RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/441828 / FA RK 25-5834
Beslissing over de klacht ex artikel 10:7 lid 1 en de beslissing op het verzoek tot schadevergoeding ex artikel 10:11 lid 2 van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz)
Beschikking van 24 december 2025 van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg op het ingediende verzoekschrift van
[verzoeker] ,
geboren op [geboortedag] 1977 te [geboorteplaats] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: verzoeker,
advocaat: mr. M.W. Dieleman te Middelburg,
ter verkrijging van een beslissing over een klacht door verzoeker ingediend op 23 september 2025 bij de Regionale Klachtencommissie Wvggz Zeeland (hierna: de klachtencommissie).
Als belanghebbenden worden aangemerkt:
- de [zorgaanbieder] te [plaats] (hierna: [zorgaanbieder] ).
1. Het verloop van de procedure
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
het verzoekschrift met bijlagen, binnengekomen op 12 november 2025;
het e-mailbericht van mr. Dieleman met bijlagen ontvangen op 10 december 2025;
de e-mailberichten van verzoeker met bijlagen, ontvangen op 9 december 2025 en 11 december 2025;
de krant, door verzoeker overgelegd tijdens de zitting op 12 december 2025.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 12 december 2025, in de accommodatie van [zorgaanbieder] te [plaats] . Daarbij zijn gehoord:
verzoeker, bijgestaan door zijn advocaat;
dhr. [naam], waarnemend regiebehandelaar.
2. Wat vaststaat
Bij beschikking van de gemeente Goes van 25 augustus 2025 is ten aanzien van verzoeker een crisismaatregel genomen. In deze crisismaatregel zijn alle vormen van
verplichte zorg opgenomen die de wet biedt.
Bij beschikking van deze rechtbank van 28 augustus 2025 is een machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel verleend tot en met 18 september 2025.
Bij beschikking van deze rechtbank van 3 oktober 2025 is een zorgmachtiging aansluitend op een voortzetting van de crisismaatregel verleend tot en met 3 april 2026
met de volgende vormen van verplichte zorg:
- het toedienen van medicatie;
- het verrichten van medische controles;
- het beperken van de bewegingsvrijheid;
- aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten, waaronder het gebruik van communicatiemiddelen;
- opnemen in een accommodatie.
Verzoeker heeft op 25 september 2025 bij de klachtencommissie een klacht ingediend tegen de beslissing tot het toepassen van verplichte zorg, onder meer betreffende het toedienen van de medicatie depakine en flupentixol. Deze beslissing is genomen op 27 augustus 2025 door [psychiater] , zorgverantwoordelijke van [zorgaanbieder] .
Bij beslissing van 6 oktober 2025 heeft de klachtencommissie de klacht van
verzoeker ongegrond verklaard.
3. Het verzoek
Verzoeker heeft verzocht om zijn klacht alsnog gegrond te verklaren en de bestreden beslissing van 27 augustus 2025 te vernietigen en te bepalen dat gedwongen toediening van de medicijnen Depakine en/of Flupentixol achterwege moet blijven dan wel aan de zorgverantwoordelijke opdracht te geven tot het nemen van een nieuwe beslissing of het verrichten van een andere handeling met inachtneming van deze uitspraak, met bepaling dat de werking van de bestreden beslissing is opgeschort zolang niet aan die opdracht is voldaan.
[zorgaanbieder] heeft gemotiveerd verweer gevoerd, strekkende tot ongegrond-verklaring van de klacht.
4. De standpunten
Verzoeker heeft verwezen naar het verzoekschrift. In aanvulling daarop heeft hij tijdens de zitting naar voren gebracht dat hij bekend is met zijn kwetsbaarheden, maar dat hij verschilt van mening met de behandelaren over zijn medicamenteuze behandeling. Verzoeker stelt dat niet is voldaan aan de vereisten van artikel 8:9 Wvggz en dat de besluiten over het toepassen van verplichte zorg op 27 augustus 2025 en 1 september 2025 geen basis zijn voor het verplicht toedienen van de depotmedicatie Flupentixol tegen de wens van verzoeker in. Verzoeker wil geen medicatie toegediend krijgen dan wel dat het zoveel mogelijk wordt beperkt. Hij wil in ieder geval geen gedwongen medicatie krijgen. Dit omdat verzoeker al jarenlang niet meer psychotisch is. De beslissing om verplicht de medicatie Depakine en Flupentixol toe te dienen voldoet ook niet aan de eisen van proportionaliteit, subsidiariteit en doelmatigheid. Het is niet doelmatig, omdat de beoogde verbetering is uitgebleven. De medische toestand van verzoeker, zowel lichamelijk als geestelijk, is in de afgelopen maanden door de toediening van de medicatie juist verslechterd. Ook heeft verzoeker last van bijwerkingen, waaronder doofheid, impotentie en het beïnvloedt zijn reactievermogen. Daar komt bij dat door [zorgaanbieder] zelf is aangegeven dat het effect van Flupentixol dit keer niet zo sterk lijkt als bij vorige ziekte-episodes. Het is niet proportioneel, omdat de nadelige gevolgen ernstiger zijn dan de positieve effecten. Verzoeker heeft tijdens de mondelinge behandeling uitgebreid toegelicht dat de medicatie gevaarlijk is, vanwege de bestanddelen van de medicatie en de bijwerkingen. De medicatie is in verschillende landen verboden, omdat het bijvoorbeeld tot de dood kan leiden. Verder zijn er minder vergaande middelen beschikbaar, zoals homeopathische middelen, het voorkomen van overprikkeling en een verbetering van de situatie van verzoeker op sociaalmaatschappelijk terrein. Deze alternatieven zijn in onvoldoende mate ingezet. Verder geeft verzoeker aan dat hij, in het geval er verplichte medicatie moet zijn, hij Flupentixol boven Abilify verkiest. Dit omdat hij bekend is met Flupentixol en Abilify nog gevaarlijker is. Tot slot is er volgens verzoeker nog nooit sprake geweest van maatschappelijke teloorgang.
De waarnemend regiebehandelaar verwijst naar het verweerschrift zoals deze bij de klachtencommissie is ingediend. Tijdens de zitting heeft hij nog aangevuld dat de medicijnen Depakine en Flupentixol in Nederland zonder beperkingen kunnen worden voorgeschreven en dat verzoeker die medicatie ook nodig heeft om stabiel te zijn en te blijven. Flupentixol is een effectief middel voor verzoeker; daarmee heeft hij eerder stabiele periodes gekend. Ook nu gaat het volgens de waarnemend regiebehandelaar beter dan op het moment dat verzoeker werd opgenomen. Als verzoeker de medicatie niet krijgt toegediend, verslechtert zijn situatie en is er sprake van teloorgang. Verder benoemt de waarnemend regiebehandelaar dat de medicatiebesluiten telkens in overleg met verzoeker zijn genomen, dat er ook alternatieven zijn aangeboden welke verzoeker niet (altijd) tot zich heeft genomen en dat steeds is meegedacht in de wensen van verzoeker ten aanzien van de medicamenteuze behandeling. Zo is er op 26 augustus 2025 in overleg met verzoeker gestart met Paliperidon. Dit nam verzoeker echter wisselend is. Vanwege een escalatie in de nacht van 27 augustus 2025 als gevolg waarvan insluiting en intramusculaire medicatie nodig was, is verplichte zorg toegepast in de vorm van onder meer het toedienen van de depotmedicatie Flupentixol. Later is de medicatie, in navolging van de wens van verzoeker en omdat verzoeker niet langer te motiveren was voor de inname van Paliperidon, op 29 augustus 2025 gewijzigd van Paliperidon naar het voor hem bekende Flupentixol en is er op 23 september 2025 afgesproken dat er zou worden onderzocht of Haloperidol een goed alternatief voor Flupentixol zou zijn.
5. De beoordeling
Ontvankelijkheid
De rechtbank stelt allereerst vast dat verzoeker ontvankelijk is in zijn verzoek. Het verzoekschrift is binnen de in artikel 10:7 lid 2 Wvggz gestelde termijn bij de rechtbank ingediend. Verder heeft de klacht van verzoeker betrekking op een beslissing die valt onder de limitatieve opsomming van beslissingen waartegen een klacht kan worden ingediend, zoals opgenomen in artikel 10:3 Wvggz.
Psychische stoornis en ernstig nadeel
Verzoeker stelt dat hij al jarenlang niet meer psychotisch is. Naar het oordeel van de rechtbank staat de psychische stoornis van verzoeker en het ernstig nadeel echter vast. Verzoeker is al meer dan dertig jaar bekend bij [zorgaanbieder] met een schizoaffectieve stoornis van het bipolaire type en een autismespectrumstoornis. Recent is in de beschikking van 3 oktober 2025 betreffende het verlenen van de zorgmachtiging ook opgenomen dat, mede op grond van de daartoe overgelegde medische verklaring, verzoeker lijdt aan een psychische stoornis en dat zijn gedrag leidt tot ernstig nadeel. De rechtbank ziet geen aanleiding om daaraan te twijfelen, aangezien de diagnose door de onafhankelijke psychiater is gesteld.
Wettelijke grondslag voor toepassen verplichte zorg (artikel 8:9 Wvggz)
Verzoeker stelt dat niet is voldaan aan de wettelijke bepaling van artikel 8:9 Wvggz en dat onder meer het besluit van 27 augustus 2025 geen basis is voor het toedienen van depotmedicatie in de vorm van Flupentixol. De rechtbank overweegt hierover dat op 25 augustus 2025 bij beschikking van de burgemeester van de gemeente Goes ten aanzien van verzoeker een crisismaatregel is genomen. In deze crisismaatregel is onder meer de zorgvorm “toedienen van medicatie” opgenomen. Dit betekent dat er een wettelijke grondslag was voor de door [psychiater] , zorgverantwoordelijke en psychiater, op 27 augustus 2025 genomen beslissing tot het toepassen verplichte zorg, bestaande uit het toedienen van de depotmedicatie. De rechtbank is verder van oordeel dat aan de vereisten in artikel 8:9 Wvggz is voldaan. Over het toedienen van medicatie is steeds overleg gevoerd met verzoeker en uit de stukken volgt dat de zorgverantwoordelijke zich bij de toepassing van de verplichte zorg op de hoogte heeft gesteld van de actuele gezondheidstoestand van verzoeker. Verder is de schriftelijke en ondertekende beslissing van de zorgverantwoordelijke op 27 augustus 2025 aan verzoeker uitgereikt en betreft dit naar het oordeel van de rechtbank een goed gemotiveerde beslissing.
Daarnaast merkt de rechtbank op dat de op 28 augustus 2025 verleende machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel en de op 3 oktober 2025 verleende zorgmachtiging, waarin (ook) de vorm van zorg “toedienen van medicatie” is toegewezen, de inzet van verplichte zorg in de vorm van het toedienen van (depot)medicatie legitimeert.
Klachtmogelijkheid tegen algemene beginselen artikel 2:1 Wvggz?
Verzoeker heeft zijn klacht verder gegrond op de niet-naleving van de beginselen van proportionaliteit, subsidiariteit en doelmatigheid, zoals neergelegd in artikel 2:1 Wvggz. De mogelijkheid om te klagen tegen schending van deze beginselen staat niet in artikel 10:3 Wvggz vermeld. Uit vaste jurisprudentie van de Hoge Raad volgt echter dat het wel mogelijk is om tegen een schending van deze beginselen te klagen in het kader van een procedure ex artikel 10:7 Wvggz. Dit omdat de beginselen ook in acht moeten worden genomen bij een beslissing van de zorgverantwoordelijke ingevolge artikel 8:9 lid 1 Wvggz.
Proportionaliteit, subsidiariteit en doelmatigheid
Ten aanzien van de proportionaliteit, subsidiariteit en doelmatigheid van de beslissing van de zorgverantwoordelijke op 27 augustus 2025 tot het toepassen van verplichte zorg in de vorm van het toedienen van de depotmedicatie Flupentixol overweegt de rechtbank als volgt.
Verzoeker stelt dat de verplichte toediening van de depotmedicatie Flupentixol niet proportioneel was en is, omdat de nadelige gevolgen daarvan voor verzoeker ernstiger zijn dan de positieve effecten. Verzoeker heeft last van bijwerkingen, waaronder doofheid, impotentie en het beïnvloedt zijn reactievermogen.
De rechtbank is van oordeel dat bij de verplichte toediening van de medicatie wel aan de eisen van proportionaliteit is voldaan. Uit de beslissing van de zorgverantwoordelijke volgt dat het manisch-psychotisch toestandsbeeld van verzoeker in de nacht van 27 augustus 2025 leidde tot een escalatie, zodanig dat personen en goederen in de omgeving van verzoeker tegen hem beschermd moesten worden. Zo schreeuwde verzoeker, was hij dreigend aanwezig, schopte hij tegen deuren van medepatiënten, gooide verzoeker met stoelen en kwam hij neus-aan-neus met medewerkers. Het gedrag van verzoeker was ontwrichtend en gevaarlijk voor hemzelf en zijn omgeving. De escalatie was zodanig ernstig dat er insluiting en intramusculaire medicatie nodig was. Dit om het risico op verdere schade aan goederen en (dreiging met) geweld richting personen te voorkomen. Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat het ingezette middel – te weten het verplicht toedienen van de depotmedicatie – in verhouding stond tot de gedragingen van verzoeker en de noodzaak het risico op (verdere) schade voor goederen en personen af te wenden.
Ook stelt verzoeker dat het verplicht toedienen van de depotmedicatie niet voldeed aan de eis van subsidiariteit, omdat de minder vergaande middelen in onvoldoende mate zijn ingezet. De rechtbank constateert dat door de zorgverantwoordelijke alvorens over te gaan tot de verplichte toediening van de depotmedicatie Flupentixol op 27 augustus 2025 is geprobeerd om met verzoeker tot overeenstemming te komen over welke soort(en) medicatie zouden worden opgestart. Op verzoek van verzoeker is op 26 augustus 2025 dan ook eerst gestart met andere (orale) medicatie, te weten Paliperidon. Verzoeker nam het middel echter wisselend in en hij stopte er al snel weer mee. Vervolgens heeft er in de nacht van 27 augustus 2025 een escalatie plaatsgevonden, waardoor – zoals in r.o. 5.7. is overwogen – onder andere het verplicht toedienen van de depotmedicatie nodig was. Andere vormen van de-escalerende interventies wees verzoeker af, waaronder orale medicatie. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat er geen andere mogelijkheden meer waren dan het verplicht toedienen van de depotmedicatie, met als doel om op korte termijn de psychose en manie van verzoeker te doorbreken en de escalatie in het gedrag van verzoeker te beëindigen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de toepassing van de verplichte zorg voldeed aan de eis van subsidiariteit.
Verzoeker stelt ten aanzien van de doelmatigheid dat de beoogde verbetering is uitgebleven en dat zijn medische toestand in de afgelopen maanden door de verplichte toediening van de medicatie juist is verslechterd. Verzoeker heeft last van bijwerkingen en tijdens de zitting heeft hij toegelicht dat de medicatie Flupentixol gevaarlijk is.
Hoewel verzoeker last heeft van bijwerkingen en door [zorgaanbieder] in het verweerschrift is aangegeven dat het effect van Flupentixol dit keer niet zo sterk als bij vorige ziekte-episodes lijkt te zijn, heeft de waarnemend regiebehandelaar tijdens de zitting voldoende toegelicht dat is gebleken dat de medicijnen Depakine en Flupentixol effectieve middelen voor verzoeker zijn en dat het, mede door de verplichte toediening van de (depot)medicatie, nu ook beter met verzoeker gaat ten opzichte van het moment dat hij werd opgenomen. De effectiviteit van de medicatie wordt ook door verzoeker zelf onderkend en ondanks dat verzoeker uitgebreid heeft toegelicht dat Flupentixol gevaarlijk is, heeft hij ook benoemd dat hij stabiele periodes met Flupentixol heeft gekend en liever Flupentixol dan Abilify heeft. De rechtbank concludeert hieruit dat de toediening van de (depot)medicatie effect heeft gehad en dat er een verbetering in het toestandsbeeld van verzoeker waarneembaar is. Daarmee is de doelmatigheid gegeven.
Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat de beslissing van de zorgverantwoordelijke op 27 augustus 2025 tot het verplicht toedienen van de (depot)medicatie niet in strijd is met de proportionaliteit, subsidiariteit en doelmatigheid. Daarbij neemt de rechtbank ook in aanmerking dat in de beschikkingen van 28 augustus 2025 en 3 oktober 2025 is geoordeeld dat verzoeker verplichte zorg nodig heeft in de vorm van (onder andere) het toediening van medicatie, waarbij deze criteria ook zijn getoetst.
Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de zorgverantwoordelijke op goede gronden kon besluiten tot het verplicht toedienen van de (depot)medicatie. Dit betekent dat de klacht van verzoeker ongegrond zal worden verklaard. Omdat de rechtbank zal overgaan tot ongegrondverklaring van de klacht, is er geen aanleiding om de zorgverantwoordelijke opdracht te geven tot het nemen van een nieuwe beslissing. Het meer of anders verzochte zal dan ook worden afgewezen.
Verzoek tot schadevergoeding (artikel 10:11 Wvggz)
Verzoeker heeft tijdens de zitting verzocht om hem een bedrag van € 50.000,= per toegediende depotmedicatie aan schadevergoeding toe te kennen. Omdat de klacht van verzoeker ongegrond zal worden verklaard, is er voor toewijzing van het verzoek tot schadevergoeding geen reden. Het meer of anders verzochte zal dan ook worden afgewezen.
6. De beslissing
De rechtbank:
verklaart de klacht ongegrond;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Meyboom, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 24 december 2025, in aanwezigheid van mr. Vork als griffier.
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.
Indien het uitsluitend gaat om de afwijzing van het verzoek tot toekenning van schadevergoeding staat op grond van artikel 358 lid 1 Rv wel hoger beroep open. (zie HR 14-10-2011, ECLI:NL:HR:2011:BT7590)