RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
vonnis
Team Familie- en Jeugdrecht
Middelburg
zaaknummer / rolnummer: C/02/442744 / KG ZA 25-658
Vonnis in kort geding van 18 december 2025 (bij vervroeging)
in de zaak van
[de vrouw] ,
wonende in [woonplaats 1] ,
eiseres in conventie,
verweerster in reconventie,
advocaat: mr. N. Groen te Den Haag,
tegen
[de man] ,
wonende te [woonplaats 2] ,
gedaagde in conventie,
eiser in reconventie,
advocaat: mr. F.C.M. Maat-Oldenhof te ’s Heer Arendskerke.
Partijen zullen hierna de vrouw en de man genoemd worden.
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend: - de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Middelburg, hierna te noemen: de Raad.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 t/m 16;
- de brief van mr. Groen van 12 december 2025 met productie 17;
- de conclusie van antwoord tevens houdende conclusie van eis in reconventie met producties 1 t/m 6;
- de door beide advocaten tijdens de zitting overgelegde en voorgedragen pleitaantekeningen;
- de zitting van 15 december 2025.
De voorzieningenrechter heeft de zaak tijdens de zitting met gesloten deuren behandeld, omdat het belang van de minderjarige en/of de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van partijen dit eiste.
Tijdens de zitting zijn verschenen de vrouw, bijgestaan door mr. T. Ouwehand, kantoorgenote van mr. Groen voornoemd, en de man, bijgestaan door zijn advocaat. Daarnaast is een vertegenwoordigster van de Raad verschenen om de voorzieningenrechter over de vorderingen te adviseren.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
Partijen hebben vanaf 2002 een affectieve relatie met elkaar gehad en zijn op [datum 1] 2021 een geregistreerd partnerschap met elkaar aangegaan.
Bij beschikking van de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, van [datum 2] 2025 heeft de rechtbank de ontbinding van het geregistreerd partnerschap tussen partijen uitgesproken. Deze beschikking is op 7 augustus 2025 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
Partijen hebben het navolgend nu nog minderjarige kind:
- [minderjarige] (roepnaam en hierna: [minderjarige] ), geboren op [geboortedag] 2021 te [geboorteplaats] .
Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
In verband met de ontbinding van hun geregistreerd partnerschap hebben partijen ten behoeve van [minderjarige] een ouderschapsplan opgesteld dat zij op 13 juli 2025 hebben ondertekend. [minderjarige] heeft op grond van het ouderschapsplan haar hoofdverblijf bij de vrouw en staat op het adres van de vrouw te [woonplaats 1] ingeschreven in de Basisregistratie Personen (BRP).
In het ouderschapsplan zijn partijen overeengekomen dat zij bij een voorgenomen verhuizing vooraf met elkaar in overleg treden. Uitgangspunt is hierbij dat ouders binnen een straal van maximaal 40 reisminuten van elkaar blijven wonen om de omgangsituatie met [minderjarige] mogelijk te blijven maken en niet ernstig te verstoren. Indien door de omstandigheden de afstand groter zal moeten zijn, dan is er bij de andere ouder ruimte tot overleg.
Verder zijn partijen in het ouderschapsplan een zorgregeling in de vorm van co-ouderschap overeengekomen, waarbij [minderjarige] iedere week op maandag en dinsdag bij de man verblijft en iedere week op donderdag en vrijdag bij de vrouw. Verder verblijft [minderjarige] om de week op woensdag bij de man, alsmede om het weekend.
In het ouderschapsplan is ook opgenomen dat ouders gezamenlijk een keuze maken voor een (type) school en dat zij [minderjarige] , afhankelijk van haar leeftijd en de omstandigheden, betrekken bij hun keuze.
De voormalig ‘echtelijke‘ woning van partijen in [adres] , is inmiddels verkocht en geleverd aan de koper(s). De vrouw en [minderjarige] zijn begin augustus 2025 ingetrokken bij de huidige partner van de vrouw in [woonplaats 1] . De man heeft tijdelijk zijn intrek genomen bij een bevriend gezin in [woonplaats 2] en zal binnenkort zijn nieuwe (koop-)woning in [woonplaats 2] betrekken.
3. De vorderingen in conventie en in reconventie
De vrouw vordert om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. aan haar vervangende toestemming te verlenen het minderjarige kind van partijen, [minderjarige] , te mogen aanmelden op [basisschool 1] te [woonplaats 1] vanaf het schooljaar 2025-2026;
II. een voorlopige zorgregeling tussen partijen vast te stellen waarbij de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken voorlopig in afwachting van een te starten bodemprocedure zo wordt gewijzigd dat [minderjarige] conform een tweewekelijks schema in de even weken van donderdag na school tot en met maandag naar school bij de man verblijft en in de oneven weken van donderdag na school tot en met vrijdag naar school, indien zij in [woonplaats 1] wordt ingeschreven op een basisschool;
III. dan wel zodanige andere beslissing te nemen als de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren.
De man voert verweer tegen de vorderingen van de vrouw in conventie en concludeert tot afwijzing van die vorderingen.
In reconventie vordert de man om bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
aan hem vervangende toestemming te verlenen om de minderjarige [minderjarige] in te schrijven op [basisschool 2] in [woonplaats 2] , althans een andere door de rechtbank of door partijen in onderling overleg aan te wijzen school, en hem toestemming te verlenen genoemde minderjarige met ingang van 1 januari 2026 deze school te laten bezoeken;
een voorlopige zorgregeling vast te stellen waarbij de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, in afwachting van een te voeren bodemprocedure, wordt gewijzigd op de wijze als onder punt 22-23, subsidiair punt 25, meer subsidiair 24 van de conclusie van antwoord verwoord, althans een zorgregeling vast te stellen als de rechtbank in goede justitie vermeent passend te zijn;
althans zodanige beslissing te nemen als in het belang van genoemde minderjarige moet worden geacht te zijn.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang voor de beoordeling van de vorderingen, ingegaan.
4. Het advies van de Raad
Namens de Raad is tijdens de zitting, samengevat, het volgende naar voren gebracht. De Raad onderschrijft de door partijen tijdens de zitting geformuleerde uitgangspunten die ten grondslag dienen te liggen aan de keuze of [minderjarige] in [woonplaats 1] of in [woonplaats 2] naar school zal gaan. Dit zijn cruciale punten waarmee rekening moet worden gehouden, zodat [minderjarige] zo zorgeloos mogelijk kan opgroeien. De Raad betreurt het dat de plaats waar [minderjarige] naar school zou moeten gaan partijen verdeeld houdt, omdat de Raad ziet dat er bij de ouders een basis ligt om datgene te doen wat in het belang is van [minderjarige] . De Raad vindt het lastig om een passend advies uit te brengen over de schoolgang van [minderjarige] . Er valt iets te zeggen voor het standpunt van ieder van partijen. Evenals de voorzieningenrechter kent ook de Raad [minderjarige] niet. De Raad heeft wel de indruk dat de door de vrouw gevorderde zorgregeling lastig uitvoerbaar is voor de man. Deze regeling heeft immers tot gevolg dat [minderjarige] één weekend per twee weken bij de man verblijft, terwijl de man in het weekend juist niet beschikbaar is voor [minderjarige] . Deze regeling staat overigens ook haaks op het uitgangspunt van gelijkwaardig ouderschap, omdat [minderjarige] dan het overgrote deel van de tijd bij de vrouw zou verblijven. De Raad vindt het ook in het belang van [minderjarige] dat zij zo min mogelijk wordt geconfronteerd met een forse reistijd naar en van school.
5. De beoordeling in conventie en in reconventie
De voorzieningenrechter ziet gezien de samenhang tussen de vorderingen in conventie en in reconventie aanleiding deze hieronder gezamenlijk te behandelen.
Spoedeisend belang
Op grond van artikel 254 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is de voorzieningenrechter in alle spoedeisende zaken, waarin gelet op de belangen van partijen een onmiddellijke voorziening bij voorraad wordt vereist, bevoegd deze te geven. De spoedeisendheid van de vorderingen is niet betwist en volgt naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoende uit de aard van de vorderingen. Tussen partijen is niet in geschil dat [minderjarige] op [geboortedag] 2025 vier jaar wordt, dat hierdoor de kinderopvang per 1 januari 2026 eindigt en dat [minderjarige] uiterlijk op 5 januari 2026 ingeschreven dient te worden op een basisschool. Tussen partijen is evenmin in geschil dat zodra [minderjarige] is ingeschreven op een basisschool in [woonplaats 1] of [woonplaats 2] , de in het ouderschapsplan overeengekomen zorgregeling niet langer in het belang van [minderjarige] is en gewijzigd moet worden.
Inhoudelijk
De voorzieningenrechter stelt voorop dat het ouderlijk gezag over [minderjarige] door partijen gezamenlijk wordt uitgeoefend. Dit betekent dat partijen belangrijke beslissingen, zoals een inschrijving op een school, alleen gezamenlijk kunnen nemen en gehouden zijn om, voorafgaand aan het nemen van een dergelijke beslissing, met elkaar te overleggen. In ieder geval is voor een dergelijke beslissing toestemming van de andere gezaghebbende ouder nodig. Geschillen daaromtrent kunnen aan de rechter worden voorgelegd in het kader van de geschillenregeling ex artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW), en, in spoedeisende gevallen, aan de voorzieningenrechter in kort geding.
Partijen zijn er niet in geslaagd om tot een gezamenlijk gedragen beslissing te komen omtrent de inschrijving van [minderjarige] op een basisschool. Weliswaar heeft de vrouw gesteld dat partijen zijn overeengekomen dat [minderjarige] in [woonplaats 1] naar school zou gaan, omdat zij haar hoofdverblijf bij de vrouw heeft, maar de man heeft deze niet nader onderbouwde stelling van de vrouw betwist, zodat de voorzieningenrechter hieraan voorbijgaat. Tegen deze achtergrond, en gelet op de wederzijdse vorderingen van partijen, dient de voorzieningenrechter in dit kort geding te beoordelen of een ordemaatregel noodzakelijk is, in die zin dat [minderjarige] ingeschreven dient te worden op een basisschool in [woonplaats 1] (vordering vrouw) of [woonplaats 2] (vordering man), totdat over deze inschrijving door de bodemrechter een beslissing is genomen. Bij deze beoordeling dient de voorzieningenrechter de belangen van alle betrokkenen in aanmerking te nemen en tegen elkaar af te wegen. Het belang van [minderjarige] dient daarbij een overweging van de eerste orde te zijn. Dat neemt niet weg dat, afhankelijk van alle omstandigheden van het geval, andere belangen zwaarder kunnen wegen.
Alvorens te beslissen, heeft de voorzieningenrechter, op grond van artikel 1:253a lid 5 BW, een vergelijk tussen beide ouders beproefd. De voorzieningenrechter heeft daar twee liefdevolle ouders gezien die het beste voorhebben met [minderjarige] . Beide ouders hebben, met hun advocaten en onder begeleiding van de Raad, gepoogd om alsnog tot overeenstemming te komen met betrekking tot de inschrijving van [minderjarige] op een basisschool in [woonplaats 1] of [woonplaats 2] .
Uit hetgeen partijen in dit verband naar voren hebben gebracht, is gebleken dat de door hen genoemde scholen in [woonplaats 1] ( [basisschool 1] ), [woonplaats 2] ( [basisschool 3] ) en [plaats 1] ( [basisschool 4] ) wat rooster, lestijden en omvang betreft min of meer vergelijkbaar zijn. In ieder geval is vast komen te staan dat geen van deze scholen zodanig beter is dan de ander, of zoveel meer aansluit bij de behoefte van [minderjarige] dat de keuze voor één van deze scholen op zichzelf reeds de doorslag moet geven of [minderjarige] in [woonplaats 1] of [woonplaats 2] moet worden ingeschreven. Partijen hebben beiden een liefdevol beeld geschetst van [minderjarige] waarin geen (abnormale) zorgen naar voren zijn gekomen met betrekking tot haar ontwikkeling. De voorzieningenrechter gaat er dan ook vanuit dat [minderjarige] op al deze scholen haar plekje zal weten te vinden en zich daar goed zal weten te ontwikkelen. De man heeft ook nog [basisschool 2] in [woonplaats 2] genoemd, een Montessorischool. De vrouw heeft evenwel bezwaren aangevoerd tegen Montessorionderwijs voor [minderjarige] , waarop de man heeft opgemerkt ook in te kunnen stemmen met de beide andere door hem genoemde scholen in [woonplaats 2] en [plaats 1] . De voorzieningenrechter zal deze school, [basisschool 2] , dan ook niet langer in zijn overwegingen betrekken.
Hoewel partijen, als overwogen, tijdens de zitting - uiteindelijk - geen overeenstemming hebben weten te bereiken over de inschrijving op een school in [woonplaats 1] of [woonplaats 2] zijn partijen het wel eens (geworden) over de uitgangspunten die aan deze keuze ten grondslag zouden moeten liggen. Daarbij is duidelijk geworden dat de keuze voor [woonplaats 1] of [woonplaats 2] onlosmakelijk is verbonden met de omvang en inhoud van de als gevolg van deze keuze te wijzigen zorgregeling.
Partijen zijn het eens dat deze zorgregeling vooreerst in het belang van [minderjarige] dient te zijn. Daarbij geldt dat de zorgregeling voor [minderjarige] voorspelbaar moet zijn en dat de continuïteit ervan zoveel als mogelijk gegarandeerd moet zijn. Het belang van [minderjarige] brengt verder mee dat de ouders op het moment dat zij de zorg hebben voor [minderjarige] ook daadwerkelijk voor haar beschikbaar zijn. Ook het aantal reisbewegingen, zo is niet in geschil, tussen [woonplaats 1] en [woonplaats 2] dient voor [minderjarige] zo beperkt mogelijk te zijn. Partijen zijn daarnaast in het recentelijk ondertekende ouderschapsplan een vorm van co-ouderschap overeengekomen. Partijen zijn het eens dat beide ouders in de nieuwe zorgregeling eveneens een volwaardige rol als ouder moeten kunnen spelen. Verder zijn ouders het eens dat de zorgregeling moet aansluiten bij hun werk. Partijen hebben de voorzieningenrechter gevraagd om aan de hand van deze, door de Raad en de voorzieningenrechter tijdens de zitting onderschreven, uitgangspunten ‘een klap te geven’ op de keuze voor [woonplaats 1] of [woonplaats 2] .
Wat het werk van beide ouders betreft, en daarmee hun flexibiliteit en beschikbaarheid, overweegt de voorzieningenrechter dat tijdens de mondelinge behandeling is komen vast te staan dat de vrouw werkzaam is bij een verzekeraar in [plaats 2] gedurende vier dagen per week (maandag t/m donderdag) en dat zij op deze dagen is gebonden aan haar werktijden, minimaal acht uur per dag. De man is artiest en is, volgens eigen zeggen, gebonden aan de donderdagavond, vrijdag en zaterdag voor optredens. In de stukken en tijdens de zitting hebben partijen uitvoerig gedebatteerd over de werktijden van de man. De vrouw heeft onder overlegging van het tourschema van de man over oktober 2025 t/m januari 2026 betoogd dat de flexibiliteit van de man zeer beperkt is en dat hij ook op andere dagen optredens heeft. Daarnaast heeft de man ook op andere dagen interviews of opnames voor reclames, aldus de vrouw. De man heeft verder geen netwerk in [woonplaats 2] . Zou [minderjarige] in [woonplaats 2] naar school gaan dan zal de vrouw steeds moeten inspringen als de man een optreden heeft, hetgeen gelet op haar werk niet mogelijk is, aldus nog steeds de vrouw. De man heeft daartegen ingebracht dat hij nog tot en met januari 2026 gebonden is aan lang tevoren geplande optredens die hij niet meer kan afzeggen. Vanaf eind januari 2026 zijn er volgens de man geen optredens meer gepland op andere dan genoemde dagen (donderdagavond, vrijdag en zaterdag) en zal dit in de toekomst ook niet meer gebeuren. De man heeft dit besproken met de overige bandleden en zijn manager, en alle betrokkenen hebben hiermee ingestemd. De man heeft opgemerkt dan volledig beschikbaar te zijn voor [minderjarige] op maandag t/m donderdagmiddag. De man kan [minderjarige] zelf halen en brengen naar een school in [woonplaats 2] (of [plaats 1] ) en er is geen BSO nodig. De man heeft verder opgemerkt dat hij bij onvoorziene omstandigheden wel degelijk ‘opvang’ heeft in de vorm van het gezin waar hij nu tijdelijk verblijft in afwachting van een eigen woning die hij zeer binnenkort kan betrekken. Mocht hij toch een keer op zorgdagen een optreden hebben dan kan de vrouw met [minderjarige] in zijn woning verblijven om het reizen voor [minderjarige] en haarzelf te beperken, aldus nog steeds de man.
De voorzieningenrechter acht voorshands voldoende aannemelijk dat de man met ingang van eind januari 2026 het zo kan regelen dat hij enkel op donderdagavond t/m zaterdag behoeft op te treden met zijn band. Daarbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat de vrouw tijdens de zitting heeft erkend dat de man dit in beginsel zo kan overeenkomen, terwijl gesteld noch gebleken is dat de man vanaf februari 2026 optredens heeft op andere dan genoemde dagen. De voorzieningenrechter is verder van oordeel dat voorshands voldoende aannemelijk is dat de man ook bij het inplannen van zijn overige werkzaamheden rekening kan houden met zijn zorgdagen voor [minderjarige] . Tot uitgangspunt strekt derhalve dat de vrouw ‘gebonden’ en dus minder flexibel is op maandag t/m donderdag en de man vanaf donderdagmiddag t/m zaterdag.
Partijen hebben ieder (meerdere) voorstellen gedaan voor een zorgregeling. De vrouw voor de situatie dat [minderjarige] in [woonplaats 1] naar school gaat, de man voor de situatie dat [minderjarige] in [woonplaats 2] naar school gaat. Geen van deze regelingen, zo is tijdens de zitting gebleken, voldoet aan al de door partijen tijdens de zitting geformuleerde, en door de Raad onderschreven, uitgangspunten. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter sluit van de door partijen voorgestelde regelingen de door de man primair gevorderde zorgregeling voor de situatie dat [minderjarige] in [woonplaats 2] naar school gaat, zoals verwoord onder punt 22 en 23 van zijn conclusie van antwoord, het meest aan bij deze uitgangspunten en doet deze regeling het meest recht aan de belangen van [minderjarige] en partijen. Conform deze zorgregeling verblijft [minderjarige] immers steeds bij ieder van haar ouders op de dagen dat die desbetreffende ouder ook daadwerkelijk beschikbaar is voor haar. Hierdoor is tevens de continuïteit van de zorgregeling zoveel als mogelijk gegarandeerd, hetgeen weer maakt dat de regeling voorspelbaar is voor [minderjarige] . Ook brengt deze zorgregeling de meest gelijkwaardige verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen partijen met zich, zodat beide ouders in het leven van [minderjarige] een volwaardige rol als ouder kunnen (blijven) spelen. Dit is anders in de door de vrouw gevorderde zorgregeling en de door de man subsidiair gevorderde regeling, welke regeling een spiegelbeeld vormt van de door de vrouw gevorderde zorgregeling. In deze regelingen zal één van de ouders [minderjarige] immers aanmerkelijk minder zien dan op dit moment het geval is gezien de bij ouderschapsplan overeengekomen co-ouderschapsregeling. Dit achten partijen gezien de door hen geformuleerde uitgangspunten niet in het belang van [minderjarige] , terwijl ook de Raad ter zitting heeft opgemerkt dit niet in het belang van [minderjarige] te achten. Deze regelingen zouden bovendien tot gevolg hebben dat [minderjarige] iedere tweede week slechts één nacht bij de andere ouder verblijft. Dit terwijl partijen het er over eens zijn dat als [minderjarige] straks naar school gaat, het in haar belang is dat haar schema uit rust en regelmaat bestaat en dat zij niet al te vaak moet wisselen tussen haar ouders, omdat zij hier onrustig van wordt. Ook de door de man meer subsidiair gevorderde zorgregeling sluit in mindere mate aan bij de door partijen geformuleerde uitgangspunten. Deze regeling zou namelijk tot gevolg hebben dat [minderjarige] een keer per twee weken op woensdag en donderdag bij de vrouw en op zaterdag bij de man verblijft, terwijl de vrouw en de man juist die dagen vanwege hun werk doorgaans niet beschikbaar zijn voor [minderjarige] . Daardoor zou tevens de continuïteit, en daarmee de voorspelbaarheid van de zorgregeling voor [minderjarige] in gevaar kunnen komen.
Gelet op het voorgaande zal de voorzieningenrechter - in afwijking van de door partijen bij ouderschapsplan overeengekomen zorgregeling - de primair door de man gevorderde zorgregeling als voorlopige zorgregeling vaststellen. Dit neemt - als vanzelfsprekend - niet weg dat het partijen te allen tijde vrij staat om, zoals zij ook nu gewoon zijn om te doen en zoals door hen ook opgenomen in het ouderschapsplan, indien nodig en/of gewenst in onderling overleg af te wijken van de in deze procedure vast te stellen voorlopige (basis-)regeling. In dit verband heeft de man tijdens de zitting reeds toegezegd dat het zonder meer bespreekbaar is dat hij de zorg voor [minderjarige] op zich neemt op een zaterdag waarop hij geen optredens heeft, zodat de vrouw ook een weekend ‘voor zichzelf’ kan hebben.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat uit de vast te stellen voorlopige zorgregeling logisch en dwingend een schoolkeuze in [woonplaats 2] volgt. Tegen de achtergrond van deze voorlopige zorgregeling zou een schoolkeuze in [woonplaats 1] er immers toe leiden dat [minderjarige] een groot deel van de week op en neer moet rijden tussen [woonplaats 2] en [woonplaats 1] , hetgeen door niemand als wenselijk wordt beschouwd. De voorzieningenrechter zal de man vervangende toestemming verlenen om [minderjarige] op een basisschool in [woonplaats 2] of [plaats 1] in te schrijven, voor zover mogelijk door partijen in onderling overleg aan te wijzen. Voor zover het partijen niet lukt om uiterlijk op 5 januari 2026 in overleg tot een keuze te komen, zal de voorzieningenrechter de man vervangende toestemming verlenen om [minderjarige] per deze datum in te schrijven op de [basisschool 3] in [woonplaats 2] . Het is de voorzieningenrechter evenals de Raad gebleken dat partijen, hoewel zij geen onderlinge overeenstemming hebben bereikt over de plaats waar [minderjarige] naar school zal gaan, in staat zijn om constructief met elkaar te communiceren, daarbij in het belang van [minderjarige] te denken en haar belang voorop te stellen. De voorzieningenrechter complimenteert partijen hiermee en gaat er vooralsnog van uit dat zij in staat zijn om in onderling overleg een school in [woonplaats 2] of [plaats 1] te kiezen voor [minderjarige] . Dat de man vervangende toestemming wordt verleend om [minderjarige] in te schrijven op een door partijen in onderling overleg aan te wijzen school in [woonplaats 2] of [plaats 1] , althans op de [basisschool 3] in [woonplaats 2] brengt met zich dat de man daarmee ook toestemming heeft om [minderjarige] vanaf 5 januari 2026 die school te laten bezoeken. Dit deel van de vordering van de man zal dan ook worden afgewezen.
Gelet op het vorengaande gaat de voorzieningenrechter er verder vanuit dat partijen ook gezamenlijk een oplossing weten te vinden voor de dagen dat de man nog optredens heeft op zijn zorgdagen in januari 2026. Daarbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat het hier nog slechts enkele dagen betreft en de voorzieningenrechter uit de eigen stellingen van de vrouw begrijpt dat zij de mogelijkheid heeft om haar uren te compenseren als zij [minderjarige] op een werkdag naar school moet brengen.
Proceskosten
De proceskosten in conventie en in reconventie zullen, gelet op de familierechtelijke aard van de procedure, tussen partijen worden gecompenseerd in die zin dat ieder de eigen kosten draagt.
Uitvoerbaar bij voorraad
De voorzieningenrechter zal, zoals over en weer gevorderd, de beslissing omtrent de inschrijving op een basisschool en de zorgregeling uitvoerbaar bij voorraad verklaren omdat het in het belang van [minderjarige] is dat deze beslissing direct in werking treedt ondanks een eventueel hoger beroep daartegen.
5. De beslissing
De voorzieningenrechter:
in conventie
wijst de vorderingen van de vrouw af;
compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
in reconventie
verleent aan de man - ter vervanging van de toestemming van de vrouw - vervangende toestemming om de minderjarige [minderjarige] (roepnaam en hierna: [minderjarige] ), geboren op [geboortedag] 2021 te [geboorteplaats] , in te schrijven op een door partijen in onderling overleg aan te wijzen basisschool in [woonplaats 2] of [plaats 1] en voor zover partijen hierover uiterlijk 5 januari 2026 geen overeenstemming hebben bereikt, om genoemde minderjarige in te schrijven op de [basisschool 3] te [woonplaats 2] ;
stelt - in afwijking van de door partijen bij ouderschapsplan van 13 juli 2025 overeengekomen zorgregeling - een voorlopige, in afwachting van een te voeren bodemprocedure, verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen partijen vast volgens het navolgende tweewekelijkse schema:
Week 1:
[minderjarige] verblijft op maandag, dinsdag en woensdag bij de man. Vervolgens zal [minderjarige] op donderdag door de man naar school worden gebracht en na school door de man naar de vrouw worden gebracht. Op donderdag, vrijdag en zaterdag verblijft [minderjarige] bij de vrouw. De man haalt [minderjarige] op zaterdagavond of zondagochtend op bij de vrouw, waarna [minderjarige] op de zondag bij de man zal verblijven;
Week 2:
[minderjarige] verblijft op maandag, dinsdag en woensdag bij de man. Vervolgens zal [minderjarige] op donderdag door de man naar school worden gebracht en na school door de man naar de vrouw worden gebracht. Op donderdag, vrijdag, zaterdag en zondag verblijft [minderjarige] bij de vrouw en brengt de vrouw [minderjarige] op maandagochtend naar school;
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. Hopmans, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 18 december 2025 in tegenwoordigheid van mr. van ’t Veer-Bax, griffier.