beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Breda
Zaaknummer: C/02/436895 / FA RK 25-3222
Datum uitspraak: 24 december 2025
Beschikking over wijziging gezamenlijk ouderlijk gezag naar eenhoofdig ouderlijk gezag
in de zaak van
[ouder 1] ,
hierna te noemen: [ouder 1] ,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. Y.I.B. Grosfeld te Breda ,
tegen
[ouder 2] ,
hierna te noemen: [ouder 2] ,
wonende in [woonplaats 2] ,
advocaat: mr. S. Klootwijk te Breda ,
over de minderjarige
[minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2015 te [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) heeft de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda , hierna te noemen: de Raad, de rechtbank over het verzoek geadviseerd.
1. Het procesverloop
In het procesdossier zitten de volgende stukken:
het op 21 juni 2025 ontvangen verzoekschrift, met bijlagen;
het op 26 november 2025 ontvangen verweerschrift, met bijlagen.
Op 2 december 2025 heeft de rechtbank het verzoek, met gesloten deuren, ter zitting behandeld. Bij die zitting zijn de ouders verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Daarnaast was een vertegenwoordigster namens de Raad aanwezig.
[minderjarige] heeft, gezien haar leeftijd, het recht om haar mening in deze zaak te geven. Zij is daarom uitgenodigd om aan te geven of zij behoefte heeft om haar mening schriftelijk of tijdens een gesprek met de kinderrechter te geven. [minderjarige] heeft als reactie daarop het antwoordformulier teruggestuurd waarop zij haar mening heeft geschreven. Dat antwoord is op de zitting met partijen besproken.
2. De feiten
Partijen hebben een relatie met elkaar gehad. [minderjarige] is binnen deze relatie geboren.
[ouder 2] heeft [minderjarige] erkend, waardoor zij de juridisch ouder van [minderjarige] is.
Bij beschikking van deze rechtbank van 30 juni 2020 is bepaald dat partijen vanaf dat moment gezamenlijk het ouderlijk gezag over [minderjarige] uitoefenen. Deze gezagssituatie is nadien niet gewijzigd en is dus nog steeds van kracht. Daarnaast is bij voormelde beschikking een zorg- en contactregeling tussen [ouder 2] en [minderjarige] bepaald. Ook is bij voormelde beschikking een informatieregeling bepaald, op basis waarvan [ouder 1] [ouder 2] maandelijks per e-mail over [minderjarige] dient te informeren. Bij afzonderlijke beschikking van deze rechtbank van 30 juni 2020 is het gezamenlijke verzoek van [ouder 1] en haar moeder (de oma moederszijde) om gezamenlijk met het gezag over [minderjarige] te worden belast, afgewezen.
Bij vonnis in kort geding van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 8 juni 2021 is [ouder 1] veroordeelt tot nakoming van de door de rechtbank bij beschikking van 30 juni 2020 bepaalde zorg- en contactregeling tussen [ouder 2] en [minderjarige] op straffe van een dwangsom.
[minderjarige] woont samen met [ouder 1] bij de oma moederszijde.
Er is sprake geweest van een ondertoezichtstelling van [minderjarige] van 17 april 2020 tot 16 april 2024. De gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering heeft de maatregel uitgevoerd.
3. Het verzoek van [ouder 1] en de onderbouwing daarvan
[ouder 1] verzoekt, uitvoerbaar bij voorraad, om het gezamenlijk ouderlijk gezag van partijen over [minderjarige] te beëindigen en te bepalen dat het ouderlijk gezag voortaan alleen aan [ouder 1] toekomt, kosten rechtens.
[ouder 1] heeft daartoe, samengevat, onder andere het volgende aangegeven. Sinds de relatie van partijen in 2017 is geëindigd, woont [minderjarige] bij [ouder 1] . Vanaf dat moment is het contact tussen [minderjarige] en [ouder 2] moeizaam verlopen. Vanaf april 2017 is er in het kader van de ondertoezichtstelling van [minderjarige] onder andere gewerkt aan het herstellen van het contact tussen [minderjarige] en [ouder 2] . Het is echter niet gelukt om structureel contact tussen hen te bereiken. Sinds 2023 hebben [minderjarige] en [ouder 2] geen contact meer met elkaar gehad. Vanwege de afwijzende houding van [minderjarige] , is in februari 2024 door de betrokken hulpverlening vastgesteld dat er op dat moment geen mogelijkheden waren om de contacten tussen hen te herstellen. Bij het afsluiten van de ondertoezichtstelling in april 2024 heeft de GI aangegeven dat [ouder 2] eerst aan zichzelf moet werken voordat er eventueel kan worden ingezet op contactherstel tussen haar en [minderjarige] . [ouder 1] stelt dat zij en [ouder 2] onderling ook geen contact met elkaar hebben en dat zij [ouder 2] niet kan bereiken, omdat zij niet weet waar [ouder 2] woont en zij haar huidige contactgegevens niet heeft. [ouder 1] heeft overigens niet geprobeerd om contact op te nemen met [ouder 2] via de bij haar bekende contactgegevens. [ouder 1] informeert [ouder 2] niet meer over [minderjarige] , omdat haar bij het afsluiten van de ondertoezichtstelling niet is gezegd dat zij dat moet blijven doen. [ouder 1] heeft tijdens de zitting toegezegd dat zij de informatieregeling vanaf nu weer zal nakomen en dat zij [ouder 2] dus weer maandelijks per e-mail over [minderjarige] zal informeren. [ouder 1] stelt verder dat [ouder 2] nooit interesse heeft getoond in [minderjarige] . [ouder 1] is dan ook van mening dat [minderjarige] niets meer te verwachten heeft van [ouder 2] als ouder. Voor zover het klopt dat het nu beter met [ouder 2] gaat, vindt [ouder 1] het opmerkelijk dat zij tot nu toe uit eigen beweging niets van zich heeft laten horen. Gelet op het voorgaande stelt [ouder 1] dat er sprake is van een relevante wijziging van omstandigheden sinds het gezamenlijk ouderlijk gezag is ontstaan bij beschikking van de rechtbank op 30 juni 2020 en dat een wijziging van het gezag op dit moment in het belang van [minderjarige] noodzakelijk is.
4. De standpunten
Het standpunt van [ouder 2]
voert verweer tegen het verzoek van [ouder 1] en verzoekt om [ouder 1] niet ontvankelijk te verklaren in haar verzoek, dan wel dit verzoek af te wijzen, kosten rechtens.
Namens en door [ouder 2] is daartoe, samengevat, onder meer het volgende aangevoerd. Vooropgesteld vindt [ouder 2] het verwerpelijk dat [ouder 1] een eenzijdig en onjuist beeld schetst van het ontstaan van de huidige situatie en dat zij zelfs onjuiste stukken heeft overgelegd, zoals e-mailberichten die nooit zijn verstuurd, althans welke berichten [ouder 2] nooit heeft ontvangen, en dat [ouder 1] de inhoud van de overgelegde verslaglegging van de GI heeft aangepast. Na een jarenlange gerechtelijke procedure heeft de rechtbank bij beschikking van 30 juni 2020 partijen belast met het gezamenlijk ouderlijk gezag over [minderjarige] . Daarnaast heeft de rechtbank een begeleide zorg- en contactregeling tussen [ouder 2] en [minderjarige] vastgesteld. Deze regeling is echter niet structureel uitgevoerd, omdat [ouder 1] en haar moeder deze regeling niet zijn nagekomen en doordat zij afspraken hebben afgezegd met redenen die achteraf niet waar bleken te zijn. [ouder 1] en haar moeder waren bovendien onvoldoende bereikbaar voor de GI. Doordat er destijds geen sprake was van structureel contact tussen [ouder 2] en [minderjarige] , was het voor hen onmogelijk om een band op te bouwen. Vanaf 2023 ging [ouder 2] vanwege haar transitie door een moeilijke periode. Zij heeft er toen voor gekozen om een stapje terug te doen en eerst aan zichzelf te werken, voordat er weer sprake kon zijn van omgang tussen haar en [minderjarige] . [ouder 2] wilde [minderjarige] niet belasten met haar eigen problemen. Tegelijkertijd heeft de destijds betrokken kindertherapeut geconcludeerd dat [minderjarige] toen onvoldoende ruimte ervoer voor het hebben van contact met [ouder 2] . Het doet [ouder 2] dan ook pijn en verdriet dat nu wordt gesteld dat zij geen interesse in [minderjarige] zou hebben. [ouder 2] stelt verder dat het inmiddels al langere tijd goed met haar gaat. Zij heeft een stabiele relatie en is in opleiding tot verpleegkundige. [ouder 2] betwist dat zij afspraken niet is nagekomen. Zij vindt het ook vreemd dat [ouder 1] haar niet zou kunnen bereiken, omdat zij nog steeds op het zelfde adres woont als voorheen en zij dezelfde contactgegevens heeft. Daar tegenover staat dat [ouder 1] de door de rechtbank bepaalde informatieregeling niet nakomt, met als gevolg dat [ouder 2] niet over [minderjarige] wordt geïnformeerd en zij niet wordt betrokken bij de belangrijke (gezags)beslissingen over [minderjarige] . De advocaat van [ouder 2] heeft aangegeven dat zij voor de volledigheid het e-mailadres van [ouder 2] aan [ouder 1] zal toesturen, zodat hier geen misverstand over kan ontstaan. [ouder 2] betwist tot slot dat zij (gezags)beslissingen over [minderjarige] zou hebben tegengehouden of vertraagd.
Gelet op het voorgaande stelt [ouder 2] zich op het standpunt dat er geen gronden zijn voor beëindiging van het gezamenlijk ouderlijk gezag. Voor zover er al sprake zou zijn van een situatie waarin [minderjarige] klem en verloren is geraakt of dreigt te raken vanwege het gezamenlijk ouderlijk gezag van partijen, stelt [ouder 2] dat dit te wijten is aan het gedrag en de houding van [ouder 1] en haar moeder.
De mening van [minderjarige]
[minderjarige] heeft op het antwoordformulier aangegeven dat zij wil dat haar moeder ( [ouder 1] ) het volledige gezag over haar krijgt, omdat [minderjarige] dat heel belangrijk vindt en zij veilig is bij haar moeder.
Het advies van de Raad
De Raad heeft, samengevat, onder meer het volgende aangegeven. Het wettelijk uitgangspunt is dat ouders na hun scheiding of na het verbreken van hun relatie, gezamenlijk het ouderlijk gezag over hun kind blijven uitoefenen. Niet gebleken is dat [ouder 2] de belangrijke (gezags)beslissingen over [minderjarige] heeft tegengewerkt. Gelet hierop ziet de Raad geen aanleiding voor het beëindigen van het gezamenlijk ouderlijk gezag. [ouder 2] is de biologische ouder van [minderjarige] en is en blijft daarom altijd belangrijk in haar leven. Nu [ouder 1] de door de rechtbank bepaalde informatieregeling niet nakomt, heeft de Raad ook niet het vertrouwen dat [ouder 1] uit eigen beweging [ouder 2] een rol zal (blijven) geven in het leven van [minderjarige] . Nu het loyaliteitsconflict waar [minderjarige] mogelijk in verkeert juist lijkt te zijn veroorzaakt door [ouder 1] en haar familie, is het naar de mening van de Raad ook om die reden niet helpend om het gezamenlijk ouderlijk gezag van partijen te beëindigen en [ouder 1] met het eenhoofdig ouderlijk gezag over [minderjarige] te belasten.
5. De beoordeling
In artikel 1:253n van het Burgerlijk Wetboek (BW) staat dat de rechter op verzoek van de ouders die niet met elkaar zijn getrouwd of een van hen het gezamenlijk gezag kan beëindigen. Dan kan als de omstandigheden zijn veranderd sinds de ouders samen het gezag hebben gekregen of als de rechtbank van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan toen hij het gezamenlijk gezag heeft vastgesteld. In dat geval beslist de rechtbank wie van de ouders voortaan alleen het gezag over het kind krijgt.
De rechtbank overweegt dat er sprake is van een relevante wijziging van omstandigheden sinds het gezamenlijk gezag van partijen over [minderjarige] is ontstaan (op 30 juni 2020), omdat er sinds 2023 geen sprake meer is van contact tussen [ouder 2] en [minderjarige] . Gelet hierop kan [ouder 1] worden ontvangen in haar verzoek. De rechtbank zal het verzoek daarom hierna inhoudelijk beoordelen en daarop beslissen.
In artikel 1:253n lid 1 BW staat dat artikel 1:251a lid 1 BW van toepassing is. In dat artikel staat dat de rechter kan beslissen dat het gezag over een kind naar één ouder gaat als er een onacceptabel risico is dat, als allebei de ouders het gezag houden, dit kind erg klem komt te zitten tussen die ouders en het er niet naar uitziet dat dit binnen korte tijd verbetert. Het gezamenlijke bezag kan ook beëindigd worden als dat in het belang van het kind noodzakelijk is.
Uit de overgelegde stukken en wat er tijdens de zitting is besproken, blijkt dat partijen al jarenlang een zeer moeizame onderlinge relatie hebben. De oma moederszijde heeft zich daar ook mee bemoeid. Partijen hebben al lange tijd geen onderling contact meer met elkaar. Vanaf 2023 is [ouder 2] in transitie gegaan van man tot vrouw, waardoor zij destijds een moeilijke periode doormaakte. De GI, die op dat moment in het kader van de uitvoering van de ondertoezichtstelling van [minderjarige] betrokken was, heeft in haar afsluitrapportage vastgesteld dat [ouder 2] eerst aan zichzelf zou moeten werken voordat er eventueel sprake zou kunnen zijn van herstel van het contact tussen haar en [minderjarige] . Inmiddels is het leven van [ouder 2] in rustiger vaarwater terechtgekomen, zo heeft zij tijdens de zitting aangegeven. Zij heeft een vaste partner en zij volgt een opleiding tot verpleegkundige.
De rechtbank overweegt, zoals de Raad heeft aangegeven, dat als wettelijk uitgangspunt heeft te gelden dat ouders na hun scheiding of na het verbreken van hun relatie, gezamenlijk het ouderlijk gezag over hun kind uitoefenen, tenzij sprake is van één of meerdere hiervoor genoemde gronden voor wijziging van het gezag. Dat er geen sprake is van communicatie en samenwerking tussen de ouders is in beginsel onvoldoende voor een wijziging van het gezag. Er moeten dan ook meerdere redenen zijn die een gezagswijziging noodzakelijk maken. De rechtbank neemt als onweersproken aan dat [ouder 2] nog steeds op hetzelfde, bij [ouder 1] bekende adres woont en dat zij nog steeds over dezelfde contactgegevens beschikt, waaronder het e-mailadres waarop [ouder 1] haar tot het afsluiten van de ondertoezichtstelling van [minderjarige] heeft geïnformeerd. Ter zitting heeft [ouder 2] voor de volledigheid haar woonadres genoemd en haar advocaat heeft toegezegd dat zij het e-mailadres van [ouder 2] aan [ouder 1] zal toesturen. De rechtbank volgt de stelling van [ouder 1] dat [ouder 2] onbereikbaar is voor haar, dan ook niet. Het is de rechtbank bovendien op geen enkele manier gebleken dat [ouder 1] enige moeite heeft gedaan om het contact met [ouder 2] te onderhouden. In plaats daarvan heeft [ouder 1] na het afsluiten van de ondertoezichtstelling eenzijdig beslist om [ouder 2] niet langer te informeren over [minderjarige] . Dit is in strijd met de door de rechtbank bepaalde informatieregeling en de wettelijke verplichting die [ouder 1] als gezaghebbende ouder en hoofdopvoeder van [minderjarige] heeft om [ouder 2] als medegezaghebbende ouder te informeren en in strijd met haar wettelijke verplichting om de band tussen [minderjarige] en [ouder 2] te bevorderen. Dat [minderjarige] [ouder 2] afwijst en zij geen contact met haar wil hebben, kan de rechtbank ook niet anders zien dan als het gevolg van de jarenlange negatieve beïnvloeding (bewust dan wel onbewust) vanuit [ouder 1] en haar moeder die ook uit de stukken in het dossier naar voren komt. [minderjarige] wordt verzorgd en opgevoed door [ouder 1] en haar oma en wordt door hen eenzijdig geïnformeerd. Zij kan niet anders dan zich achter hen scharen en dat maakt dat de rechtbank aan hetgeen [minderjarige] heeft geschreven zal voorbijgaan. Daarnaast is niet gebleken dat [ouder 2] op enig moment belangrijke (gezags)beslissingen over [minderjarige] heeft tegengehouden of vertraagd. Van een klem of verloren-situatie is dus geen sprake. De rechtbank vindt het juist in het belang van [minderjarige] dat zij [ouder 2] (weer) leert kennen. Zij stamt immers ook van haar af. [ouder 2] heeft haar leven op orde en daarin is ruimte voor hernieuwd contact met [minderjarige] . De rechtbank hoopt oprecht dat [ouder 1] hen beiden dit gunt en niet alleen [ouder 2] vanaf heden weer over [minderjarige] gaat informeren, maar ook hernieuwd contact tussen [minderjarige] en [ouder 2] zal gaan bevorderen.
Gelet op al het voorgaande ziet de rechtbank, met het oog op voormeld wettelijk uitgangspunt en het bepaalde in artikel 1:251a lid 1 BW, onvoldoende redenen om het gezamenlijk ouderlijk gezag van partijen te beëindigen en [ouder 1] te belasten met het eenhoofdig ouderlijk gezag over [minderjarige] . De rechtbank zal het verzoek van [ouder 1] daarom afwijzen.
Gelet op het familierechtelijke karakter van deze procedure zal de rechtbank tot slot de kosten die partijen in deze procedure hebben gemaakt, tussen hen verdelen in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
6. De beslissing
De rechtbank:
wijst het verzoek tot beëindiging van het gezamenlijk ouderlijk gezag af;
verdeelt de kosten van partijen in deze procedure, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Deze beschikking is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 24 december 2025 door mr. van Triest, (kinder)rechter, in aanwezigheid van mr. Wallerbos als griffier.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.