beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Breda
Zaaknummer: C/02/389086 / FA RK 21-4005
datum uitspraak: 24 december 2025
Nadere beschikking over wijziging ouderlijk gezag, vaststelling/wijziging hoofdverblijfplaats, wijziging zorg- en contactregeling en wijziging kinderalimentatie
in de zaak van
[de man] ,
hierna te noemen: de man,
wonende te [woonplaats],
advocaat: mr. D.W.M. de Haan te Oosterhout,
en
[de vrouw] ,
hierna te noemen: de vrouw,
thans zonder bekende feitelijke woon- of verblijfplaats,
advocaat: mr. V. de Roo te Rotterdam,
over de minderjarige
[minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2022 in [geboorteplaats],
hierna te noemen: [minderjarige].
De rechtbank merkt in deze zaak als informant aan:
STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,
gevestigd te Etten-Leur,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (hierna: GI).
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
- de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Breda,
hierna te noemen: de Raad, om de rechtbank over de verzoeken te adviseren.
1. Het verdere procesverloop
Het nadere procesverloop bestaat uit de volgende stukken:
- de in deze zaak gegeven beschikking van 8 september 2025 en alle daarin genoemde stukken:
- het F9-formulier van mr. de Haan van 19 november 2025.
Op 26 november 2025 heeft de rechtbank de mondelinge behandeling ter zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig en zijn gehoord:
de man, bijgestaan door mr. De Haan;
mr. J. Koenen, waarnemende mr. De Roo, namens de vrouw;
twee vertegenwoordigers van de GI;
een vertegenwoordiger van de Raad.
De vrouw is correct opgeroepen en in de gelegenheid gesteld om bij noodzaak digitaal bij de mondelinge behandeling ter zitting aanwezig te zijn. Desondanks is de vrouw niet bij de mondelinge behandeling verschenen. De rechtbank heeft daarom bepaald de mondelinge behandeling ter zitting voort te zetten in afwezigheid van de vrouw.
Gelet op de nauwe samenhang tussen onderhavige verzoeken van de man en het verzoek van de GI tot verlenging van de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met zaaknummer C/02/441737 / JE RK 25-1991, zijn deze verzoeken ter zitting gezamenlijk behandeld. In de zaak over de ondertoezichtstelling is bij afzonderlijke beschikking beslist.
2. De nadere beoordeling
De verzoeken
Thans ligt nog ter beoordeling voor de verzoeken van de man om:
in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, samengevat, tussen partijen de definitieve contactregeling tussen hem en [minderjarige] vast te stellen;
voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, voor recht te verklaren dat het hoofdverblijf van [minderjarige] per 19 juni 2024 bij de man is gelegen, althans te bepalen dat het hoofdverblijf van [minderjarige] per voormelde datum bij de man is gelegen, dan wel per een door de rechtbank te bepalen datum;
voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, aan de man toestemming te verlenen, ter vervanging van de ontbrekende toestemming van de vrouw, voor inschrijving van [minderjarige] op het adres van de man;
voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het gezamenlijk ouderlijk gezag van partijen over [minderjarige] te wijzigen in die zin dat het ouderlijk gezag over [minderjarige] voortaan aan de man alleen toekomt;
voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat de vrouw, met ingang van de datum van het verzoekschrift, maandelijks en steeds bij vooruitbetaling in het kader van de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] aan de man dient te voldoen een bedrag van minimaal € 25,=, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag;
voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, voor recht te verklaren dat de man met ingang van 18 juni 2024 niet meer gehouden is enig bedrag aan de vrouw te voldoen ter zake de kosten in de verzorging en opvoeding van [minderjarige], zoals bepaald bij beschikking van 21 juni 2022.
De voorgaande beschikking
Bij voormelde beschikking van 8 september 2025 heeft de rechtbank de beslissing op de verzoeken van de man tot deze mondelinge behandeling aangehouden. Daarbij heeft de rechtbank aan de advocaat van de man verzocht om haar (onder gelijktijdige verzending aan de advocaat van de vrouw, de GI en de Raad) uiterlijk op 19 november 2026 schriftelijk te informeren over de stappen die zijn gezet om duidelijkheid te verschaffen of een inhoudelijke beslissing op de verzoeken van de man daadwerkelijk consequenties heeft voor de teruggeleidingsprocedure.
De ondertoezichtstelling
Bij beslissing van 26 november 2025, in de hiermee samenhangende zaak over de ondertoezichtstelling, heeft de kinderrechter deze maatregel met ingang van die datum ter zitting mondeling verlengd tot 26 augustus 2026. De kinderrechter heeft hierbij overwogen dat de vrouw met [minderjarige] na ongeoorloofde overbrenging van het kind (sinds juni 2024) nog steeds in het buitenland verblijft, vermoedelijk in Marokko. Naar de mening van de kinderrechter belemmert de vrouw daarmee elke vorm van contact tussen de man en [minderjarige] en houdt zij hem ook weg van zijn anderszins vertrouwde omgeving. Hierbij zijn er nog steeds de zorgen over de opvoedsituatie van [minderjarige] bij de vrouw met betrekking tot verwaarlozing en sociaal isolement. De vrouw heeft deze laatste zorgen weliswaar betwist, maar heeft die betwisting niet met nadere stukken onderbouwd, zodat de kinderrechter er van uitgaat dat er bij de vrouw nog steeds zorgen resteren over haar opvoedsituatie.
Aanwezigheid van de vrouw bij de zitting
De rechtbank is van oordeel dat de vrouw in een zo beladen zaak, met hoe dan ook vergaande consequenties voor [minderjarige], fysiek aanwezig had kunnen en moeten zijn tijdens de mondelinge behandeling. De rechtbank heeft meerdere keren aangegeven dat zij fysiek aanwezig zou moeten zijn, dan wel digitaal zou moeten aansluiten. Zij heeft er om haar moverende redenen voor gekozen noch in persoon te verschijnen noch digitaal aan te sluiten.
Eenhoofdig gezag
Ingevolge artikel 1:253n van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of een van hen het gezamenlijk gezag beëindigen, indien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Alsdan bepaalt de rechtbank aan wie van de ouders voortaan het gezag over ieder der minderjarige kinderen toekomt. Ingevolge artikel 1:253n lid 1 BW is artikel 1:251a lid 1 BW van overeenkomstige toepassing. Op grond van laatstgenoemde bepaling kan de rechter bepalen dat het gezag over minderjarigen aan één ouders toekomt indien er een onaanvaardbaar risico is dat bij instandhouding van gezamenlijk gezag van beide ouders de kinderen klem of verloren zouden raken tussen die ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen of indien wijziging van het gezag anderszins in het belang van de minderjarigen noodzakelijk is.
Als eerste moet worden beoordeeld of sprake is van een wijziging van omstandigheden. Gebleken is dat er eigenlijk sprake is van een juridische en een feitelijke werkelijkheid. De juridische werkelijkheid is dat er sprake is van gezamenlijk gezag; de feitelijke situatie is dat [minderjarige] al lang niet meer in Nederland verblijft en de moeder zijn locatie verborgen houdt van alle autoriteiten in Nederland. Alleen al deze tegenstelling in de juridische en feitelijke werkelijkheid levert een rechtens relevante wijziging van omstandigheden op, zodat het verzoek van de vader kan worden beoordeeld.
De rechtbank stelt voorop dat het uitgangspunt van de wetgever is dat de ouders in het belang van hun kind gezamenlijk zijn belast met het gezag over hun kind. Hiervan kan slechts in uitzonderlijke gevallen worden afgeweken. De kern van het gezamenlijk ouderlijk gezag is terug te vinden in artikel 1:247 BW. Daarin is bepaald dat het gezag over het kind de plicht en het recht van beide ouders omvat om het kind te verzorgen en op te voeden. Hieruit volgt dat het gezag een aan de ouder toekomend recht is en dat dit recht aan de ouder is gegeven in het belang van het kind. Onder verzorging en opvoeding worden mede verstaan de zorg en de verantwoordelijkheid voor het geestelijk en lichamelijk welzijn en de veiligheid van het kind alsmede het bevorderen van de ontwikkeling van zijn persoonlijkheid. Het ouderlijk gezag omvat mede de verplichting van de verzorgende ouder om de ontwikkeling van de banden van zijn kind met de andere ouder te bevorderen. Voor de uitoefening van gezamenlijk gezag is vereist dat de ouders beslissingen van enig belang over hun kind in gezamenlijk overleg kunnen nemen, althans dat zij ten minste in staat zijn vooraf afspraken te maken over situaties die zich rond hun kind kunnen voordoen.
Voor de rechtbank staat vast dat de vrouw [minderjarige] ongeoorloofd heeft overgebracht naar het buitenland, hoogstwaarschijnlijk naar Marokko. Hoewel de vrouw meent te hebben gehandeld uit noodzaak, omdat zij [minderjarige] moest beschermen tegen de onveilige omgeving bij de man, heeft zij op geen enkele wijze deze stelling onderbouwd. Daarentegen zijn er juist toenemende zorgen over de opvoedsituatie van [minderjarige] bij de vrouw met betrekking tot verwaarlozing en sociaal isolement. De vrouw heeft in deze procedure voldoende kansen gekregen om deze zorgen weg te nemen, maar dat heeft zij nagelaten. Er is inmiddels al meer dan anderhalf jaar geen enkel contact tussen [minderjarige] en de man. De vrouw heeft in die periode geen initiatief en/of bereidheid getoond dat zij openstaat voor (structureel) contact tussen [minderjarige] en de man en/of de man een plek te geven in het leven van [minderjarige]. De rechtbank wil niets afdoen van een eventuele onveilige gevoelens bij de vrouw, maar - wat daar ook van zij - heeft zij een zeer drastisch besluit genomen door op deze wijze uit Nederland te vertrekken en alle contact tussen [minderjarige] en de man te verbreken. Naast het niet toestaan van contact tussen [minderjarige] en de man, informeert de vrouw de man al jarenlang niet over beslissingen over [minderjarige] of betrekt zij de man bij dergelijke beslissingen. Zij stelt de man feitelijk niet in staat om zijn gezag uit te oefenen.
Uit de overgelegde stukken noch uit de stellingen tijdens de zitting blijkt van enig aanknopingspunt dat de vrouw op korte termijn bereid en in staat is haar houding ten opzichte van de man te wijzigen, zodat niet te verwachten valt dat binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zal komen in de huidige negatieve situatie. Daartegenover staat dat de man, ook tijdens de mondelinge behandeling volhardt in zijn standpunt dat hij bereid is en blijft om de vrouw een plek te geven in het leven van [minderjarige] in het geval dat zij naar Nederland zou terugkeren. Daarom stemt hij juist in met een verlenging van de ondertoezichtstelling. De man heeft bovendien bepleit (hetgeen ondersteunt is door de GI en de Centrale Autoriteit) dat het hebben van eenhoofdig gezag zijn positie in de procedure in Marokko zou kunnen versterken. Gelet op deze informatie ziet de Raad aanleiding om te adviseren om de man met het eenhoofdig gezag te belasten.
Op basis van alle feiten en omstandigheden, is de rechtbank van oordeel dat er een onaanvaardbaar risico is dat bij instandhouding van gezamenlijk gezag van beide ouders de gegronde vrees bestaat dat [minderjarige] klem of verloren zal raken tussen zijn ouders en dat niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zal komen. Het verzoek van de man om hem alleen te belasten met het ouderlijk gezag over [minderjarige] zal daarom worden toegewezen.
Hoofdverblijfplaats
Omdat de man het eenhoofdig gezag zal hebben volgt uit het bepaalde in artikel 1:12 BW dat [minderjarige] zijn hoofdverblijf bij de man heeft. De rechtbank zal het verzoek van de man om het hoofdverblijf van [minderjarige] bij hem te bepalen daarom afwijzen bij gebrek aan belang.
Omgangsregeling, dan wel verdeling van zorg- en opvoedtaken
Nu de man door deze beschikking met het eenhoofdig gezag zal worden belast en het ervoor moet worden gehouden dat [minderjarige] bij de man verblijft, heeft de man evenmin belang bij zijn verzoek tot vaststelling van een regeling betreffende de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken dan wel omgangsregeling. Hierbij komt dat in de huidige onzekere situatie ook niet zou kunnen worden bepaald welke regeling het meest in het belang van de minderjarige zou zijn. Dit verzoek van de man zal daarom eveneens worden afgewezen.
Vervangende toestemming inschrijving BRP
Het verzoek van de man om hem – ter vervanging van de ontbrekende toestemming van de vrouw – vervangende toestemming te verlenen voor inschrijving van [minderjarige] op zijn adres zal bij gebreke van belang ook worden afgewezen omdat, indien de man het eenhoofdig gezag over [minderjarige] zal hebben, hij kan bepalen waar [minderjarige] zal wonen.
Kinderalimentatie
De man heeft verzocht om (a) voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat de vrouw, met ingang van de datum van het verzoekschrift, maandelijks en steeds bij vooruitbetaling in het kader van de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] aan de man dient te voldoen een bedrag van minimaal € 25,=, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag en (b) voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, voor recht te verklaren dat de man met ingang van 18 juni 2024 niet meer gehouden is enig bedrag aan de vrouw te voldoen ter zake de kosten in de verzorging en opvoeding van [minderjarige], zoals bepaald bij beschikking van 21 juni 2022.
Hoewel [minderjarige] vanaf 2024 niet meer in Nederland verblijft naar aanleiding van de ongeoorloofde overbrenging van [minderjarige] door de vrouw, is en blijft de man financieel verplicht om een bijdrage te leveren in zijn onderhoud. Dat er sprake is van een relevant wijziging van omstandigheden door de ongeoorloofde overbrenging van [minderjarige] naar het buitenland is echter evident. Desalniettemin eindigt dit niet zonder meer de financiële verplichtingen die op de man rusten richting [minderjarige]. Daarom zal het verzoek van de man om voor recht te verklaren dat hij met ingang van 18 juni 2024 niet meer gehouden is enig bedrag aan de vrouw te voldoen worden afgewezen.
Op basis van deze beschikking wordt de man met het eenhoofdig gezag over [minderjarige] belast. Dit brengt niet alleen aan wijziging in de juridische gezagspositie over [minderjarige], maar ook in de financiële verhoudingen tussen partijen. De vrouw heeft geen inhoudelijk verweer gevoerd tegen dit verzoek. De rechtbank wijst dit verzoek toe voor zover het gaat om de hoogte van het te betalen bedrag van € 25,=.
Ten aanzien van de ingangsdatum overweegt de rechtbank als volgt. Uitgangspunt is dat de rechter een grote mate van vrijheid heeft bij het vaststellen van de ingangsdatum voor een (gewijzigde) onderhoudsbijdrage. Volgens vaste jurisprudentie moet de rechter wel terughoudendheid betrachten bij het wijzigen van een onderhoudsbijdrage met terugwerkende kracht. Door de man is verzocht om de ingangsdatum bij indiening verzoekschrift te bepalen. Naar het oordeel van de rechtbank zou dit gelet op de duur van deze procedure onredelijk zijn. De rechtbank ziet aanleiding om de bijdrage pas te laten ingaan op de datum waarop deze beschikking is gewezen namelijk 24 december 2025. Hierdoor ontstaat er geen terugbetalingsverplichting tussen partijen.
Uitvoerbaar bij voorraad
De rechtbank zal, gelet op de aard van de maatregel, de beslissing betreffende wijziging van het gezag uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht door de man. Dat betekent dat de beslissing alvast moet worden gevolgd, ook als er hoger beroep wordt ingesteld tegen deze beslissing.
Proceskosten
Gelet op de aard van de procedure zal de rechtbank bepalen dat elk van partijen de eigen kosten draagt.
3. De beslissing
De rechtbank
bepaalt dat het gezag over de [minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2022, voortaan aan de man alleen toekomt;
wijzigt voormelde beschikking van 21 juni 2022 als volgt: bepaalt dat de door de vrouw te betalen bijdrage voor de verzorging en opvoeding van de [minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2022, met ingang van 24 december 2025 wordt vastgesteld op € 25,= (vijfentwintig euro) per maand, aan de man voor de toekomst bij vooruitbetaling te voldoen
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Sumner, en in het openbaar uitgesproken op 24 december 2025, in aanwezigheid van Van Dongen, griffier.
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.