beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Breda
Zaaknummer: C/02/404162 / FA RK 22-5537
Datum uitspraak: 24 december 2025
Beschikking over vervangende toestemming erkenning en wijziging ouderlijk gezag
in de zaak van
[de vrouw] ,
hierna te noemen: de vrouw,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. R.E. Teusink te Roosendaal ,
tegen
[de man] ,
hierna te noemen: de man,
wonende te [woonplaats 2] ,
voorheen bijgestaan door mr. L.A.P. van Haperen, advocaat te Breda (onttrokken op 7 juli 2025), vanaf dat moment zonder advocaat,
over de minderjarigen:
- [minderjarige 1], geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2011,
hierna te noemen: [minderjarige 1] ;
- [minderjarige 2], geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 2] 2012,
hierna te noemen: [minderjarige 2] ;
- [minderjarige 3], geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 3] 2013,
hierna te noemen: [minderjarige 3] ;
- [minderjarige 4], geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 4] 2021,
hierna te noemen: [minderjarige 4] .
De rechtbank merkt in deze zaak als belanghebbenden aan:
[minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4], enkel wat betreft de verzoeken over vervangende toestemming erkenning,
mr. L.E. Swart, advocaat te Roosendaal , als bijzondere curator over [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] , hierna te noemen: de bijzondere curator.
Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) heeft de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna te noemen: de Raad, de rechtbank over de verzoeken geadviseerd.
1. Het verdere procesverloop
In het procesdossier zitten de volgende stukken:
de in deze zaak gegeven beschikking van 26 juni 2023 en alle daarin genoemde stukken;
de in deze zaak gegeven nadere beschikking van 13 juli 2023 en alle daarin genoemde stukken;
het op 6 november 2023 ontvangen rapport en advies van de bijzondere curator;
het F9-formulier van 20 november 2023 van mr. Teusink;
het F9-formulier van 27 november 2023 van mr. Van Haperen;
het op 1 augustus 2024 ontvangen bericht van het loket van de samenwerkende gemeenten in de zorgregio West-Brabant-West, hierna te noemen: het loket, met als bijlage de eindrapportage behorende bij het traject uniform hulpaanbod (UHA) van zorgaanbieder [jeugdhulp] ;
de brief van 18 oktober 2024 van de Raad;
het F5-formulier van 20 december 2024 van mr. Teusink, met daarin een intrekking van het verzoek;
het F9-formulier van 16 januari 2025 van mr. Van Haperen;
het rapport en advies van 31 januari 2025 van de Raad, met bijlagen;
de brief van 25 februari 2025 van mr. Van Haperen, met bijlage;
het F9-formulier van 12 maart 2025 van mr. Teusink;
de brief van 3 april 2025 van mr. Van Haperen, met bijlage;
het F9-formulier van 7 juli 2025 van de bijzondere curator;
het F2-formulier van 7 juli 2025 van mr. Van Haperen, waarbij zij zich heeft onttrokken als advocaat van de man in deze procedure;
het op 12 augustus 2025 ontvangen e-mailbericht van de man;
het (nadere) rapport en advies van 28 oktober 2025 van de bijzondere curator;
het verzoekschrift van 3 december 2025 van de bijzondere curator, met daarin een zelfstandig verzoek, met bijlagen.
Op 19 november 2025 heeft de rechtbank de resterende verzoeken in deze zaak, met gesloten deuren, nader mondeling behandeld ter zitting. Bij die zitting zijn de man, de vrouw en de bijzondere curator verschenen, waarbij de vrouw werd bijgestaan door haar advocaat. Daarnaast was er een vertegenwoordiger namens de Raad aanwezig.
2. De nadere beoordeling
Inleiding
Naar aanleiding van de overgelegde stukken en wat er tijdens de mondelinge behandeling is besproken, stelt de rechtbank allereerst de volgende feiten vast:
Partijen hebben een relatie met elkaar gehad.
[minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] zijn tijdens de relatie van partijen geboren.
De man heeft [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] niet erkend. De vrouw staat als enige ouder vermeld op de geboorteakten van [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] .
De vrouw is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] .
Tijdens een eerder, inmiddels ontbonden huwelijk van de vrouw met de heer [naam] zijn [meerderjarige] en [minderjarige 1] geboren. [meerderjarige] is inmiddels meerderjarig.
[minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] wonen bij de vrouw. Het is de rechtbank niet bekend waar [meerderjarige] en [minderjarige 1] op dit moment wonen.
De rechtbank verwijst naar de inhoud van voormelde in deze zaak gegeven beschikking van 26 juni 2023. In deze beschikking heeft de rechtbank een voorlopige omgangsregeling tussen de man en voornoemde minderjarigen (en de destijds nog minderjarige [meerderjarige] ) bepaald en een regeling bepaald tot betaling door de man van een bedrag aan kinderalimentatie ten behoeve van [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] . De rechtbank heeft daarnaast partijen verwezen naar het loket voor het doorlopen van een zorgtraject in het kader van het UHA. In afwachting van het verloop en het resultaat daarvan, is de beslissing over het gezag en de definitieve contact-/omgangsregeling aangehouden. De rechtbank heeft bovendien mr. L.E. Swart benoemd als bijzondere curator over [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] op grond van artikel 1:212 van het Burgerlijk Wetboek (BW). De bijzondere curator is daarbij verzocht om te rapporteren en te adviseren over het in deze zaak voorliggende verzoek tot vervangende toestemming erkenning.
De rechtbank verwijst vervolgens naar de inhoud van voormelde in deze zaak gegeven nadere beschikking van 13 juli 2023. In deze beschikking heeft de rechtbank mr. L.E. Swart eveneens benoemd als bijzondere curator over [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] op grond van artikel 1:250 BW. De bijzondere curator is daarbij verzocht om te rapporteren en te adviseren over het in deze zaak voorliggende verzoek tot wijziging ouderlijk gezag.
Aan de orde is nu nog het verzoek van de vrouw, samengevat:
- tot vaststelling van de definitieve contact-/omgangsregeling tussen de man en voornoemde minderjarigen.
Daarnaast zijn nog aan de orde de zelfstandige verzoeken van de man, samengevat:
tot vervangende toestemming voor de erkenning van [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] door de man;
tot wijziging ouderlijk gezag van [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] , in die zin dat de ouders voortaan gezamenlijk het ouderlijk gezag over hen uitoefenen;
tot vaststelling van de definitieve contact-/omgangsregeling tussen hem en [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] .
Bij voormeld op 6 november 2023 ontvangen rapport en advies heeft de bijzondere curator, samengevat, geadviseerd om het verzoek tot verlenen van vervangende toestemming voor erkenning van de minderjarigen door de man toe te wijzen. De bijzondere curator heeft daarnaast aangegeven dat zij van mening is dat het bepalen van gezamenlijk ouderlijk gezag nog prematuur is. De bijzondere curator adviseert daarom om de beslissing daarover aan te houden in afwachting van het verloop en het resultaat van het UHA-traject.
Naar aanleiding van de reacties van de advocaten van partijen daarop, heeft de rechtbank de beslissing op de resterende verzoeken verder pro forma aangehouden in afwachting van het verloop en het resultaat van het UHA-traject dat partijen samen aan zullen gaan.
In voormeld op 1 augustus 2024 ontvangen bericht van het loket en de daarbij behorende UHA-eindrapportage van [jeugdhulp] , blijkt dat de in het kader van het UHA-traject gestelde resultaten niet zijn behaald en dat voormeld traject negatief is teruggemeld.
Bij voormeld F5-formulier van 20 december 2024 heeft mr. Teusink, namens de vrouw, de verzoeken van de vrouw tot vaststelling van een definitieve contact-/omgangsregeling tussen de man en [meerderjarige] en [minderjarige 1] , ingetrokken.
Het rapport en advies van de Raad
In voormeld rapport van 31 januari 2025 heeft de Raad, samengevat, onder meer het volgende aangegeven. Het UHA-traject waar de ouders naartoe zijn verwezen, is mislukt. De man en de vrouw willen niet opnieuw een hulpverleningstraject aangaan. De Raad verwacht dat het vastleggen van duidelijke regels en afspraken zal leiden tot meer duidelijkheid en rust.
Naar aanleiding van het in deze zaak gegeven rapport en advies van de bijzondere curator, is de man medio 2023 in de gelegenheid gesteld om de minderjarigen, met toestemming van de vrouw, te erkennen. De man heeft dit echter tot op heden nog niet gedaan, omdat in zijn ogen een erkenning zonder gezag enkel nadelen biedt. De Raad vindt deze reden die de man geeft onnavolgbaar. Ondanks dat de man zijn kinderen nog niet heeft erkend, adviseert de Raad toch over het verzoek tot gezamenlijk ouderlijk gezag. De Raad stelt in dat verband dat de man en de vrouw nog steeds niet in staat zijn om op een goede manier met elkaar te communiceren en afspraken te maken over hun kinderen. Het frustreert de vrouw dat de man niet reageert op haar berichten, terwijl de man aangeeft dat het niets uitmaakt of hij wel of niet reageert omdat de vrouw er toch niets mee doet. De Raad stelt vast dat de man ook regelmatig niet reageert op verzoeken vanuit de betrokken hulpverlening en dat hij zich moeilijk laat betrekken bij de belangrijke (gezags)beslissingen over de kinderen, zoals de schoolkeuze. Ook lijkt de man de zorgen die er zijn over de kinderen niet altijd te (h)erkennen. Doordat de man en de vrouw verschillende visies hebben over wat hun kinderen nodig hebben, terwijl de man onder andere vanwege zijn passieve houding onvoldoende op de hoogte is van wat er speelt rondom de kinderen, is de Raad van mening dat zij niet in staat zijn om gezamenlijk op een goede manier het ouderlijk gezag over hun kinderen uit te oefenen. Als het gezamenlijk ouderlijk gezag wordt uitgesproken, dan verwacht de Raad dat de kinderen klem en verloren zullen raken tussen de ouders. Gelet hierop adviseert de Raad om het verzoek van de man tot gezamenlijk ouderlijk gezag af te wijzen.
De man en de minderjarigen hebben momenteel iedere week op zaterdag van 09.00 uur tot 19.00 uur omgang met elkaar, waarbij de man zorgt voor het halen en het brengen. Bij [praktijk] hebben [minderjarige 2] en [minderjarige 3] aangegeven dat zij graag meer omgang met hun vader willen hebben en dat zij ook bij de man willen overnachten. De Raad ziet geen contra-indicaties voor een uitbreiding van de omgang. Om tot een uitbreiding van de omgangsregeling te komen en ervoor te zorgen dat de man niet te veel op en neer moet rijden, adviseert de Raad om te bepalen dat [minderjarige 3] en [minderjarige 2] eenmaal per veertien dagen in het weekend van zaterdag 09.00 uur tot zondag 17.00 uur bij de man verblijven en in de andere week op zaterdag van 09.00 uur tot 19.00 uur, waarbij de man hen ophaalt en weer terugbrengt. Ten aanzien van [minderjarige 4] adviseert de Raad om te bepalen dat zij eenmaal per veertien dagen (in het weekend dat [minderjarige 2] en [minderjarige 3] bij vader blijven overnachten) op zaterdag van 09.00 uur tot 18.30 uur bij de man verblijft, waarbij de man haar tegelijkertijd met haar zussen ophaalt en de vrouw haar om 19.00 uur weer ophaalt en meeneemt naar huis. In de andere week (wanneer de zussen niet bij de man blijven overnachten) heeft [minderjarige 4] dezelfde regeling als haar zussen, waarbij zij dus op zaterdag van 09.00 uur tot 19.00 uur bij de man verblijft en de man haar haalt en terugbrengt.
Het standpunt van de man
Namens en door de man is, samengevat, onder meer het volgende aangevoerd. De man stelt dat hij [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] nog niet heeft erkend vanwege zijn moeizame verstandhouding met de vrouw. De man ziet hier ook de meerwaarde niet van in. De man stelt daarnaast dat de minderjarigen hebben aangegeven dat zij over een Turks paspoort beschikken. Aangezien de vrouw in het verleden een relatie heeft gehad met een Turkse man, wil de man weten op welke manier de kinderen een Turks paspoort hebben verkregen voordat hij hen wil erkennen. Gelet hierop heeft de man zijn verzoek tot vervangende toestemming voor de erkenning van de minderjarigen mondeling ter zitting ingetrokken. De man verzoekt daarnaast om het mondeling ter zitting gedane zelfstandige verzoek van de bijzondere curator tot vervangende toestemming erkenning af te wijzen.
De man vindt het belangrijk om samen met de vrouw met het gezamenlijk ouderlijk gezag over de kinderen te worden belast. Zonder gezag heeft de man niets over zijn kinderen te zeggen en dit voelt voor hem onveilig. Als voorbeeld heeft de man aangegeven dat hij in het verleden voor alle vijf de kinderen uit het gezin een vakantie had geboekt, maar dat de vrouw een dag van tevoren heeft beslist dat de kinderen niet meer mee mochten gaan. Ook kan hij geen spoedbeslissingen over hen nemen op medisch vlak. De man wil ook graag meer bij zijn kinderen worden betrokken, zoals bij sport- en schoolactiviteiten. Ook vindt hij het belangrijk dat de ouders alsnog zullen werken aan het verbeteren van de onderlinge communicatie en samenwerking.
De huidige omgangsmomenten op zaterdag verlopen volgens de man goed en liefdevol. De man wil daarom graag dat de omgangsregeling wordt uitgebreid. Doordat de man nog steeds niet beschikt over een eigen woning en zij niet welkom zijn bij zijn moeder of bij zijn partner zolang hij geen gezag over hen heeft, kunnen de kinderen echter niet bij hem overnachten. De man verzoekt daarom om een iets uitgebreidere regeling vast te stellen op de zaterdagen, waarbij de man en de kinderen van 8.00 uur tot 20.00 uur omgang met elkaar hebben.
Het standpunt van de vrouw
Namens en door de vrouw is, samengevat, onder meer het volgende aangevoerd. De vrouw betwist dat [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] een Turks paspoort zouden hebben. De vrouw weet ook niet wat zij hierover gezegd zouden kunnen hebben. Nu de man zijn verzoek tot vervangende toestemming erkenning heeft ingetrokken, dient zijn verzoek tot gezamenlijk ouderlijk gezag eveneens te worden afgewezen. De vrouw heeft overigens geen bezwaar tegen een toewijzing van het zelfstandige verzoek van de bijzondere curator tot vervangende toestemming erkenning. Als dat verzoek wordt toegewezen, verzoekt de vrouw om het verzoek van de man tot gezamenlijk ouderlijk gezag af te wijzen omdat daarvoor geen basis bestaat. De vrouw sluit zich wat dat betreft aan bij het advies van de Raad. De vrouw vindt 8.00 uur ’s morgens als begintijd van de omgangsregeling tussen de man en de kinderen te vroeg, maar zij kan ermee instemmen dat de regeling wordt uitgebreid tot 20.00 uur. De vrouw wil bovendien graag wil meedenken over wat er nog meer mogelijk is met betrekking tot het uitbreiden van die regeling. Als de man bijvoorbeeld een keer een hotel boekt of hij samen met de kinderen een week op vakantie wil gaan, dan staat de vrouw daar welwillend tegenover. De vrouw stelt tot slot dat in een eerdere beschikking van de rechtbank is bepaald dat de man de kosten van paardrijden van de kinderen dient te betalen. Echter zitten de kinderen niet meer op paardrijden. In plaats daarvan willen zij graag op boksen. De vrouw vraagt aan de man, ook al ligt dit verzoek niet in deze procedure voor, om een deel van deze kosten voor zijn rekening te nemen.
Het standpunt van de bijzondere curator alsmede zelfstandig verzoek
De bijzondere curator heeft, samengevat, onder meer het volgende aangegeven. In het verleden hebben de man en de vrouw met elkaar afgesproken dat zij samen de erkenning door de man van [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] zullen gaan regelen. Maar dit hebben zij tot op heden nog niet gedaan. De man heeft nu ter zitting zijn verzoek tot vervangende toestemming erkenning ingetrokken. De bijzondere curator vindt het echter wel in het belang van de kinderen dat de man hen alsnog zal erkennen. De bijzondere curator heeft daarom mondeling ter zitting, namens [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] , verzocht om hen vervangende toestemming tot erkenning door de man te verlenen. De bijzondere curator ziet onvoldoende basis voor gezamenlijk ouderlijk gezag. Zij stelt daarnaast dat [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] graag meer omgang willen hebben met de man en dat zij er last van hebben dat zij niet welkom zijn bij zijn huidige partner en bij zijn moeder thuis.
Het advies van de Raad ter zitting
De Raad heeft tijdens de zitting ter aanvulling op voormeld rapport en advies, samengevat, onder meer het volgende aangegeven. De Raad vindt het in het belang van [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] dat het zelfstandige verzoek van de bijzondere curator tot vervangende toestemming erkenning wordt toegewezen. Echter hoopt de Raad dat de man alsnog tot inkeer zal komen en dat hij zijn kinderen, met toestemming van de vrouw, alsnog zelf zal erkennen. Door de wisselende en passieve houding van de man, weten de kinderen niet waar zij aan toe zijn en voelen zij zich mogelijk afgewezen. De Raad kan het gevoel van onveiligheid dat de man ervaart omdat hij geen gezag over zijn kinderen heeft, niet volgen. Nu de communicatie tussen de ouders, ondanks de inzet van het UHA-traject, niet is verbeterd en met het oog op de passieve houding van de man, handhaaft de Raad zijn advies met betrekking tot het gezag, namelijk om dit verzoek van de man af te wijzen. Over de omgang tussen de man en zijn kinderen, heeft de Raad aanvankelijk geadviseerd om een regeling vast te stellen met een overnachting omdat de oudste twee kinderen dit graag willen. Maar naar aanleiding van wat er tijdens de zitting is gezegd, adviseert de Raad nu om de regeling waar de man en de vrouw momenteel uitvoering aan geven vast te leggen.
De rechtbank
Naar aanleiding van de overgelegde stukken en wat er tijdens de zitting is besproken, overweegt de rechtbank als volgt.
Vervangende toestemming erkenning
Tijdens de zitting heeft de man om voor hem moverende redenen, die voor de rechtbank niet te volgen zijn, zijn verzoek tot vervangende toestemming erkenning ingetrokken. Nu de man dit verzoek heeft ingetrokken, kan dit verzoek niet meer worden onderzocht door de rechtbank. De rechtbank zal dit verzoek daarom afwijzen.
Als reactie op de intrekking van voormeld verzoek door de man, heeft de bijzondere curator mondeling ter zitting, namens [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] , verzocht tot vervangende toestemming erkenning. De bijzondere curator heeft dit verzoek na afloop van de zitting op schrift gesteld en op 3 december 2025 bij de rechtbank ingediend. De man heeft aangegeven dat hij niet instemt met voormeld zelfstandig verzoek. De advocaat van de moeder heeft mondeling ter zitting reeds ingestemd met dit verzoek van de bijzondere curator. Om partijen in de gelegenheid te stellen om een (juridisch) standpunt hierover in te nemen en, indien door hem gewenst, de man in de gelegenheid te stellen om zich in dezen te laten bijstaan door een advocaat, heeft de rechtbank het zelfstandige verzoek van de bijzondere curator afgesplitst van de onderhavige zaak. Dit verzoek van de bijzondere curator is inmiddels onder zaaknummer 443294 FA RK 25-6611 geregistreerd en zal onder dat nummer verder in behandeling worden genomen door de rechtbank.
Gezamenlijk ouderlijk gezag
Nu de man [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] niet heeft erkend, is hij niet hun juridisch vader als bedoeld in artikel 1:199, sub c van het Burgerlijk Wetboek (BW). Nu de man niet de juridisch vader is van de minderjarigen, kan hij ook niet worden belast met het gezamenlijk ouderlijk gezag over hen op grond van artikel 1:253c BW. Nu de man ook niet samen met de vrouw in hetzelfde gezin woont en zij niet gezamenlijk de verantwoordelijkheid dragen voor de verzorging en opvoeding van [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] , ziet de rechtbank ook geen andere wettelijke basis om hem mede met het gezag te belasten. De rechtbank zal het verzoek van de man om hem mede met het gezag over [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] te belasten, daarom afwijzen.
Vaststelling omgang
Op grond van artikel 1:377a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) heeft een kind het recht op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. Ook de niet met het gezag belaste ouder heeft het recht op en de verplichting tot omgang met zijn kind. Op grond van lid 2 van dat artikel stelt de rechter op verzoek van degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staat, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vast dan wel ontzegt, al dan niet voor bepaalde tijd, het recht op omgang.
Nu de man niet de juridisch vader van [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] is, kan de rechtbank een omgangsregeling tussen hen vaststellen op grond van voormeld artikel 1:377a lid 2 BW. De rechtbank dient in dat geval eerst vast te stellen of er tussen de man en [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] een voldoende nauwe en persoonlijke betrekking bestaat. Nu de man de biologische vader van [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] is en zij al erg lang wekelijks omgang met elkaar hebben, stelt de rechtbank vast dat dit het geval is. Dit is ook niet betwist. Dit maakt dat zowel de vrouw als de man in hun verzoeken tot vaststelling omgang tussen de man en voornoemde minderjarigen kunnen en zullen worden ontvangen.
Op dit moment hebben de man en [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] iedere week op zaterdag van 09.00 uur tot 19.00 uur omgang met elkaar. Gebleken is dat er sprake is van goed contact en dat de twee oudste kinderen hebben aangegeven dat zij graag meer omgang met hun vader willen hebben. Hoewel de mening van [minderjarige 4] hierover niet bekend is, is niet gebleken dat zij dit niet ook zou willen. Het is de rechtbank ook niet gebleken dat er sprake is van contra-indicaties om een uitgebreidere regeling vast te stellen. Omdat de man niet beschikt over een eigen woning, kunnen de kinderen echter niet bij hem blijven overnachten. Een regeling waarbij de minderjarigen gedurende meerdere, aaneengesloten dagen bij de man thuis verblijven is daarom niet mogelijk. De rechtbank zal daarom, nu beide partijen daarmee instemmen, bepalen dat de man en voornoemde minderjarigen iedere week op zaterdag van 09.00 uur tot 20.00 uur het recht hebben op omgang met elkaar, evenals tijdens een deel van de vakanties, door de man en de vrouw in goed onderling overleg nader te bepalen. De rechtbank overweegt hierbij dat de vrouw heeft aangegeven dat zij er welwillend tegenover staat als de man de kinderen een keer meeneemt voor een vakantie of voor een overnachting in bijvoorbeeld een hotel, mits partijen dit tijdig met elkaar afstemmen.
Verdeling van de kosten van het boksen
De vrouw heeft aan de man gevraagd om een deel van de kosten van het boksen van de kinderen voor zijn rekening te nemen. De man heeft hiermee niet ingestemd. Nu een verzoek hierover niet aan de rechtbank voorligt, zal de rechtbank hier niet verder op ingaan.
Gedeeltelijk ontslag van de bijzondere curator
Nu de rechtbank een eindbeslissing zal geven over het gezag betreffende [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] , zal de rechtbank de bijzondere curator ontslaan van haar taak op grond van artikel 1:250 BW voor wat betreft deze procedure in eerste aanleg. Als er hoger beroep wordt ingesteld tegen (één van) deze beslissingen, dan herleeft de taak van de bijzondere curator.
Aangezien de verdere behandeling en de beslissing van het zelfstandige verzoek van de bijzondere curator tot vervangende toestemming voor erkenning door de man zal worden afgesplitst en de rechtbank hierover dus nog geen eindbeslissing heeft gegeven, ziet voormeld ontslag voor alle duidelijkheid dus niet op de taak van de bijzondere curator op grond van artikel 1:212 BW.
Uitvoerbaar bij voorraad
De rechtbank zal de beslissing over de omgangsregeling, gelet op het karakter daarvan en het belang dat hierover duidelijkheid bestaat, uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals over en weer is verzocht door partijen. Dit betekent dat de beslissing per direct van kracht is en dat een eventueel hoger beroep die beslissing niet schorst.
Verdeling proceskosten
Gelet op het familierechtelijke karakter van deze procedure, zal de rechtbank tot slot de kosten van partijen in deze procedure tussen hen verdelen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.
3. De beslissing
De rechtbank:
bepaalt dat de man en de minderjarigen:
[minderjarige 2] , geboren te [woonplaats 2] op [geboortedag 2] 2012,
[minderjarige 3] , geboren te [woonplaats 2] op [geboortedag 3] 2013,
[minderjarige 4] , geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 4] 2021,
iedere week op zaterdag van 09.00 uur tot 20.00 uur het recht hebben op omgang met elkaar, evenals tijdens een deel van de vakanties door de man en de vrouw in goed onderling nader te bepalen, met inachtneming van hetgeen hiervoor onder rechtsoverweging 2.23 is overwogen;
ontslaat de bijzondere curator van haar taak op grond van artikel 1:250 BW;
verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
bepaalt dat het aanvullende (zelfstandige) verzoek van de bijzondere curator (op grond van artikel 1:212 BW) tot vervangende toestemming voor de erkenning van de minderjarigen door de man, zoals geformuleerd in het op 3 december 2025 ontvangen verzoekschrift, wordt afgesplitst van deze zaak en dat dit verzoek onder zaaknummer 443294 FA RK 25-6611 verder in behandeling wordt genomen door de rechtbank, waarbij de beslissing op dit verzoek in afwachting daarvan pro forma wordt aangehouden;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 24 december 2025 door mr. van Triest, (kinder)rechter, in aanwezigheid van mr. Wallerbos als griffier.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.