RECHTBANK ZEELAND -WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/434358 / JE RK 25-713
Datum uitspraak: 18 december 2025
Nadere beschikking over verlenging machtiging uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering, gevestigd te Rotterdam , hierna te noemen: de GI,
over de minderjarigen
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2019 in [geboorteplaats 1] , Duitsland ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2021 in [geboorteplaats 2] ,
hierna te noemen: [minderjarige 2] .
De rechtbank merkt in deze zaak als belanghebbende aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. Ö. Aydoğan te ’s-Hertogenbosch.
Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) heeft de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland -West-Brabant, locatie Breda, hierna te noemen: de Raad, de rechtbank over de verzoeken geadviseerd.
1. Het verdere verloop van de procedure
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
de beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 6 juni 2025 en alle daarin genoemde stukken;
de rapportage van de GI van 4 november 2025;
het rapport van de Raad van 6 november 2025;
de stukken ontvangen van de GI op 11 november 2025;
de brief, met bijlage van mr. Aydoğan van 20 november 2025.
Bij voormelde beschikking heeft de kinderrechter de zaak in de stand waarin deze zich bevond, verwezen naar de meervoudige kamer van deze rechtbank.
Op 25 november 2025 heeft de meervoudige kamer van de rechtbank de behandeling van de zaak ter zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
de moeder, bijgestaan door mr. Aydoğan;
twee vertegenwoordigsters namens de GI;
een vertegenwoordigster namens de Raad.
2. De feiten
Bij voormelde beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 6 juni 2025 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verlengd tot 9 juni 2026. Daarnaast is de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg verlengd tot 9 december 2025. De moeder heeft aangegeven dat de GI al in oktober 2024 heeft besloten dat het perspectief van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] niet langer bij de moeder ligt. De kinderrechter is van oordeel dat dit perspectiefbesluit van de GI onvoldoende is onderbouwd. Daarom is de Raad verzocht onderzoek te doen naar het perspectief van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , waarin de (on)mogelijkheden tot thuisplaatsing bij de moeder uitgebreid worden toegelicht. Gelet hierop heeft de kinderrechter bepaald dat het resterende deel van het verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zal worden behandeld door de meervoudige kamer van de rechtbank. De kinderrechter heeft de verdere beslissingen hierover aangehouden tot 9 november 2025 pro forma.
De kinderrechter heeft tot slot gelet op het verzoek aan de Raad tot het doen van onderzoek, de zelfstandige verzoeken van de moeder om op grond van artikel 810 lid 2 Rv een deskundigenonderzoek te gelasten en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gefaseerd bij de moeder terug te plaatsen, althans een zodanige beslissing te nemen die de kinderrechter juist acht, afgewezen.
Bij beschikking van 12 augustus 2025 heeft de kinderrechter de GI toestemming gegeven tot wijziging van het verblijf van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar een ander pleeggezin. Dit omdat het pleeggezin waar zij sinds september 2023 verbleven te kennen heeft gegeven dat zij de plaatsing zo spoedig mogelijk wensten te beëindigen. Sinds 16 augustus 2025 verblijven de kinderen in het pleeggezin van de heer en mevrouw [naam 1] in Zeeland .
3. Het verzoek
Aan de orde is nu nog het resterende deel van het verzoek van de GI om de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling, in dit geval tot 9 juni 2026.
Daarnaast heeft de GI in de onderbouwing van haar verzoek aan de rechtbank gevraagd om het perspectiefbesluit te bevestigen zodat een thuisplaatsing van de kinderen niet meer onderzocht hoeft te worden.
4. De standpunten
De Raad heeft in zijn rapport van 6 november 2025 aangegeven dat de kinderen aan het wennen zijn in het nieuwe pleeggezin. Zij gaan nog eens per twee weken een dag naar het vorige pleeggezin. Dit is belangrijk voor hen. De Raad maakt zich er zorgen over dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onvoldoende leren om vertrouwen te (kunnen) hebben in de volwassenen en de wereld om hen heen, omdat zij al veel wisselingen van opvoedomgeving hebben meegemaakt. Daarnaast heeft de Raad zorgen over de kinderen, met name over [minderjarige 1] , omdat zij het huiselijk geweld tussen de moeder en haar ex-partner hebben meegemaakt en omdat de meisjes belast lijken te worden met volwassen zaken. Er is eens in de twee weken een begeleide bezoekregeling tussen de moeder en de kinderen gedurende twee uur in een binnenspeeltuin in [plaats 4] . De moeder komt haar afspraken voor de omgangsmomenten al enige tijd goed na. De kinderen zijn blij wanneer zij hun moeder zien. Sinds april 2025 is er voor de moeder begeleiding gestart vanuit de [wmo] . De moeder krijgt hulpverlening voor praktische zaken en haar eigen welzijn. Sinds januari 2025 is ook [hulpverlening] betrokken bij het gezin. Zij zijn aanvankelijk gestart met omgangsbegeleiding maar sinds augustus 2025 geven zij ook ambulante begeleiding aan de moeder. De moeder staat open voor alle hulpverlening. Zij heeft inmiddels een eigen woning en zij volgt een opleiding. De moeder heeft geen contact meer met haar ex-partner. De moeder wil haar kinderen meer zien en ook bij haar thuis. De Raad meent dat er, gelet op de positieve veranderingen in het leven van de moeder, meer zicht moet komen op de mogelijkheden tot uitbreiding van de omgang van de moeder met de kinderen. Daarnaast is het belangrijk dat er meer bekend wordt over de cognitieve vermogens van de moeder. Verder vindt de Raad het belangrijk dat er meer ingezet gaat worden op de kwaliteit van de omgangsmomenten en de begeleiding die daarbij geboden wordt. De Raad vindt het van belang dat er gekeken wordt op welke andere locatie er omgang kan plaatsvinden. Nu vindt de omgang plaats in een binnenspeeltuin en de Raad acht het van belang dat het contact in een meer huiselijke omgeving plaatsvindt. Hierbij moet ook gekeken worden naar de mogelijkheid om de begeleide omgang plaats te laten vinden bij de moeder thuis. Verder vindt de Raad het belangrijk dat er therapie start voor de kinderen. Momenteel is het een goede zaak dat de kinderen ingroeien in het nieuwe pleeggezin. Die plaatsing moet dan ook gecontinueerd worden.
De Raad is van mening dat het bekrachtigen van het perspectiefbesluit op dit moment niet in het belang is van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Enerzijds omdat dit onder de huidige omstandigheden naar de mening van de Raad niet de gewenste rust met zich mee zal brengen voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , zoals de GI veronderstelt. Er wordt momenteel al veel van de kinderen gevraagd in verband met de recente verhuizing naar het huidige pleeggezin. Anderzijds is de Raad van mening dat de rol van de moeder in het leven van de kinderen nog onvoldoende duidelijk is. Het bekrachtigen van het perspectiefbesluit is een ingrijpende en definitieve beslissing. Naar de mening van de Raad kan hiertoe pas worden overgegaan op het moment dat de (on)mogelijkheden van de moeder in relatie tot de kinderen gedegen in beeld zijn gebracht. Ook moet er zicht komen op de hechtingsrelatie tussen de kinderen en hun moeder. De Raad is van mening dat de aanvaardbare termijn voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op dit moment nog niet is verstreken. De Raad schat deze op negen maanden, te rekenen vanaf de afronding van het onderzoek door de Raad. De meisjes tonen zich, onder de omstandigheden, veerkrachtig en uit het onderzoek komt naar voren dat zij niet dusdanig vastlopen in hun ontwikkeling dat deze stagneert.
In de genoemde negen maanden zal de GI zich moeten richten op de volgende doelen:
- De begeleide omgang tussen de kinderen en moeder vindt in een meer natuurlijke setting plaats.
o Duidelijk wordt of de omgang bij moeder kan plaatsvinden.
o Duidelijk wordt of de frequentie van de omgang verhoogd kan worden.
Passende hulpverlening wordt ingezet bij de meisjes.
Er is zicht op de mogelijkheden van moeder:
o Opvoedingsvaardigheden.
o Cognitie.
- Passende hulpverlening wordt ingezet bij moeder, als dat nodig blijkt te zijn.
De Raad adviseert de rechtbank nog geen besluit te nemen over het toekomstperspectief van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Ten slotte benadrukt de Raad dat dit nog niet betekent dat de kinderen terug gaan naar de moeder. Het is belangrijk dat de moeder niet aan de kinderen gaat trekken of hen verder gaat verwarren.
Tijdens de zitting heeft de Raad aanvullend aangevoerd dat het belangrijk is dat de omgang tussen de moeder en de kinderen zo snel mogelijk plaats gaat vinden in een meer natuurlijke setting. Daarbij zou ook een uitbreiding van de omgang heel wenselijk zijn. De GI moet hier goed naar kijken. De Raad vindt het wel belangrijk dat de GI de regie hierover behoudt. De Raad is het eens met het verzoek om de machtiging tot uithuisplaatsing te verlengen tot het einde van de ondertoezichtstelling.
De GI heeft in haar brief van 4 november 2025 aangegeven dat zij ondanks de visie van de Raad van mening blijft dat de aanvaardbare termijn voor de kinderen is verstreken. Het is van groot belang dat er voor beide kinderen hulpverlening wordt ingezet die gericht is op (mogelijke) trauma- en hechtingsproblematiek. De GI heeft ervoor gekozen om nog niet te starten met de hulpverlening, omdat de onduidelijkheid over hun toekomstperspectief de bestaande problematiek waarschijnlijk zou verergeren en onrust zou veroorzaken. De GI heeft er onvoldoende vertrouwen in dat binnen de door de Raad genoemde termijn van negen maanden zowel volledig zicht kan worden verkregen op de opvoed- en cognitieve vaardigheden van de moeder, als dat binnen diezelfde termijn passende hulpverlening kan worden opgestart én afgerond met voldoende resultaat om een hernieuwde afweging te kunnen maken over een eventuele thuisplaatsing. De aanhoudende onzekerheid over het toekomstperspectief heeft naar verwachting van de GI een nadelige invloed op de kinderen. Voor een gezonde ontwikkeling van de kinderen is het van belang dat er op korte termijn duidelijkheid en stabiliteit wordt geboden.
De GI heeft met inachtneming van de visie van de Raad besloten dat er voor de kinderen een aanmelding zal worden gedaan bij een passende zorgaanbieder in de omgeving van het huidige pleeggezin. Gedacht wordt aan [zorginstelling] in [plaats 2] . Er wordt voorgesteld te starten met een interventie die zich primair richt op het verkrijgen van inzicht in de aanwezigheid en aard van traumaklachten, gevolgd door overbruggende (spel)therapie gericht op het voorbereiden van kinderen op daadwerkelijke traumatherapie. Op dit moment acht de GI het niet passend om de omgangsfrequentie te verhogen. De kinderen volgen een continurooster en zijn dagelijks tot 14.00 uur op school aanwezig. Een hogere frequentie zou in de huidige omgangsvorm een extra belasting vormen, mede gezien de aanzienlijke reisafstand. De GI zal de komende periode de verschillende opties zorgvuldig afwegen en toewerken naar een omgangsregeling die het best aansluit bij de behoeften en belastbaarheid van de kinderen. Daarbij wordt tevens aandacht besteed aan het creëren van omstandigheden waarin de moeder optimaal kan worden begeleid in haar bejegening van de kinderen en in het op een positieve en passende wijze vormgeven van het contact.
De GI onderschrijft het belang van diagnostiek om zicht te krijgen op de cognitieve vermogens en het persoonlijk functioneren van de moeder. Hiervoor is de medewerking en intrinsieke motivatie van de moeder nodig. De GI acht het van groot belang dat, wanneer wordt gekozen voor diagnostiek, de regie bij de GI blijft en dat de moeder via de jeugdbeschermers wordt aangemeld bij een passende zorgaanbieder. Gedacht kan worden aan een zorgaanbieder waar zowel zicht kan worden verkregen op opvoedvaardigheden als op het cognitief functioneren van de moeder, bijvoorbeeld De Gezinsmanager of Mentaal Beter. Daarnaast blijft het voor de komende periode van groot belang dat de moeder actief blijft meewerken aan de ambulante begeleiding via [hulpverlening] .
Concluderend verzoekt de GI de rechtbank om het opvoedperspectief vast te stellen. Indien de rechtbank tot de conclusie komt dat dit op dit moment nog niet mogelijk is, kan de GI zich vinden in de visie van de Raad om te werken aan de genoemde doelen, met inachtneming van de door de GI benoemde aandachtspunten en zorgen. Daarnaast wordt verzocht het resterende, aangehouden deel van het verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing toe te wijzen tot 9 juni 2026, zodat de noodzakelijke continuïteit en stabiliteit in de plaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] kan worden gewaarborgd.
Tijdens de zitting is daar door de GI aan toegevoegd dat de kinderen recent zijn aangemeld voor hulpverlening bij [zorginstelling] in [plaats 2] . Dit om inzicht te krijgen in wat er bij hen speelt en of er sprake is van trauma. Vervolgens kan dan een passende interventie worden ingezet. Met de moeder is inmiddels gesproken over het inzetten van hulpverlening om te komen tot diagnostiek. De moeder staat hier achter. De GI zou de moeder hiervoor willen aanmelden bij Mentaal Beter of De Gezinsmanager. De GI heeft de moeder nog niet aangemeld omdat zij eerst de uitkomst van onderhavige procedure wil afwachten.
Ten aanzien van de omgang heeft de GI tijdens de zitting aangevoerd dat er door de GI is gekeken naar hoe de moeder tegemoet kan worden gekomen, nu de kinderen in Zeeland verblijven. De omgang vindt nu plaats in [plaats 4] in plaats van in [plaats 5] . De moeder krijgt van de GI een financiële tegemoetkoming ter compensatie van de extra kosten die zij hiervoor moet maken. De GI is bereid om in te zetten op een omgang in een meer natuurlijke setting. Gekeken kan worden naar een regeling waarbij de omgang om en om plaatsvindt bij de moeder thuis en bij het kantoor van [pleegzorgorganisatie] in [plaats 2] . Hier is een huiskamersetting aanwezig. De begeleiding kan in dat geval plaatsvinden door een pleegzorgmedewerker. Het zou de voorkeur van de GI hebben wanneer de omgang bij de moeder thuis (in [woonplaats] ) gekoppeld zou kunnen worden aan de omgang met het voormalig pleeggezin (in [plaats 3] ). De kinderen zouden dan bijvoorbeeld op een vrijdag omgang met de moeder kunnen hebben en overnachten bij de voormalige pleegouders. Dit moet echter nog worden besproken met alle betrokkenen. Hoewel het de voorkeur van de GI heeft om eerst duidelijkheid te hebben over het perspectief van de kinderen, is het niet hun bedoeling om de omgang terug te schroeven wanneer het perspectief niet bij de moeder wordt bepaald. Het gaat uiteindelijk om de behoefte van de kinderen. De GI betwist niet dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] steeds blij zijn hun moeder te zien.
De moeder kan zich vinden in de bevindingen van de Raad. Zij meent dat het perspectiefbesluit dat in oktober 2024 is genomen voorbarig is en onzorgvuldig tot stand is gekomen. De GI heeft haar daar een brief over geschreven op 10 april 2025. Zij verzoekt de rechtbank het perspectiefbesluit van de GI niet te onderschrijven. De moeder staat achter de doelen die door de Raad zijn geformuleerd voor de GI. Zij hoopt dat de GI zich hier ook daadwerkelijk op zal gaan richten. Gelet op de reactie van de GI kan de moeder zich niet aan de indruk onttrekken dat de GI nog steeds sterk leunt op het verleden en dat niet duidelijk is of zij van de GI nog een eerlijke kans krijgt. De moeder beschikt inmiddels over een volledig ingerichte zelfstandige woonruimte in [woonplaats] , zij ontvangt een uitkering, zij heeft een ondersteunend netwerk om zich heen en de ambulante hulpverlening verloopt goed. De moeder staat open voor meer hulpverlening. De omgangsmomenten verlopen positief, de moeder volgt een opleiding en vanuit de betrokken hulpverlening wordt consequent positief over haar inzet en ontwikkeling teruggekoppeld. Desondanks houdt de GI vast aan het eerder genomen perspectiefbesluit en lijkt zich niet te willen inzetten voor de hulpverlening die, conform haar wettelijke opdracht, mede gericht moet zijn op een mogelijke thuisplaatsing van de kinderen bij de moeder. De moeder wenst samen met de GI te komen tot een constructieve samenwerking. Zij hoopt dat de GI dezelfde intentie heeft. Zij is bereid consequent mee te werken aan alle ingezette ondersteuning en de noodzakelijke stappen te zetten in haar verdere ontwikkeling. Nu op dit moment het toekomstperspectief van de kinderen nog niet kan worden vastgesteld en de kinderen onder toezicht zijn gesteld, uit huis zijn geplaatst en om verlenging wordt verzocht, dient er conform de wet gewerkt te worden aan een mogelijke terugplaatsing bij de moeder. De GI wordt dan ook verzocht aan de moeder schriftelijk duidelijk te maken wat van haar wordt verwacht en aan welke voorwaarden zij moet voldoen om tot thuisplaatsing van de kinderen te komen.
Door en namens de moeder is verwezen naar hetgeen zij eerder heeft aangevoerd in de procedure rondom de overplaatsing van de kinderen naar het pleeggezin in Zeeland . De afstand tot haar woonplaats is hiermee aanzienlijk vergroot. De GI heeft tijdens de mondelinge behandeling van 7 augustus 2025 toegezegd dat de grotere afstand geen beperking zou hoeven te vormen voor een terugplaatsing bij de moeder, indien uit het onderzoek van de Raad zou blijken dat het perspectief bij de moeder ligt. Uit de brief van de GI van 4 november 2025 blijkt nu dat de GI kanttekeningen plaatst bij een uitbreiding van de frequentie van de omgang vanwege de grote afstand. Deze afstand zou belastend zijn voor de kinderen. Op grond van artikel 1:262 lid 2 en lid 3 van het Burgerlijk Wetboek (BW) dienen de inspanningen van de GI tijdens een ondertoezichtstelling en een uithuisplaatsing erop gericht te zijn de ouder zoveel mogelijk verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van de kinderen te laten dragen en de gezinsband tussen hen te bevorderen. De moeder wijst in dit verband op de uitspraak van de Hoge Raad van 21 mei 2021 (ECLI:NL:HR:2021:748).
Nu de GI weigert de zorgregeling op dit moment uit te breiden en de moeder er geen vertrouwen in heeft dat de GI op korte termijn de omgangsfrequentie zal aanpassen, heeft de moeder de mogelijkheid om via de weg van artikel 1:262b BW de vaststelling van een zorgregeling aan de rechtbank voor te leggen. Het geschil tussen de moeder en de GI betreft immers de uitvoering van de ondertoezichtstelling.
Bij zelfstandig verzoek verzoekt de moeder de rechtbank om bij beschikking de volgende beslissingen te nemen:
Het perspectiefbesluit van de GI niet te onderschrijven/bekrachtigen;
Een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vast te stellen, in die zin dat de moeder iedere week minimaal 4 uur per dag met de kinderen omgang zal hebben bij haar thuis dan wel op een andere natuurlijke setting, welke regeling na een periode van twee maanden onder regie van de Gl verder dient te worden uitgebreid, althans een zodanige beslissing te nemen als de rechtbank in goede justitie oordelend redelijk en juist acht.
Tijdens de zitting is daar door en namens de moeder aan toegevoegd dat zij zich refereert aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing. Wel dient de komende periode gewerkt te worden aan terugplaatsing van de kinderen bij de moeder. Het doet de moeder pijn dat zij haar kinderen maar twee uur per twee weken ziet. Zij heeft al een paar keer aangegeven dat zij uitbreiding van de omgang wil, maar hier wordt niet of afwijzend op gereageerd. De advocaat van de moeder meent daarom dat er sprake is van een geschil tussen de moeder en de GI over de uitvoering van de ondertoezichtstelling. De nicht van de moeder loopt stage in een gezinshuis. Zij ondersteunt de moeder ook. Zij zou wellicht een rol kunnen spelen in het begeleiden van de omgang bij de moeder thuis. Het is voor de moeder vooral belangrijk dat de omgang wekelijks plaats gaat vinden. De moeder is bereid hiervoor naar Zeeland te reizen wanneer de ingang afwisselend bij haar thuis en in Zeeland bij [pleegzorgorganisatie] zou plaatsvinden.
5. De beoordeling
Belanghebbenden
Allereerst overweegt de rechtbank dat de heer en mevrouw [naam 2] , de voormalige pleegouders van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , niet meer aangemerkt dienen te worden als belanghebbenden in deze procedure nu zij niet langer de zorg voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] dragen. De huidige pleegouders zijn nog geen belanghebbenden.
Wettelijk kader
Op grond van artikel 1:265b, lid 1 BW kan de rechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid. Op grond van artikel 1:265c, lid 2 BW kan de rechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen
met ten hoogste een jaar.
Perspectiefbesluit
De GI heeft de rechtbank verzocht hun perspectiefbesluit van oktober 2024 te bevestigen. De rechtbank merkt op dat een perspectiefbesluit zoals door de GI is genomen, niet is geregeld in de wet. De wet geeft geen mogelijkheid om een perspectiefbesluit te laten toetsen door een rechter (HR 1 september 2023, CLI:NL:HR:2023:1148). In deze uitspraak overweegt de Hoge Raad ook dat de rechter een perspectiefbesluit wel kan beoordelen voor zover noodzakelijk is voor de beoordeling van beslissingen, maatregelen en verzoeken die (mede) voortvloeien uit of samenhangen met het standpunt van de GI over het opgroeiperspectief van een kind.
In dit geval heeft de GI het standpunt ingenomen dat het perspectief van de kinderen niet meer bij de moeder ligt en in dat licht een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing verzocht. In dat kader zal de rechtbank het perspectiefbesluit bij de beoordeling betrekken.
De GI heeft in oktober 2024 al een perspectiefbesluit over de kinderen genomen, inhoudende dat het perspectief van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] niet langer bij de moeder is gelegen. Dit hebben zij in april 2025 in een brief aan de moeder meegedeeld. Het besluit is herhaald in oktober 2025. De moeder is het niet eens met dit perspectiefbesluit. Zij is van mening dat zij onvoldoende kansen heeft gekregen om te laten zien dat zij [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voldoende kan bieden. Naar haar mening is het punt nog niet bereikt dat het perspectief van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] niet meer bij haar gelegen kan zijn.
In de beschikking van 6 juni 2025 heeft de kinderrechter de Raad gevraagd onderzoek te doen naar het perspectief van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De Raad heeft uitgebreid onderzoek gedaan en komt tot de conclusie dat het op dit moment niet in het belang is van de kinderen om het perspectiefbesluit te bekrachtigen. De rechtbank neemt deze conclusie over. De kinderen zijn in augustus jongstleden overgeplaatst naar een nieuw pleeggezin, nadat zij bijna twee jaar in het vorige pleeggezin zijn verbleven. Zij zijn nog aan het wennen en ingroeien in het nieuwe pleeggezin en zijn hier nog niet volledig geworteld. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat de moeder nog onvoldoende kansen heeft gekregen om te laten zien dat zij zelf de kinderen kan verzorgen en opvoeden, zeker gelet op de positieve ontwikkelingen die zij nu laat zien. De rechtbank volgt de Raad dat er nog onvoldoende zicht is op de mogelijkheden van de moeder. Door de vele positieve veranderingen in het leven van de moeder kunnen er meer mogelijkheden zijn ontstaan voor de kinderen en de moeder, in eerste instantie met name qua omgang. Met de Raad vindt de rechtbank het van belang dat er gekeken gaat worden naar de mogelijkheden van omgang bij de moeder thuis.
De Raad heeft in zijn rapport een aantal doelen genoemd waar de GI zich in de komende tijd op moet gaan richten. Er moet intensief ingezet worden op hulpverlening aan de moeder. Het is belangrijk dat er zo snel mogelijk met diagnostisch onderzoek gestart kan worden bij De Gezinsmanager of Mentaal Beter, zodat daarna de juiste hulpverlening voor de moeder kan worden ingezet. Daarnaast moet de ambulante hulpverlening vanuit [hulpverlening] door blijven lopen. De komende tijd zal ook meer zicht moeten komen op de opvoedingsvaardigheden van de moeder. De vraag of zij de kinderen ‘goed genoeg ouderschap’ kan bieden moet eerst beantwoord worden voordat het perspectief van de kinderen definitief kan worden bepaald.
Daarnaast is het belangrijk dat er door de GI voortvarend zal worden ingezet op hulpverlening aan de kinderen. [zorginstelling] zal beoordelen in hoeverre er sprake is van een ontwikkelingsachterstand dan wel trauma bij hen en in hoeverre daarvoor hulpverlening moet worden ingezet. Indien de conclusie is dat de kinderen vanwege kindeigen problematiek een opvoeder-plus nodig hebben, dient de vraag beantwoord te worden of de moeder aan de kinderen kan bieden wat zij nodig hebben.
Gelet op het bovenstaande is de rechtbank met de Raad van oordeel dat het op dit moment voor de rechtbank nog te vroeg is om zich uit te laten over het perspectief van de kinderen.
Verlenging machtiging uithuisplaatsing
De huidige machtiging tot uithuisplaatsing loopt tot 9 december 2025. Gelet op de korte periode tussen de zitting en deze aflooptermijn heeft de rechtbank met instemming van partijen tijdens de zitting reeds mondeling uitgesproken dat de machtiging tot uithuisplaatsing wordt verlengd tot 23 december 2025. Het verzoek is voor het overige aangehouden.
De rechtbank is van oordeel dat ook het nog resterende verzoek van de GI moet worden toegewezen. De gronden voor een uithuisplaatsing zijn nog steeds aanwezig. Er is nog sprake van zorgen over de kinderen. Zij hebben in hun jonge leven al veel meegemaakt en weinig stabiliteit gekend. Zo hebben zij op veel verschillende plekken gewoond met wisselende opvoeders. Nadat zij twee jaar in een tijdelijk pleeggezin hebben verbleven zijn zij kort geleden verhuisd naar een nieuw pleeggezin in Zeeland . Dit betekent dat zij opnieuw moeten wennen en zich moeten aanpassen aan een nieuwe situatie en nieuwe mensen. Met name [minderjarige 1] lijkt ook last te hebben van het huiselijk geweld dat zij heeft meegemaakt tussen de moeder en haar ex-partner. Zij heeft last van nachtmerries en huilbuien. Bovendien dient er de komende periode voor zowel de moeder als de kinderen nog (aanvullende) hulpverlening te worden ingezet en dient er zicht te komen op het opvoedperspectief van de kinderen. Gelet op het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] nog altijd noodzakelijk is in het belang van hun verzorging en opvoeding. Tijdens de zitting is gebleken dat alle betrokkenen het erover eens zijn dat de machtiging tot uithuisplaatsing moet worden verlengd zoals verzocht door de GI. De rechtbank zal de machtiging tot uithuisplaatsing dan ook verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling, dit is tot 9 juni 2026.
Zelfstandig verzoek moeder
De moeder heeft zelfstandig verzocht om op grond van artikel 1:262b BW een zorgregeling vast te stellen tussen haar en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of het door de moeder gedane verzoek een verzoek is dat valt binnen de reikwijdte van artikel 1:262b BW. Deze vraag wordt door de rechtbank ontkennend beantwoord en daartoe wordt het volgende overwogen. De rechtbank is van oordeel dat van de geschillenregeling alleen gebruik kan worden gemaakt in die gevallen waarin de wet niet in een specifieke met waarborgen omklede procedure voorziet. Er is in een dergelijke met meer rechtswaarborgen omklede rechtsingang voorzien in artikel 1:265f BW. In het onderhavige geval is de moeder het niet eens met de wijze waarop de GI de omgangsregeling op dit moment heeft vormgegeven. Zij heeft wel om een wijziging van de omgang gevraagd, maar hier is door de GI geen beslissing op genomen. De GI moet echter binnen een redelijke termijn (twee weken) op een dergelijke verzoek van een ouder beslissen, welke beslissing vervolgens als een schriftelijke aanwijzing geldt. Op grond van artikel 1:264 BW zou de moeder dan om vervallenverklaring van die schriftelijke aanwijzing kunnen verzoeken, zodat de kinderrechter zich kan uitlaten over de door de GI vastgestelde omgangsregeling. Dit betreft een met waarborgen omkleedde voorziening, die voorliggend is. Het verzoek van de moeder is aldus gegrond op het verkeerde wetsartikel. Gelet op het voorgaande zal de moeder niet-ontvankelijk worden verklaard in haar zelfstandig verzoek.
Uitbreiding omgang
Bovenstaande neemt niet weg dat de rechtbank van oordeel is dat de huidige omgangsregeling uitgebreid moet worden. Daarbij dient te worden gekeken naar zowel duur als frequentie van de omgang. De rechtbank onderkent dat de grotere reisafstand als gevolg van de recente overplaatsing van de kinderen naar een ander pleeggezin in Zeeland van alle betrokkenen flexibiliteit en creativiteit vraagt. Deze grotere reisafstand mag echter niet betekenen dat er niet of slechts tot minimale uitbreiding van de omgang tussen de moeder en de kinderen wordt overgegaan. De noodzaak tot overplaatsing naar Zeeland was er, maar is noch aan de moeder noch aan de kinderen te wijten. Hun contact mag daardoor niet verminderen. De regeling zoals is verzocht door de moeder is echter niet haalbaar op dit moment. Het is in het belang van de kinderen dat er sprake is van een goede, veilige hechtingsrelatie met hun moeder. Dit kan alleen bereikt worden wanneer er sprake is van een meer intensieve vorm van contact. De GI moet daarom voortvarend inzetten op uitbreiding in de duur en frequentie van de omgang. Alleen dan kan er een veilige hechting plaatsvinden tussen de moeder en de kinderen. Dat is van cruciaal belang, ook omdat het perspectief van de kinderen nog niet is bepaald. Dat maakt dat er door de GI nog steeds toegewerkt moet worden naar een thuisplaatsing van de kinderen bij de moeder. Het is dan ook belangrijk dat de omgang zo spoedig mogelijk plaats gaat vinden in een natuurlijkere setting, dat wil zeggen in een huiskamersetting dan wel bij de moeder thuis. Tijdens de zitting heeft de GI gesproken over een omgang afwisselend bij de moeder thuis en in de huiskamersetting bij [pleegzorgorganisatie] in [plaats 2] . De rechtbank gaat er vanuit dat dit zo snel mogelijk wordt gerealiseerd. Verder dient er gekeken te worden naar praktische oplossingen voor het feit dat de reisafstand tussen de moeder en de kinderen aanzienlijk is sinds de verhuizing van de kinderen. Te denken valt aan het laten aansluiten van de omgang bij de moeder thuis in [woonplaats] op een bezoek van de kinderen aan de voormalige pleegouders in [plaats 3] en de omgang met de moeder laten plaatsvinden op dagen dat er geen school is (bijvoorbeeld in vakanties of in het weekend).
Uitvoerbaar bij voorraad
De rechtbank verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. De rechtbank vindt dit in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
6. De beslissing
De rechtbank:
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] tot 23 december 2025;
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] van 23 december 2025 tot 9 juni 2026;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
verklaart de moeder niet-ontvankelijk in haar zelfstandig verzoek.
Deze beslissing is voor zover het de machtiging tot uithuisplaatsing tot 23 december 2025 betreft mondeling gegeven op 25 november 2025 en schriftelijk bevestigd op 18 december 2025 en voorts voor het overige deel van het verzoek gegeven en in het openbaar uitgesproken op 18 december 2025 door mr. De Graaf, voorzitter, mr. Van Triest en mr. Jurkovich, allen kinderrechters, in aanwezigheid van Van Beijsterveldt als griffier.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen: