 2021 op naam van beide partijen gestelde) betaalrekening bij de Rabobank, bedragen zijn onttrokken ten voordele van de genoemde betaalrekeningen van de vrouw. Hij stelt dat de vrouw aldus tot de gemeenschap behorend geld opzettelijk verzwijgt, zoekmaakt of verborgen houdt, en daarom haar aandeel daarin aan de man verbeurt (artikel 3:194, lid 2 BW).

De vrouw heeft aangegeven dat de rekeningen privérekeningen betreffen. De rekening met nummer [rekeningnummer 5] is halverwege 2023 opgeheven en kan niet meer (digitaal) worden ingezien. Van de rekening met nummer [rekeningnummer 4] stelt de vrouw dat deze rekening, dan wel het saldo ervan geen onderdeel uitmaakt van de financiële afwikkeling van de relatie van partijen. Voor zover er stortingen op deze rekening hebben plaatsgevonden vanaf de gezamenlijke betaalrekening bij de Rabobank gebeurde dat steeds met instemming van de man en zijn de bedragen steeds na enige tijd weer teruggestort naar genoemde gezamenlijke rekening.

Door de enkele overlegging van kopieën van bankafschriften van de gezamenlijke betaalrekening van partijen over een periode van ruim 16 maanden (26 april 2021 tot en met 3 september 2022) zonder enige verwijzing naar stortingen of onttrekkingen, heeft de man zijn stelling dat de vrouw gelden vanaf deze rekening zou hebben weggesluisd naar eigen bankrekeningen onvoldoende onderbouwd, zeker nu de vrouw zijn stellingen gemotiveerd, en met stukken onderbouwd, heeft betwist. Daarbij merkt de rechtbank – ten overvloede – op, dat de door de man overgelegde stukken, wanneer deze toch inhoudelijk worden bekeken, geen onderbouwing bieden van zijn stelling. In die stukken is te zien dat beide partijen van andere bankrekeningen grote bedragen op de gezamenlijke rekening bij de Rabobank stortten, dat daarmee betalingen werden gedaan aan met name notarissen en dat een deel van die bedragen weer zijn teruggestort op (onder meer) de privérekening van de vrouw. Van ten onrechte onttrekken van gelden door de vrouw blijkt niet. Nu op grond van het vorenstaande het belang dat de man stelt te hebben bij overlegging van de door hem gevorderde bankafschriften onvoldoende is kunnen blijken, zal de rechtbank zijn vordering daartoe afwijzen.

fiscaal partnerschap

De man stelt dat tussen partijen de afspraak bestond dat zij voor 2022 zouden opteren voor een verlengd fiscaal partnerschap. Zij zouden hun aangifte gezamenlijk doen. Hij verwijst daartoe naar de overeenkomst van 22 oktober 2020. De vrouw is, zo stelt de man, die afspraak niet nagekomen, waardoor hij voor 2022 € 7.894,-- meer belasting heeft moeten betalen. Hij vordert dat bedrag van de vrouw. De vrouw betwist verplicht te zijn geweest mee te werken aan een verlengd fiscaal partnerschap; partijen hebben daarover geen afspraak gemaakt.

De rechtbank stelt vast dat in de overeenkomst van 22 oktober 2020 het navolgende is overeengekomen ten aanzien van de fiscale gevolgen van het uiteengaan van partijen:

We hebben altijd samen aangifte bij de Belastingdienst gedaan, en er is mij een percentage grondslag sparen en beleggen toegekend waar ik voor werd belast. Mocht dit in de toekomst onverhoopt gebeuren, zullen de eventuele kosten die hieruit voortvloeien zijn voor [de man] .

Uit deze passage is niet de afspraak af te leiden dat partijen bij uiteengaan kiezen voor een verlengd fiscaal partnerschap. Er valt enkel de afspraak in te lezen dat in het geval de vrouw na uiteengaan zou worden belast met een aanslag in verband inkomsten uit het aan haar toegekende percentage van de door partijen opgegeven spaar- en beleggingstegoeden, de man die kosten zou betalen. Nu ook geen andere grond is aangevoerd waarom de vrouw verplicht zou zijn geweest voor een verlengd fiscaal partnerschap te kiezen, moet de vordering van de man bij gebrek aan feitelijke grondslag worden afgewezen.

de proceskosten

Omdat partijen gewezen partners zijn en het geschil op de afwikkeling van hun samenleving betrekking heeft, ziet de rechtbank aanleiding om – onder afwijzing van de vordering van de man op dit punt – de kosten van deze procedure te compenseren, zo dat iedere partij de eigen kosten draagt. Dat de vrouw lichtvaardig met de belangen van de man zou zijn omgesprongen is – nu uit het vorenstaande blijkt dat partijen in hun eerdere debat beiden in rechte niet houdbare stellingen hebben ingenomen – niet gebleken.

uitvoerbaarheid bij voorraad

De vrouw heeft gevorderd het in reconventie te wijzen vonnis – in geval daarbij vorderingen van de man worden toegewezen – niet uitvoerbaar bij voorbaat te verklaren. Zij geeft daarvoor enkel als grond dat zij tegen een dergelijk oordeel zeker in hoger beroep zal gaan. Nu zij evenwel geen gronden heeft aangevoerd waarom uitvoerbaarheid bij voorraad, zoals door de man gevorderd, haar belangen zo onevenredig zal raken dat van de man mag worden gevergd dat hij in geval de vrouw hoger beroep instelt niet begint met de tenuitvoerlegging van het vonnis, zal de rechtbank die vordering afwijzen, en haar vonnis zowel in conventie als in reconventie uitvoerbaar bij voorraad verklaren.

De rechtbank zal overeenkomstig het vorenstaande beslissen. Hetgeen meer of anders is gevorderd wordt afwezen.

5. De beslissing

De rechtbank

in conventie en in reconventie

veroordeelt de vrouw tot nakoming van de door partijen ondertekende overeenkomst, hetgeen betekent dat:

- de woning binnen vier maanden na heden bij een door de man aan te wijzen notaris aan de man dient te worden toegedeeld/notarieel geleverd;

- de man ervoor dient te zorgen dat de vrouw gelijktijdig met de notariële levering van de woning aan hem wordt ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening bij de Volksbank N.V., handelend onder de naam BLG Wonen;

- de man aan de notaris de opdracht geeft de akte van verdeling op te stellen;

- de financieringskosten, de notariskosten en de overige kosten voor de overname door de man van het aandeel van de vrouw in de woning door de man worden betaald en gedragen;

- vóór de datum van toedeling levering van de woning aan de man, de man ten behoeve van de vrouw € 25.000,-- overmaakt naar de derdengeldrekening van de door de man aan te wijzen notaris;

en voor het geval de vrouw niet binnen vier maanden na de datum van het vonnis van de rechtbank meewerkt aan de toedeling/notariële levering van de woning aan de man:

bepaalt dat dit vonnis in de plaats komt van de noodzakelijke toestemming en/of wilsverklaring en/of handtekening van de vrouw voor de eigendomsoverdracht van de woning via/bij de door de man aan te wijzen notaris aan de man, althans dat het vonnis van de rechtbank in de plaats treedt van de tot de toedeling/notariële levering van de woning aan de man bestemde akte van verdeling;

deelt toe aan de man de bankrekeningen bij de ING met nummers [rekeningnummer 2] , [nummer 1] en [nummer 2] , bepaalt dat deze rekeningen op alleen zijn naam dienen te worden gezet en veroordeelt de man tot betaling aan de vrouw (uit hoofde van overbedeling) van een bedrag van € 118.425,19, zulks binnen 14 dagen na heden;

deelt toe aan de vrouw de bankrekening bij de Rabobank met nummer [rekeningnummer 6] , bepaalt dat deze rekening op alleen haar naam dient te worden gezet en veroordeelt de vrouw tot betaling aan de man (uit hoofde van overbedeling) van een bedrag van € 44.737,02;

veroordeelt man om de navolgende inboedelgoederen:

- Fototoestel Canon

- Sieraden + zonnebril Ralph Lauren

- Alle dameskleding & schoenen die nog aanwezig zij

- Tennistas + racket

- Doos van Macbook Air

en fotoalbums van de kinderen dan wel de daarop betrekking hebbende externe harde schijf aan de vrouw af te geven, waarbij hij de vrouw binnen 14 dagen na heden eenmalig de gelegenheid dient te geven om samen met de door haar genoemde derde in de woning naar die goederen te zoeken, en wanneer zij die vindt, deze mee te nemen,

zulks op straffe van een dwangsom van € 50,-- per dag dat de man (na genoemde termijn) in gebreke blijft tot nakoming van deze veroordeling, met een maximum van € 1.000,--;

deelt de auto, Volkswagen Golf met [kenteken 2] , toe aan de man en veroordeelt de man om wegens overbedeling aan de vrouw te betalen een bedrag van € 5.000,--, zulks binnen 14 dagen na heden;

compenseert de proceskosten zodat iedere partij de eigen kosten draagt;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

Dit vonnis is gewezen door mr. Van Dijk en in het openbaar uitgesproken op 19 november 2025.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?