beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Breda
Zaaknummer: C/02/439957 / FA RK 25-4803
datum uitspraak: 23 december 2025
beschikking betreffende provisionele voorziening ex artikel 223 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
in de zaak van
[de vrouw] ,
hierna: de vrouw,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. A. Koop-van Vliet in Breda,
tegen
[de man] ,
hierna: de man,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. I. van Meeteren in ‘s-Hertogenbosch,
over de minderjarige:
- [minderjarige], geboren op [geboortedag] 2013 te [geboorteplaats] , hierna: [minderjarige] .
Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna: de Raad, de rechtbank over het verzoek geadviseerd.
1. Het procesverloop
In het dossier zitten de volgende stukken:
- het op 18 september 2025 ontvangen verzoekschrift, met bijlagen;
- de op 21 oktober 2025, 6 november 2025 en 9 december 2025 ontvangen F9-formulieren met bijlagen van mr. Koop-van Vliet;
- de op 5 november 2025 ontvangen brief van [minderjarige] ;
- het F9-formulier met bijlage van mr. Van Meeteren van 9 december 2025.
De zaak is met gesloten deuren behandeld op de zitting van 10 december 2025. Bij die behandeling zijn verschenen partijen, met hun advocaten. Ook was een vertegenwoordigster aanwezig namens de Raad.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd en hem in de gelegenheid gesteld met de kinderrechter te spreken. [minderjarige] heeft zijn mening gegeven door deze te schrijven op het aan de rechtbank retour gezonden keuzeformulier.
2. De feiten
Partijen hebben met elkaar een relatie gehad. Uit deze relatie is [minderjarige] geboren.
De man heeft [minderjarige] erkend. Partijen hebben samen het gezag over [minderjarige] .
[minderjarige] verblijft bij de man.
Op 28 juli 2025 heeft de vrouw een verzoekschrift ingediend tot de vaststelling van de hoofdverblijfplaats en van een zorg- en contactregeling. Zij heeft daarnaast een verzoek ingediend tot het treffen van voorlopige voorzieningen. De door de vrouw geëntameerde bodemprocedure is bij de rechtbank bekend onder het zaaknummer C/02/438307 FA RK 25-3929. De man heeft in de voorlopige voorzieningenprocedure een zelfstandig tegenverzoek ingediend, waarin hij heeft verzocht om de verzoeken van de vrouw af te wijzen en om [minderjarige] voorlopig aan de man toe te vertrouwen. De procedure betreffende de voorlopige voorzieningen is bij de rechtbank bekend onder het zaaknummer C/02/438362 FA RK 25-3964.
Bij beschikking van 3 oktober 2025 heeft de rechtbank in de zaak C/02/438362 FA RK 25-3964 de verzoeken tot het treffen van voorlopige voorzieningen van beide partijen afgewezen. De rechtbank heeft de Raad in deze beschikking verzocht om een onderzoek te verrichten en om vervolgens een rapport en advies uit te brengen in de bodemprocedure. Daarbij zijn door de rechtbank de volgende vragen aan de Raad voorgelegd:
- Welke hoofdverblijfplaats komt het meest tegemoet aan de belangen van [minderjarige] ?
- In hoeverre komt de (voorgenomen) verhuizing van de man naar [plaats] tegemoet aan de
belangen van [minderjarige] c.q. in hoeverre verzetten de belangen van [minderjarige] zich tegen deze
verhuizing?
- In hoeverre komt een wijziging van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken door
partijen tegemoet aan de belangen van [minderjarige] ?
- Hoe dient de regeling qua aard, duur en frequentie vorm gegeven te worden?
- Welke andere feiten en/of omstandigheden, die uit het onderzoek naar voren zijn gekomen,
zijn niet in voorgaande vragen aan de orde gesteld, zoals een eventueel
beschermingsonderzoek, en zijn wel van belang om in de rapportage te vermelden?
3. De verzoeken
De vrouw verzoekt om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, bij wege van voorlopige voorziening op grond van artikel 223, lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), in afwachting van de beslissing in de hoofdzaak:
I. te bepalen dat het de man wordt verboden om, zonder daartoe verkregen (vervangende) toestemming, met de [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2013, te verhuizen naar zijn nieuwe woning in [plaats] en, indien de man feitelijk al met [minderjarige] verhuisd is, de man te veroordelen terug te verhuizen naar zijn voormalige woning, althans naar een woning die binnen een straal van maximaal 15 km van de voormalige echtelijke woning gelegen te [woonplaats] aan het [adres], zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van EUR 500,-- per dag, althans een door de rechtbank te bepalen dwangsom, voor iedere dag (een dagdeel daaronder begrepen), dat de man niet aan de veroordeling voldoet;
II. te bepalen dat het de man wordt verboden om, zonder daartoe verkregen (vervangende) toestemming, de [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2013, in te schrijven op een andere school, zulks eveneens op straffe van verbeurte van een dwangsom van EUR 500,-- per dag, althans een door uw rechtbank te bepalen dwangsom, voor iedere dag (een dagdeel daaronder begrepen), dat de man niet aan de veroordeling voldoet.
4. De standpunten
De vrouw
4.1.1 Door en namens de vrouw is ter onderbouwing van haar verzoek het volgende, samengevat, naar voren gebracht.
De vrouw heeft vernomen dat de voormalige echtelijke woning in [woonplaats] inmiddels zou zijn verkocht en dat de man op 24 september 2025 de sleutel van zijn nieuwe koopwoning in [plaats] in ontvangst zal nemen. De verwachting is dat de man met zijn dochter uit zijn vorige relatie, [minderjarige] en zijn nieuwe partner zo spoedig mogelijk naar [plaats] zal gaan verhuizen. Hoewel de vrouw meerdere malen te kennen heeft gegeven dat zij niet instemt met een verhuizing van [minderjarige] van [woonplaats] naar [plaats] , maken de uitlatingen van [minderjarige] tijdens het kindgesprek in de vorige procedure, alsook de uitlatingen van de man tijdens de zitting duidelijk dat de man dat negeert. Dit, in weerwil van het door de Raad gegeven advies. De man handelt eigenmachtig c.q. eigenhandig en in strijd met de uitoefening van het gezamenlijk gezag. Hij schaadt daarmee zowel het belang van de vrouw als het belang van [minderjarige] .
4.1.2 De vrouw maakt zich ernstige zorgen over [minderjarige] . Zij heeft ontdekt dat [minderjarige] zorgwekkende zoekopdrachten heeft ingevoerd op Google. Hij is op zoek naar Snus en geeft signalen af te denken aan zelfmoord. De vrouw is bang dat [minderjarige] niet vrijuit durft te praten en dat hij zegt wat de man wil horen. Zij geeft aan dat [minderjarige] heel goed terug naar [woonplaats] kan. Hij zou ook bij zijn opa en oma (vaderszijde) kunnen verblijven. De dochter van de man woont daar ook vanwege een geweldsincident dat heeft plaatsgevonden bij de man. Door met [minderjarige] naar [plaats] te verhuizen heeft de man voor eigen rechter gespeeld. Er loopt immers nog een onderzoek van de Raad in de bodemprocedure.
De vrouw blijft verstoken van informatie over [minderjarige] . Zij loopt hierdoor steeds achter de feiten aan. Zij heeft begrepen dat [minderjarige] nog maar twee dagdelen naar school gaat. Ook dit is zorgelijk. De vrouw geeft aan dat er op de vorige school van [minderjarige] dezelfde problemen waren als op deze school. Deze hangen dus niet samen met de school, maar meer met de problematiek van [minderjarige] zelf. Daarnaast geeft de vrouw aan dat zij erg geschrokken is van de taal die [minderjarige] telefonisch tegen haar heeft geuit. Hij heeft haar bedreigd en gezegd dat zij haar kankerbek moest houden. De advocaat van de vrouw heeft hierover haar zorgen kenbaar gemaakt aan de advocaat van de man. De vrouw voelt zich erg machteloos in deze situatie.
4.1.3. De vrouw geeft ten slotte aan dat namens de man een verslag is overgelegd van mevrouw [naam]. Zij heeft [minderjarige] gehoord maar in het bijzijn van de man. [minderjarige] is een kwetsbaar kind. Er is bij hem sprake van autisme en van een ontwikkelingsachterstand en hij volgt speciaal onderwijs. De vrouw is van mening dat de conclusie die mevrouw [naam] trekt niet op basis van één gesprek met [minderjarige] genomen kan worden.
De man
4.2.1. Door en namens de man is tijdens de zitting, samengevat, het volgende naar voren gebracht.
Allereerst betwist de man de spoedeisendheid van de verzoeken van de vrouw. Het raadsonderzoek is nog niet gestart. Er is geen enkele reden om nu met spoed terug te verhuizen.
4.2.2. Het klopt dat de man al met [minderjarige] is verhuisd naar [plaats] . Dit was ten tijde van de vorige zitting ook al zo. De man woont nu ongeveer drie maanden met [minderjarige] bij zijn partner. Zij verwacht in januari een kindje. De partner van de man heeft zelf ook twee kinderen. De man is aan het rondkijken naar een geschikte school voor [minderjarige] . [minderjarige] heeft het niet naar zijn zin op zijn huidige school in Vlijmen. Hij doet er alles aan om niet naar school te hoeven gaan. De man wilde met de vrouw om de tafel gaan zitten maar dit is niet gelukt.
De man heeft dit alles ook besproken met mevrouw [naam]. Zij geeft aan dat er voor [minderjarige] duidelijkheid moet komen over waar hij woont en waar hij naar school gaat. Zij heeft geadviseerd om geen druk op hem te leggen.
4.2.3. Een terugverhuizing naar [woonplaats] is voor de man geen optie. De man heeft weliswaar nog de sleutels van het huis in [woonplaats] maar het huis is niet meer gemeubileerd. Het gaat goed met [minderjarige] in de nieuwe gezinssamenstelling. Hij wil bij de man blijven wonen en hij wil daar naar school. Wanneer de man weer met [minderjarige] zou terugverhuizen naar [woonplaats] zou dit veel weerstand bij [minderjarige] opleveren. Als [minderjarige] bij zijn moeder zou willen wonen zou de man daarmee akkoord gaan. Dit is echter niet het geval. [minderjarige] wil geen contact met haar hebben. De man zegt dit wel te stimuleren maar [minderjarige] wordt steeds boos wanneer de man dit zegt.
De Raad
4.3.1. De Raad heeft tijdens de zitting naar voren gebracht dat er duidelijk sprake is van een toename van de zorgen rondom [minderjarige] . Er is een complexe situatie gecreëerd die erg schadelijk is voor [minderjarige] . Het advies van mevrouw [naam] wordt door beide partijen verschillend uitgelegd. Mevrouw [naam] geeft aan dat [minderjarige] gebaat is bij zekerheid over waar hij moet wonen maar zij zegt niet waar dat moet zijn. De keuze van [minderjarige] lijkt voort te komen uit zelfbescherming. Hij weet niet wat hij wil en zit vreselijk klem tussen zijn ouders. Op iedere school waar hij komt, laat hij problematiek zien. Het is belangrijk dat er hulpverlening voor [minderjarige] gaat komen. De Raad geeft verder aan dat ook de vrouw in een klempositie zit. Wanneer zij niet doet wat [minderjarige] vraagt, raakt zij hem kwijt. Zij heeft voor [minderjarige] de rol van boeman gekregen. De man geeft weliswaar aan dat [minderjarige] naar de vrouw mag gaan, maar dit klinkt niet alsof hij hier daadwerkelijk emotionele toestemming voor geeft.
De vrouw heeft geen toestemming gegeven voor de verhuizing. Daar moet in de bodemprocedure nog over beslist worden. De Raad gaat nog onderzoek doen naar wat het beste is voor [minderjarige] . Dit onderzoek dient plaats te vinden vanuit de positie die er destijds was. Pas wanneer alle omstandigheden rondom [minderjarige] goed in kaart zijn gebracht, waarbij ook in aanmerking wordt genomen wat [minderjarige] zélf wil, kan er duidelijkheid over worden gecreëerd.
4.3.2. Vanwege de ernst van de zorgen acht de Raad een voorlopige ondertoezichtstelling noodzakelijk om een acute en ernstige bedreiging voor [minderjarige] weg te nemen. De Raad dient hiertoe een mondeling verzoek in (de volgende dag, na schriftelijke bevestiging, geregistreerd onder het zaaknummer C/02/442874 / JE RK 25-2207). Wanneer dit verzoek wordt toegewezen zal de GI gaan bekijken welke plek het beste is voor [minderjarige] . Misschien is dit noch bij de man, noch bij de vrouw.
5. De beoordeling
Ontvankelijkheid
Ingevolge artikel 223 lid 1 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan iedere partij tijdens een aanhangig geding vorderen dat de rechter een voorlopige voorziening zal treffen voor de duur van het geding. Lid 2 van dit artikel bepaalt dat de vordering moet samenhangen met de hoofdvordering.
In een verzoekschriftprocedure kan een voorlopige voorziening naar analogie van artikel 223 Rv worden verzocht (HR 5 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3533).
Naar het oordeel van de rechtbank hangen de onderhavige verzoeken samen met de verzoeken in de bodemprocedure, zodat de vrouw kan worden ontvangen in haar verzoeken.
Spoedeisendheid
Ter beantwoording van de vraag of er plaats is voor een toewijzing van het verzoek van de vrouw tot het vaststellen van een voorlopige voorziening als voormeld dient de rechtbank te onderzoeken of hierbij een voldoende spoedeisend belang bestaat. Van een voldoende belang bij toewijzing van een dergelijk verzoek is sprake indien van de verzoekende partij niet kan worden gevergd dat deze de afloop van de bodemprocedure afwacht. De rechter dient daarbij de belangen van alle betrokkenen af te wegen tegen de achtergrond van de te verwachten resterende duur van de hoofdzaak en van de proceskansen daarin.
Gebleken is dat de man, zonder toestemming van de vrouw, al lang is verhuisd naar [plaats] . Hij heeft daar ook al een school voor [minderjarige] op het oog. Dit in weerwil van de uitspraak van deze rechtbank van 3 oktober 2025 in de voorlopige voorziening, waarin een raadsonderzoek is gelast om het een en ander uit te zoeken en waarbij de Raad verzocht is om het rapport en advies uit te brengen in voormelde bodemprocedure. Nu er in de bodemprocedure nog geen zittingsdatum is bepaald, kan een beslissing daarin nog geruime tijd uitblijven. Dit maakt dat er sprake is van een voldoende spoedeisend belang. De vrouw is daarom ontvankelijk in haar verzoek.
Terugverhuizing
De rechtbank is met de Raad van oordeel dat de ontstane situatie door de man is gecreëerd. Hij heeft hiermee niet gehandeld in het belang van [minderjarige] maar slechts gekeken naar zijn eigen belang. De man is volledig zijn eigen gang gegaan, door in weerwil van de beschikking van deze rechtbank van 3 oktober 2025, al met [minderjarige] te verhuizen, zonder de uitkomst van het onderzoek van de Raad af te wachten. De vrouw lijkt hiermee voor een voldongen feit te zijn geplaatst.
Zoals de rechtbank al in haar eerdere uitspraak heeft overwogen, is het van belang dat goed wordt uitgezocht wat een passende plek is voor [minderjarige] om te wonen. Op dit moment is dit nog steeds onvoldoende duidelijk. In voormelde beschikking van 3 oktober 2025 is al overwogen dat goed onderzocht moet worden of het in het belang is van [minderjarige] om bij de man te wonen en om met de man te verhuizen. [minderjarige] lijkt bij de man te willen wonen maar in de ogen van de rechtbank en de Raad zit hij erg klem tussen zijn ouders. Mede gelet op zijn kindeigen problematiek kan [minderjarige] de gevolgen van deze keuze onvoldoende overzien. De rechtbank kan de man volgen in zijn stelling dat er duidelijkheid moet komen. Echter, die duidelijkheid kan er pas komen wanneer de Raad goed heeft onderzocht welke verblijfplaats voor [minderjarige] passend is.
Gelet op het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat het verzoek van de vrouw om de man te gebieden met [minderjarige] terug te verhuizen naar [woonplaats] moet worden toegewezen. De man dient met [minderjarige] binnen twee weken na de uitspraakdatum terug te verhuizen naar [woonplaats] , zodat het onderzoek van de Raad kan plaatsvinden op basis van de situatie zoals deze bekend was ten tijde van de beschikking van 3 oktober 2025. De rechtbank begrijpt dat deze beslissing moeilijk is voor de man, maar zij wijst erop dat de man zelf dit risico heeft genomen door zonder toestemming al te verhuizen. Hij dient hiervan de gevolgen te aanvaarden.
Dwangsom
Om de man te dwingen tot de nakoming van voormeld terugverhuisgebod, ziet de rechtbank aanleiding om de man te veroordelen tot de nakoming daarvan op straffe van een dwangsom van € 300,00 per dag, voor iedere dag dat de man niet aan voormeld terugverhuisgebod voldoet, met een maximum van € 5.000,00.
Verbod inschrijving school
De vrouw heeft daarnaast verzocht de man te verbieden [minderjarige] in te schrijven op een andere school. Nu partijen gezamenlijk het gezag over [minderjarige] hebben, en de man aldus de toestemming van de vrouw nodig heeft om [minderjarige] op een andere school in te schrijven, ziet de rechtbank geen aanleiding dit verzoek toe te wijzen. Zij wijst dit verzoek dan ook af.
Uitvoerbaar bij voorraad
De rechtbank zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, omdat het in het belang is van [minderjarige] dat deze beslissing, ondanks een eventueel hoger beroep, meteen uitgevoerd kan worden.
Proceskosten
Gelet op het familierechtelijke karakter van deze procedure zullen de proceskosten worden gecompenseerd. Dat betekent dat iedere partij zijn eigen kosten moet dragen.
6. De beslissing
De rechtbank:
gelast de man om samen met de minderjarige [minderjarige] binnen twee weken na deze uitspraak terug te verhuizen naar zijn voormalige woning, althans naar een woning die binnen een straal van maximaal 15 kilometer van de voormalige echtelijke woning gelegen te [woonplaats] aan het [adres], waarbij heeft te gelden dat de man met [minderjarige] uiterlijk na twee weken na deze uitspraak (opnieuw) feitelijk woonplaats heeft in [woonplaats] , op straffe van verbeurte van een door de man aan de vrouw te betalen dwangsom van € 300,00 voor iedere dag dat de man dit gebod niet nakomt, met een maximum van € 5.000,00;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. Bogaert, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 23 december 2025, in aanwezigheid van Van Beijsterveldt, griffier.
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.