beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Breda
Zaaknummer: C/02/436090 / FA RK 25-2839
Datum uitspraak: 24 december 2025
Beschikking over vaststelling omgang
in de zaak van
[de man] ,
hierna te noemen: de man,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. S. Klootwijk te Breda,
tegen
[de vrouw] ,
hierna te noemen: de vrouw,
wonende in [woonplaats 2] ,
advocaat: mr. M. Hofland te Breda,
over de minderjarige
[minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2015 te [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) heeft de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna te noemen: de Raad, de rechtbank over het verzoek geadviseerd.
1. Het procesverloop
In het procesdossier zitten de volgende stukken:
het op 3 juni 2025 ontvangen verzoekschrift, met bijlagen;
het op 24 november 2025 ontvangen verweerschrift, met bijlagen.
Op 2 december 2025 heeft de rechtbank het verzoek, met gesloten deuren, mondeling ter zitting behandeld. Bij die zitting zijn partijen verschenen, waarbij de man werd bijgestaan door mr. P.F.M. Gulickx (als waarnemend advocaat) en de vrouw door haar eigen advocaat mr. Hofland. Daarnaast was een vertegenwoordigster namens de Raad aanwezig.
[minderjarige] heeft, gezien haar leeftijd, het recht om haar mening in deze zaak te geven. Zij is daarom per brief uitgenodigd om aan te geven of zij behoefte heeft om haar mening tijdens een gesprek met de kinderrechter of schriftelijk te geven. [minderjarige] heeft echter niet op dit aanbod gereageerd.
2. De feiten
Partijen hebben een relatie met elkaar gehad. [minderjarige] is tijdens deze relatie geboren.
De man heeft [minderjarige] erkend.
De vrouw is belast met het eenhoofdig ouderlijk gezag over [minderjarige] .
[minderjarige] woont bij de vrouw.
3. Het verzoek
De man verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, samengevat:
te bepalen dat de man iedere week omgang heeft met [minderjarige] , afhankelijk van het werkrooster van de man ten minste een middag op maandag, dinsdag of vrijdag van 15.00 uur tot 19.00 uur, alsmede iedere woensdagmiddag van 12.00 uur tot 19.00 uur en, afhankelijk van het werkrooster van de man, ten minste een dag op zaterdag of zondag van 10.00 uur tot 19.00 uur;
voormelde regeling uit te breiden wanneer de man een andere, passende huurwoning vindt en [minderjarige] kan overnachten in een eigen slaapkamer, waarbij de man en [minderjarige] iedere week contact met elkaar hebben, afhankelijk van het werkrooster van de man ten minste een middag op maandag, dinsdag of vrijdag van 15.00 uur tot 19.00 uur, alsmede iedere woensdagmiddag van 12.00 uur tot 19.00 uur, alsmede om het weekend van zaterdag 10.00 uur tot zondag 19.00 uur;
kosten rechtens.
De vrouw voert verweer tegen voormeld verzoek van de man en verzoekt om dit verzoek af te wijzen.
4. De standpunten van partijen en het advies van de Raad
Namens en door de man is ter onderbouwing van zijn verzoek, samengevat, onder meer het volgende aangevoerd. Ten tijde van de indiening van zijn verzoek beschikte de man niet over een eigen woning. Hij verbleef toen bij [dak-en thuislozenopvang] . Inmiddels heeft de man een eigen woning in [woonplaats 1] en hij werkt in een supermarkt. Gelet hierop handhaaft de man zijn verzoek voor zover hiervoor onder rechtsoverweging 3.1. onder het tweede gedachtestreepje is uiteengezet.
De man stelt daartoe dat hij en [minderjarige] tot 11 november 2025 om de dag omgang met elkaar hebben gehad en dat dit goed verliep. Vanuit Veilig Thuis en het CJG is echter aangegeven dat er een veiligheidsplan moet worden opgesteld en dat de omgang tussen de man en [minderjarige] vooralsnog enkel onder begeleiding mag plaatsvinden. De man betwist dat er zorgen over hem zijn en ziet dan ook geen aanleiding voor begeleide omgang en/of voor het maken van veiligheidsafspraken. De man mist zijn dochter heel erg en volgens hem wil [minderjarige] ook graag weer omgang met hem hebben. De advocaat heeft tot slot aangevoerd dat hij het verstandig vindt dat de Raad een beschermingsonderzoek zal gaan verrichten en dat het verzoek van de man in deze zaak tot vaststelling omgang daarin zal worden meegenomen. Nu de man een andere beleving heeft van de aanloop in deze zaak, acht de man het van belang dat de Raad zal vaststellen wat hiervan wel en niet waar is.
Namens en door de vrouw is, samengevat, onder meer het volgende aangevoerd. De vrouw stelt dat er tijdens de relatie sprake was van huiselijk geweld en dat de man dominant, dwingend en vreemd gedrag vertoont. Volgens de vrouw kan de man niet accepteren dat hun relatie is beëindigd. De vrouw heeft een aantal stukken overgelegd waaruit blijkt dat de betrokken hulpverlening de zorgen over het gedrag van de man deelt. Zo heeft de man, onder andere vanuit zijn boosheid over de beslissing vanuit het CJG en Veilig Thuis dat er vooralsnog enkel sprake kan zijn van begeleide omgang tussen de man en [minderjarige] , allerlei ongepaste (naakt)foto’s en -filmpjes van de vrouw verspreid. Aangezien de man bleef proberen om telefonisch contact op te nemen met [minderjarige] om te vragen wat de vrouw aan het doen was, heeft de vrouw op een gegeven moment haar telefoon ingenomen. Nu de man [minderjarige] niet meer kan bereiken, richt hij zich op [naam] , de oudere zoon van de vrouw, en zijn vrienden. De vrouw roept de man met klem op om daarmee te stoppen. De vrouw zal hiervan nog aangifte gaan doen bij de politie, ook al vindt zij dit erg moeilijk. Zij wil duidelijke grenzen stellen en voor [naam] opkomen. Wat betreft de omgang tussen de man en [minderjarige] betwist de vrouw allereerst dat er tot voor kort sprake is geweest van een intensieve omgangsregeling tussen de man en [minderjarige] . Volgens de vrouw is hiervan geen sprake geweest vanaf het moment dat de relatie tussen partijen is verbroken. De vrouw vindt het belangrijk dat de man en [minderjarige] structureel omgang met elkaar hebben, maar vanwege het gedrag van de man en om te voorkomen dat hij [minderjarige] zal belasten met ongepaste beelden, is de vrouw, net als Veilig Thuis en het CJG, van mening dat er vooralsnog enkel sprake kan zijn van begeleide omgang tussen de man en [minderjarige] . De vrouw stelt daarnaast dat de Raad heeft aangekondigd om een beschermingsonderzoek te verrichten. De vrouw kan er ook mee instemmen dat dit onderzoek wordt uitgebreid, in die zin dat er door de Raad ook onderzoek zal worden verricht naar het verzoek van de man tot vaststelling van een omgangsregeling.
De Raad heeft, samengevat, onder meer het volgende aangevoerd. De Raad stelt vast dat de namens de vrouw overgelegde stukken vanuit de hulpverlening een duidelijk beeld geven. Naar aanleiding daarvan adviseert de Raad dat de contacten tussen de man en [minderjarige] vooralsnog enkel onder begeleiding dienen plaats te vinden. De Raad vindt onbegeleid telefonisch contact op dit moment zelfs niet in het belang van [minderjarige] is. De Raad is voornemens om een beschermingsonderzoek te gaan verrichten naar de (opvoed)situatie van [minderjarige] en adviseert om het verzoek van de man tot vaststelling omgang daarin mee te nemen. Wel is er sprake van een wachtlijst van een half jaar.
5. De beoordeling
In artikel 1:377a van het Burgerlijk Wetboek (BW) staat dat een kind het recht heeft op omgang met zijn ouders. De niet met het gezag belaste ouder heeft het recht op en de verplichting tot omgang met zijn kind. De rechtbank kan op verzoek van de ouders gezamenlijk of een van hen een omgangsregeling vaststellen.
Naar aanleiding van de overgelegde stukken en wat er tijdens de zitting is besproken, overweegt de rechtbank als volgt. De man verzoekt om een omgangsregeling tussen hem en [minderjarige] vast te stellen. Hij wenst door de week meerdere omgangsmomenten met haar en om het weekend omgang van zaterdag 10.00 uur tot zondag 19.00 uur. De man heeft in dat verband gesteld dat hij tot voor kort altijd veel en positief contact met [minderjarige] heeft gehad en dat er niets met hem aan de hand is. De man betwist dat er zorgen over hem zijn. Uit de namens de vrouw overgelegde schriftelijke informatie van het CJG en [hulpverlening] blijkt echter dat er wel zorgen over hem zijn, zo stelt de rechtbank vast. Tijdens de begeleide omgangsmomenten tussen de man en [minderjarige] die tot juli 2025 hebben plaatsgevonden is geconstateerd dat de man vreemde uitspraken doet richting de vrouw en dat de man plotseling vreemd gedrag kan vertonen. Zo is gezien dat de man uit het niets in de Turkse taal begint te praten, dat hij op de mat of op de grond gaat zitten of liggen, dat hij zichzelf in zijn handen bijt of dat hij zichzelf op zijn hoofd slaat. Daarnaast heeft de man ongewoon vaak per dag telefonisch contact opgenomen met [minderjarige] om te vragen wat haar moeder aan het doen is. Naar aanleiding van het voorgaande hebben het CJG en Veilig Thuis aangegeven dat zij vinden dat de omgangsregeling tussen de man en [minderjarige] vooralsnog enkel onder begeleiding kan plaatsvinden. Inmiddels zou de man, zo heeft de vrouw aangegeven, veelvuldig telefonisch contact opnemen met [naam] , de zeventienjarige zoon van de vrouw.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank, met de Raad, van oordeel dat het op dit moment niet in het belang van [minderjarige] is om een vastomlijnde, intensieve, onbegeleide omgangsregeling tussen haar en de man te bepalen. Het verzoek van de man is naar het oordeel van de rechtbank daarom op dit moment niet toewijsbaar. Bovendien acht de rechtbank zich op basis van de haar beschikbare informatie op dit moment onvoldoende geïnformeerd of omgang tussen [minderjarige] en de man in haar belang is en, indien dit wel het geval is, op welke manier die omgang dan vormgegeven moet worden.
De rechtbank zal daarom, overeenkomstig het advies van de Raad, aan de Raad verzoeken om een onderzoek te verrichten en, naar aanleiding daarvan, te rapporteren en te adviseren, ter beantwoording van de volgende vragen:
Welke omgangsregeling tussen de man en [minderjarige] past het beste bij de belangen van [minderjarige] ? Dient de omgang begeleid of onbegeleid te zijn? Behoort een overnachting bij de man tot de mogelijkheden?
Zijn er contra-indicaties voor omgang en zo ja, welke?
In hoeverre zijn deze contra-indicaties op te heffen; zo ja, hoe, onder welke voorwaarden en op welke termijn?
Is hulpverlening nodig voor partijen of voor [minderjarige] ? Zo ja, welke hulpverlening zou het meest passend zijn?
Zijn er aanvullende opmerkingen van de Raad?
Gelet op de wachtlijst die er is en de verwachte duur van het onderzoek, zal de rechtbank de verdere behandeling van het verzoek van de man tot vaststelling van een omgangsregeling tussen hem en [minderjarige] pro forma aangehouden voor de duur van negen maanden, tot de hierna te noemen pro forma datum.
Gelet op de geuite zorgen over het gedrag en de houding van de man, ziet de rechtbank ook geen mogelijkheid om in de tussentijd een voorlopige omgangsregeling tussen de man en [minderjarige] te bepalen waar alle partijen zich aan dienen te houden. Dit neemt echter niet weg, gelet op het bepaalde in artikel 1:377a BW, dat [minderjarige] recht heeft tot omgang met haar vader en dat de man het recht en de plicht heeft tot omgang met [minderjarige] (mits dit veilig kan plaatsvinden). Voor zover er in de komende periode wordt ingezet op omgang tussen de man en [minderjarige] , dan vindt de rechtbank dat dit vooralsnog enkel onder de regie van het CJG kan plaatsvinden, waarbij het CJG de kaders kan bepalen. Als het CJG vindt dat de omgang tussen de man en [minderjarige] enkel onder begeleiding kan plaatsvinden, dan zal de man dit dus moeten accepteren.
6. De beslissing
De rechtbank:
verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda om een onderzoek in te stellen en, naar aanleiding daarvan, te rapporteren en te adviseren ter beantwoording van de hiervoor onder rechtsoverweging 5.4. vermelde vragen, welk rapport uiterlijk op woensdag 30 september 2026 PRO FORMA bij de rechtbank dient te worden ingediend, zulks onder gelijktijdige verstrekking van een afschrift daarvan aan de advocaten van partijen;
verzoekt aan de advocaten van partijen, na ontvangst van voormeld rapport en advies van de Raad, om binnen twee weken schriftelijk hierop te reageren en hun standpunt kenbaar te maken over het door hen gewenste verdere procesverloop van deze zaak;
houdt de beslissing over het verzoek van de man tot vaststelling omgang aan in afwachting van de uitkomst van voormeld onderzoek en de reacties daarop van de advocaten van partijen.
Deze beschikking is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 24 december 2025 door mr. van Triest, (kinder)rechter, in aanwezigheid van mr. Wallerbos als griffier.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.