beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Breda
Zaaknummer: C/02/432446 / FA RK 25-1035
Datum uitspraak: 12 december 2025
Beschikking over wijziging ouderlijk gezag, vaststelling hoofdverblijf, vervangende toestemming verhuizing en inschrijving Brp, alsmede ontzegging contact
in de zaak van
[de vrouw] ,
hierna te noemen: de vrouw,
ingeschreven bij de gemeente op een adres in [plaats] , maar feitelijk wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. G. Demir te Breda,
tegen
[de man] ,
hierna te noemen: de man,
wonende in [woonplaats 2] ,
advocaat: mr. S.M.E. van Fraaijenhove-van der Maas te Breda,
over hun nu nog minderjarige kinderen:
- [minderjarige 1], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2010, hierna te noemen: [minderjarige 1] ;
- [minderjarige 2], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2013, hierna te noemen: [minderjarige 2] ;
- [minderjarige 3], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 3] 2017, hierna te noemen: [minderjarige 3] ,
hierna gezamenlijk te noemen: de minderjarigen.
Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) heeft de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna te noemen: de Raad, de rechtbank over de verzoeken geadviseerd.
1. Het procesverloop
In het procesdossier zitten de volgende stukken:
de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 14 februari 2025, waarbij voormelde rechtbank zich onbevoegd heeft verklaard en deze zaak heeft verwezen naar de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda , en alle daarin vermelde stukken;
het op 5 november 2025 ingekomen verweerschrift, tevens houdende zelfstandige verzoeken, met bijlagen.
Na ontvangst van voormelde verwijzingsbeschikking heeft de rechtbank de zitting in deze zaak aanvankelijk gepland bij de meervoudige kamer van de rechtbank op 1 mei 2025. Op 28 april 2025 heeft de man echter per e-mail aan de rechtbank kenbaar gemaakt dat hij de oproeping voor voormelde zitting pas zojuist heeft ontvangen, dat deze oproeping hem heeft overvallen en dat zijn advocaat verhinderd is om bij de zitting aanwezig te zijn. De man heeft daarom verzocht om de zitting te verplaatsen. De rechtbank heeft partijen daarop in kennis gesteld dat voormelde geplande zitting niet doorgaat en, met inachtneming van de verhinderdata van de advocaten van partijen, de zitting gepland bij de meervoudige kamer van de rechtbank op 11 november 2025.
Tijdens de zitting bij de meervoudige kamer van de rechtbank op 11 november 2025 zijn verschenen en gehoord:
de vrouw, bijgestaan door mr. Demir;
de man, bijgestaan door mr. Van Fraaijenhove-van der Maas;
een vertegenwoordigster namens de Raad.
Voorafgaand aan de zitting, op 7 november 2025, hebben de minderjarigen in deze zaak hun mening gegeven tijdens een gesprek met mevrouw mr. Van de Kraats, die als kinderrechter deel uitmaakt van de meervoudige kamer van de rechtbank.
2. De feiten
Partijen zijn met elkaar getrouwd geweest. Bij beschikking van [datum 1] 2021 van deze rechtbank is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Deze beschikking is op 25 augustus 2021 ingeschreven in de daartoe bestemde registers van de burgerlijke stand.
De minderjarigen zijn tijdens het huwelijk van partijen geboren.
Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over de minderjarigen.
In voormelde echtscheidingsbeschikking is bepaald dat het daaraan gehechte en door de griffier gewaarmerkte convenant met ouderschapsplan onderdeel uitmaakt van deze beschikking. In voormeld door beide partijen ondertekend ouderschapsplan van 5 juli 2021 hebben partijen onder meer de volgende afspraken gemaakt:
de minderjarigen hebben hun hoofdverblijf bij de vrouw (artikel 2.1);
in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de ouders over de minderjarigen, heeft de man één weekend - in de even weken - per veertien dagen van vrijdag 16:00 uur tot zondag 18:00 uur de zorg over de minderjarigen. Daarnaast eten de minderjarigen één keer per week bij de man, waarbij de man een dag van te voren aan de vrouw laat weten welke dag dit zal zijn. Vakanties, feestdagen en bijzondere dagen worden bij helfte en in onderling overleg verdeeld (artikel 3.1);
Nadien hebben partijen een aantal aanvullende/gewijzigde afspraken over de minderjarigen gemaakt, welke zij hebben neergelegd in het door de vrouw op 7 augustus 2023 en door de man op 14 augustus 2023 ondertekende aanvullende ouderschapsplan:
het hoofdverblijf van de minderjarigen is per 1 september 2023 bij de man gelegen (artikel 1.1);
de minderjarigen verblijven ieder weekend van vrijdag uit school tot zondag 20.00 uur bij de vrouw. De vakanties, de feestdagen en de bijzondere dagen blijven bij helfte verdeeld (artikel 2.1).
De ouders en de minderjarigen hebben de Nederlandse nationaliteit.
3. De verzoeken
De vrouw verzoekt, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. primair: het gezamenlijk ouderlijk gezag van partijen over de minderjarigen te beëindigen en te bepalen dat de vrouw voortaan is belast met het eenhoofdig ouderlijk gezag over de minderjarigen;
subsidiair:
- te bepalen dat de minderjarigen hun hoofdverblijf bij de vrouw hebben;
- aan de vrouw toestemming te verlenen, ter vervanging van de ontbrekende toestemming van de man, om de minderjarigen in te schrijven op haar adres, naar de rechtbank begrijpt, in de Basisregistratie personen (de Brp);
- aan de vrouw toestemming te verlenen, ter vervanging van de ontbrekende toestemming van de man, voor verhuizing van de vrouw met de minderjarigen naar [woonplaats 1] ;
II. de man het recht op het hebben van contact met de minderjarigen te ontzeggen voor onbepaalde tijd, dan wel voor een door de rechtbank te bepalen duur;
III. dusdanige beslissingen te nemen als de rechtbank in het belang van de minderjarigen geraden acht.
De man voert verweer tegen voormelde verzoeken van de vrouw en verzoekt om deze verzoeken af te wijzen.
Daarnaast verzoekt de man, bij wijze van zelfstandig verzoek, om in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen partijen te bepalen dat de man en de minderjarigen, met een stapsgewijs opbouwende regeling, uiteindelijk eenmaal per veertien dagen in het weekend van vrijdag 16.00 uur tot zondag 18.00 uur contact met elkaar hebben, alsmede tijdens de helft van de schoolvakanties en feestdagen, althans op basis van een door de rechtbank in goede justitie te bepalen zorg- en contactregeling.
4. De standpunten
Het standpunt van de vrouw
Namens en door de vrouw is, samengevat, onder meer het volgende aangevoerd.
Na de echtscheiding van partijen zijn de minderjarigen eerst bij de vrouw gaan wonen. Vervolgens zijn de minderjarigen per september 2023 bij de man gaan wonen. Op 1 juli 2024 heeft er een incident plaatsgevonden, waarbij de man [minderjarige 1] heeft uitgescholden en hij haar keel heeft dichtgeknepen, hij haar tegen de muur heeft gegooid, hij haar met de vuist in het gezicht en tegen de rug heeft geslagen en hij haar in het gezicht heeft gespuugd. Ook heeft hij [minderjarige 2] mishandeld. [minderjarige 3] is hiervan getuige geweest. De politie is daarop gealarmeerd en vervolgens zijn de minderjarigen, op advies van de politie, weer bij de vrouw gaan wonen. Voormeld incident heeft veel impact (gehad) op de minderjarigen. Volgens de vrouw hebben de minderjarigen in de periode daarna gezegd dat de man hen regelmatig heeft mishandeld. [minderjarige 1] heeft daarnaast gezegd dat zij van haar vader niet naar buiten mocht gaan, dat zij het huishouden moest doen en dat zij moest koken. Ook heeft [minderjarige 1] drugs gevonden bij de man thuis. De vrouw stelt daarnaast dat zij tijdens het huwelijk zelf is mishandeld door de man en dat zij totdat voormeld incident heeft plaatsgevonden wel eens had gehoord dat de man erg boos kon worden op de minderjarigen, maar dat er tot dan toe geen signalen waren dat hij hen heeft mishandeld. De officier van justitie heeft vervolgens een tijdelijk verbod opgelegd aan de man om contact te hebben met de minderjarigen voor de duur van drie maanden. Dit contactverbod is nadien een aantal keer verlengd, voor het laatst tot medio juni 2025. Daarnaast is er een strafzaak gaande tegen de man. Er is nog geen zittingsdatum bepaald bij de rechtbank. De vrouw woont momenteel samen met de minderjarigen bij haar huidige partner in [woonplaats 1] . De minderjarigen gaan daar ook naar school.
De vrouw stelt dat de communicatie tussen partijen zeer moeizaam verloopt en dat zij sinds voormeld incident eigenlijk geen contact meer met elkaar hebben gehad. De vrouw stelt dat zij de man in de afgelopen periode meermaals heeft benaderd om zijn toestemming te verlenen voor belangrijke (gezags)beslissingen over de minderjarigen, zoals voor het aanvragen van een nieuwe identiteitskaart of voor het geven van toestemming voor een buitenlandse vakantie(reis), maar dat de man weigert om hier (voortvarend) zijn medewerking aan te verlenen. Ook heeft hij pas op aandringen van de leerplichtambtenaar zijn toestemming gegeven voor het inschrijven van de minderjarigen op hun nieuwe school in [woonplaats 1] , met als gevolg dat zij de eerste paar weken van het vorige schooljaar hebben gemist. De vrouw vermoedt dat de man haar moedwillig dwarsboomt bij de uitoefening van het gezag. Het inzetten van de nodige hulpverlening voor de minderjarigen via de huisarts is wel gelukt zonder de toestemming van de man. Gelet op het voorgaande stelt de vrouw zich op het standpunt dat er sprake is van een situatie waarin er een onaanvaardbaar risico bestaat dat de minderjarigen klem en verloren raken als het gezamenlijk ouderlijk gezag gehandhaafd blijft. Doordat er al langere tijd geen sprake is van contact tussen de man en de minderjarigen, weet de man ook niet met welke gezagsbeslissingen de minderjarigen het meest gebaat zijn. Om die reden vindt de vrouw een wijziging in het gezag ook (anderszins) in het belang van de minderjarigen noodzakelijk.
De minderjarigen hebben sinds voormeld incident op 1 juli 2024 geen contact meer gehad met de man. De minderjarigen willen ook absoluut geen contact meer met hem hebben. Gelet hierop is er, naar de mening van de vrouw, sprake van meerdere contra-indicaties voor contact tussen de man en de minderjarigen. De vrouw verzoekt daarom om de man het recht op het hebben van contact met de minderjarigen voor onbepaalde duur te ontzeggen.
Naar aanleiding van wat er tijdens de zitting is gezegd en het advies van de Raad, is tijdens de zitting namens de vrouw verzocht om een raadsonderzoek te gelasten en de beslissing op de verzoeken van de vrouw tot wijziging gezag en ontzegging contact aan te houden in afwachting van de uitkomst daarvan. De vrouw verzoekt daarnaast om haar subsidiaire verzoek toe te wijzen en het hoofdverblijf van de minderjarigen bij haar te bepalen.
Het standpunt van de man
Namens en door de man is, samengevat, onder meer het volgende aangevoerd.
Hoewel de man erkent dat er op 1 juli 2024 sprake was van onenigheid tussen hem en de minderjarigen en hij [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar eigen zeggen heeft geslagen met een handdoek, betwist hij nadrukkelijk dat hij hen heeft mishandeld zoals door de vrouw is uiteengezet. Hoewel een en ander ongetwijfeld veel indruk heeft gemaakt op de minderjarigen, onder andere vanwege de betrokkenheid van de politie, maakt de man zich zorgen dat de belevingen van de minderjarigen over wat er is gebeurd steeds verder verwijderd raken van wat er daadwerkelijk is gebeurd. Ook betwist de man dat hij [minderjarige 1] heeft opgedragen/verplicht om de huishoudelijke taken op zich te nemen. Nadat de officier van justitie hem een verbod heeft opgelegd om contact te hebben met de minderjarigen, heeft de man zich daarbij neergelegd. Uit angst om voormeld verbod te overtreden, heeft hij zich bovendien terughoudend opgesteld met betrekking tot het zoeken naar en hebben van contact met de vrouw. Nadat het contactverbod was afgelopen, heeft de man aan de vrouw gevraagd om telefonisch contact te mogen hebben met de minderjarigen. De vrouw heeft dit echter direct afgewezen. De vrouw staat ook niet toe dat de familieleden van de man contact hebben met de minderjarigen. De man vermoedt dat de vrouw hem moedwillig weert uit het leven van de minderjarigen.
De man betwist dat er sprake is van een of meerdere contra-indicaties voor het gezamenlijk ouderlijk gezag. De man heeft altijd zijn verantwoordelijkheid genomen voor de minderjarigen en wil dit ook blijven doen. De man stelt dat hij weliswaar probeert om met de vrouw in contact te komen over de minderjarigen, maar dat juist de vrouw dit contact afhoudt. De man verwijst ter onderbouwing daarvan naar een aantal afschriften van de communicatie van partijen via WhatsApp. Over de inschrijving van de minderjarigen op de nieuwe school in [woonplaats 1] , stelt de man dat hij direct zijn toestemming daarvoor heeft gegeven toen hij daarom werd gevraagd. De man wijst erop dat de vrouw, als verzoekende partij, haar stellingen dat de man niet constructief zou communiceren, geenszins heeft onderbouwd. De man vindt tot slot, nu de vrouw hem niet informeert over de minderjarigen, dat hem niet kan worden verweten dat hij niet weet met welke (gezags)beslissingen de minderjarigen het meest gebaat zijn.
De man heeft de minderjarigen inmiddels bijna anderhalf jaar niet gezien. De man mist hen enorm. De man wil dan ook graag dat het contact op een goede manier, stapsgewijs en met inzet van hulpverlening zal worden hersteld, waarbij er wordt toegewerkt naar een structurele en onbelaste zorg- en contactregeling. De man sluit hierbij aan bij de regeling die partijen na de echtscheiding hadden afgesproken, op basis waarvan de minderjarigen eenmaal per veertien dagen in het weekend bij de man verblijven. Naar de mening van de man moet bij het herstellen van de contacten bij de minderjarigen afzonderlijk van elkaar worden bezien wat zij aankunnen en wat zij nodig hebben. Ook wil de man dat er een regeling wordt vastgesteld op basis waarvan de vrouw de man over de minderjarigen dient te informeren. Een daartoe strekkend verzoek is door en namens de man echter niet ingediend.
Gelet op het voorgaande verzoekt de man, overeenkomstig het advies van de Raad, om een raadsonderzoek te gelasten en de beslissing over het gezag en (het ontzeggen van het recht van de man tot het hebben van) contact tussen de man en de minderjarigen aan te houden in afwachting van de uitkomst daarvan. De man stemt tot slot in met het (subsidiaire) verzoek van de vrouw om het hoofdverblijf van de minderjarigen bij haar te bepalen.
De mening van de minderjarigen
[minderjarige 1] heeft tijdens het gesprek met de kinderrechter, samengevat, onder meer het volgende aangegeven. [minderjarige 1] zegt dat zij vaak zonder reden door haar vader op haar hoofd, armen en benen is geslagen. Dit gebeurde volgens [minderjarige 1] ook al toen haar ouders nog bij elkaar in hetzelfde huis woonden. [minderjarige 1] zegt daarnaast dat zij bij haar vader thuis allerlei huishoudelijke taken moest doen. Door alle gebeurtenissen met haar vader, heeft [minderjarige 1] naar eigen zeggen een trauma opgelopen en is zij depressief geraakt. Inmiddels gaat het beter met haar. Door alles wat er is gebeurd, wil zij geen contact meer hebben met haar vader. Daarnaast vindt [minderjarige 1] dat haar moeder voortaan de belangrijke beslissingen over haar moet kunnen nemen. [minderjarige 1] heeft in dat verband benoemd dat de inschrijving op school en het aanvragen van een nieuw identiteitsbewijs lang heeft geduurd en dat een geplande vakantie niet kon doorgaan, omdat haar vader zijn toestemming daarvoor niet (op tijd) wilde geven.
[minderjarige 2] heeft tijdens het gesprek met de kinderrechter, samengevat, onder meer het volgende aangegeven. [minderjarige 2] zegt ook dat zij en haar zus zijn geslagen door hun vader. Hoewel zij af en toe last heeft van vervelende herinneringen, gaat het nu goed met haar. [minderjarige 2] wil dat haar moeder voortaan de belangrijke beslissingen over haar alleen kan nemen. [minderjarige 2] wil geen contact meer hebben met haar vader.
[minderjarige 3] heeft tijdens het gesprek met de kinderrechter, samengevat, onder meer het volgende aangegeven. [minderjarige 3] zegt dat zijn vader een keer aan zijn oor heeft gedraaid totdat zijn oor rood werd en dat zijn vader zijn zussen heeft geslagen. [minderjarige 3] zegt dat het goed met hem gaat nu hij weer bij zijn moeder woont. [minderjarige 3] wil ook geen contact meer hebben met zijn vader. [minderjarige 3] zegt tot slot ook dat zij een keer niet op vakantie konden gaan, omdat zijn vader daarvoor geen toestemming had gegeven.
Het advies van de Raad
De Raad heeft, samengevat, onder meer het volgende aangegeven. De Raad constateert dat het verbod dat aan de man is opgelegd om contact te hebben met de minderjarigen in de zomer van 2025 is geëindigd, maar dat er geen plan is opgesteld om in de periode daarna het contact tussen de man en de minderjarigen te herstellen. De minderjarigen zeggen dat zij geen contact meer willen hebben met de man, maar onduidelijk is wat er tot nu toe is ingezet om contactherstel tussen hen te bewerkstelligen en wat er in dat verband nog mogelijk is. Ook mist de Raad de (onderliggende) verslagen van de betrokken hulpverlening. Gelet hierop kan de Raad op dit moment niet adviseren over de voorliggende verzoeken. De Raad stelt daarom voor om een onderzoek te verrichten over het gezag en (het ontzeggen van het recht van de man op het hebben van) contact met de minderjarigen. Dit onderzoek zal dan worden uitgebreid tot een beschermingsonderzoek. Als het hoofdverblijf van de minderjarigen bij de vrouw wordt bepaald, dan zal het onderzoek, met het oog op de huidige woonplaats van de vrouw en de minderjarigen in [woonplaats 1] , worden verricht door de locatie van de Raad in [woonplaats 1] . Het onderzoek zal naar verwachting minimaal negen maanden in beslag nemen.
5. De beoordeling
Wijziging ouderlijk gezag en vaststelling dan wel ontzegging van het recht op het hebben van contact
In artikel 1:253n van het Burgerlijk Wetboek (BW) staat dat de rechter op verzoek van de ouders die niet met elkaar zijn getrouwd of een van hen het gezamenlijk gezag kan beëindigen. Dit kan als de omstandigheden zijn veranderd sinds de ouders samen het gezag hebben gekregen of als de rechtbank van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan toen hij het gezamenlijk gezag heeft vastgesteld. In dat geval beslist de rechtbank wie van de ouders voortaan alleen het gezag over de minderjarigen krijgt.
In artikel 1:253n, lid 1 BW staat dat artikel 1:251a lid 1 BW van toepassing is. In dat artikel staat dat de rechter kan beslissen dat het gezag over een kind naar één ouder gaat als er een onacceptabel risico is dat, als allebei de ouders het gezag houden, dit kind erg klem komt te zitten tussen die ouders en het er niet naar uitziet dat dit binnen korte tijd verbetert of als een verandering van het gezag op een andere manier in het belang van het kind noodzakelijk is.
Op grond van artikel 1:253a, lid 1 BW kunnen geschillen die te maken hebben met de gezamenlijke uitoefening van het gezag op verzoek van de ouders of van een van hen aan de rechtbank worden voorgelegd. De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt. Uit lid 2 van voornoemd artikel volgt dat de rechtbank op verzoek van de ouders of een van hen een regeling kan vaststellen over de uitoefening van het ouderlijk gezag. Dit kan op grond van sub a een regeling zijn over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de ouders over hun kind(eren) dan wel een tijdelijk verbod aan een ouder om contact met een kind te hebben (zoals uiteengezet in artikel 1:377a, lid 3 BW).
De rechtbank beproeft, alvorens te beslissen, een vergelijk tussen de ouders en neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt.
Op grond van artikel 1:377a, derde lid BW kan de rechter het recht van een ouder op het hebben van omgang met een kind slechts indien ontzeggen indien:
omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind, of;
de ouder kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang, of;
het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang met zijn ouder heeft doen blijken, of;
indien de omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.
De rechtbank overweegt, met het oog op het bepaalde in voormeld artikel 1:253a BW, dat de rechtbank met betrekking tot de beslissing over het verzoek betreffende de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen partijen, dat zij, alvorens te beslissen, eerst dient te beproeven of hierover een overeenstemming tussen partijen mogelijk is. Gelet op de uiteenlopende standpunten van partijen hierover, stelt de rechtbank vast dat een overeenstemming tussen partijen over dit onderwerp niet mogelijk is.
Naar aanleiding van de overgelegde stukken en wat er tijdens de zitting is besproken, overweegt de rechtbank dat er op 1 juli 2024 een incident heeft plaatsgevonden tussen de man en de minderjarigen en dat er zorgen zijn geuit over kindermishandeling vanuit de man richting de minderjarigen. In verband daarmee zijn de minderjarigen vanaf dat moment weer bij de vrouw gaan wonen en is er geen sprake meer geweest van contact tussen de man en de minderjarigen. Dit komt onder andere doordat er kort na voormeld incident door de officier van justitie een verbod is opgelegd aan de man om contact te (mogen) hebben met de minderjarigen, welk verbod een aantal keer is verlengd tot uiteindelijk medio juni 2025. Hoewel de man niet betwist dat er een incident tussen hem en de minderjarigen heeft plaatsgevonden, ontkent hij dat hij de minderjarigen heeft mishandeld op de manier zoals hem door de vrouw en de minderjarigen wordt verweten. De man vreest dat, hoe langer het contact(herstel) tussen hem en de minderjarigen uitblijft, de verklaringen van de minderjarigen steeds verder worden gekleurd door de hen - al dan niet bewust - door de vrouw ingegeven verhalen en angsten. De rechtbank kan op basis van de haar beschikbare informatie echter niet vaststellen wat er wel en niet van waar is. Wel dient de rechtbank rekening te houden met zowel het belang van de kinderen en van de vrouw om beschermd te worden tegen iedere vorm van mishandeling of geweld (zoals onder andere neergelegd in artikel 31 Verdrag van Istanboel), en tegelijkertijd met het belang van de kinderen en van de vader om contact zo snel mogelijk te herstellen (mits dit veilig kan plaatsvinden) (onder andere artikel 8 Europees Verdrag van de Rechten van de Mens). Daarnaast is duidelijk dat beide partijen een eigen rol hebben gespeeld in de aanloop tot de huidige situatie. Aan de kant van de man heeft wel een incident plaatsgevonden, ongeacht de verdere details, die wel veroorzaakt heeft dat de veiligheid van de kinderen en de vrouw meer in acht moet worden genomen. Aan de kant van de vrouw heeft zij de man in eerste instantie niet geïnformeerd over wat de kinderen aan haar hebben verteld. In plaats van met de man in gesprek te gaan is zij vooral in gesprek gegaan met de kinderen en heeft daarmee steeds meer verantwoordelijkheid voor de te nemen stappen bij de kinderen gelegd, in plaats van zelf als ouder op te treden.
Naar het oordeel van de rechtbank zijn de man en de minderjarigen inmiddels te ver van elkaar verwijderd geraakt om, daarbij rekeninghoudend met de geuite zorgen over de veiligheid van de minderjarigen bij de man, nu in te zetten op contact(herstel) tussen de man en de minderjarigen. De rechtbank acht het van belang dat goed onderzocht zal worden of het herstellen van het contact tussen de man en de minderjarigen in het belang van de minderjarigen te achten is en zo ja, op welke manier het contact dan het beste dient te worden hersteld. Aangezien de ontstane situatie aan beide ouders te wijten is, acht de rechtbank het eveneens van belang, met het oog op het uitgangspunt van de wetgever dat beide ouders het gezag over hun kind(eren) uitoefenen, dat goed zal worden onderzocht of er contra-indicaties zijn voor het gezamenlijk ouderlijk gezag.
Gelet op het voorgaande, acht de rechtbank zich dan ook onvoldoende geïnformeerd om te kunnen beslissen over de (primaire) verzoeken van de vrouw tot wijziging gezag en ontzegging van het recht op het hebben van contact, als ook over het zelfstandige verzoek van de man tot vaststelling van een zorg- en contactregeling tussen hem en de minderjarigen. De rechtbank zal daarom aan de Raad verzoeken om een onderzoek in te stellen en, naar aanleiding daarvan, te rapporteren en te adviseren over voormelde verzoeken. De Raad wordt daarbij concreet verzocht om de volgende vragen te beantwoorden:
Bestaat er, als de ouders samen het gezag houden, een onacceptabel risico dat de minderjarigen erg klem komen te zitten tussen de ouders en het er niet naar uitziet dat dit binnen korte tijd voldoende zal verbeteren, of is het om een andere reden in het belang van de minderjarigen om af te wijken van het uitgangspunt in de wet dat de ouders gezamenlijk het gezag uitoefenen?
Welke verdeling van de zorg- en opvoedingstaken door de ouders past het beste bij de belangen van de minderjarigen?
Welke vorm van contact met de minderjarigen past het beste bij de belangen van de minderjarigen?
Zijn er contra-indicaties voor contact en zo ja, welke?
In hoeverre zijn deze contra-indicaties op te heffen; hoe, onder welke voorwaarden en op welke termijn?
In afwachting van voormeld rapport en advies van de Raad, zal de verdere behandeling van voormelde verzoeken, gelet op de verwachte duur van het onderzoek, worden aangehouden voor de duur van negen maanden tot de hierna te noemen pro forma datum.
Vaststelling hoofdverblijf alsmede vervangende toestemming verhuizing en inschrijving Brp
Op grond van voormeld artikel 1:253a, lid 1 BW in samenhang gelezen met lid 2, sub b, kan de rechtbank op verzoek van de ouders of een van hen een regeling vaststellen over de uitoefening van het ouderlijk gezag, waarbij die regeling de beslissing kan inhouden bij welke ouder het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft. De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt. De rechtbank beproeft, alvorens te beslissen, een vergelijk tussen de ouders en neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt.
Op grond van voormeld artikel kan de rechtbank eveneens vervangende toestemming verlenen aan een ouder voor het nemen van gezagsbeslissingen over hun kind(eren) die, in geval van gezamenlijk gezag, door de beide gezagdragende ouders gezamenlijk genomen moeten worden, zoals voor een verhuizing van een ouder met de kind(eren).
Tijdens de zitting heeft de rechtbank geconstateerd dat partijen het erover eens zijn dat het hoofdverblijf van de minderjarigen voortaan bij de vrouw is gelegen en dat de minderjarigen in de BRP worden ingeschreven op het adres van de vrouw. Nu de vrouw bij haar partner in [woonplaats 1] woont, verleent de man eveneens toestemming voor de verhuizing van de minderjarigen van [plaats] naar [woonplaats 1] . Gelet op deze overstemming zal de rechtbank het subsidiaire verzoek van de vrouw dienovereenkomstig toewijzen, in die zin dat de rechtbank zal vaststellen dat het hoofdverblijf van de minderjarigen vanaf heden bij de vrouw is gelegen.
De rechtbank zal deze beslissing, gelet op het belang dat hierover duidelijkheid bestaat, uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht door de vrouw. Dit betekent dat de beslissing per direct van kracht is en dat een eventueel hoger beroep deze beslissing niet schorst.
Nu de rechtbank het hoofdverblijf van de minderjarigen bij de vrouw zal bepalen, is de vrouw zelfstandig bevoegd om de minderjarigen op haar adres in te schrijven bij de gemeente in de Brp. Om die reden is vervangende toestemming daartoe van de rechtbank niet nodig. Het daartoe strekkende verzoek van de vrouw zal daarom worden afgewezen.
Nu de man eveneens zijn toestemming heeft gegeven voor de verhuizing van de vrouw samen met de minderjarigen naar [woonplaats 1] , is vervangende toestemming daartoe van de rechtbank niet nodig. Het daartoe strekkende verzoek van de vrouw zal daarom eveneens worden afgewezen.
Vaststelling informatieregeling
De man heeft tijdens de zitting aangegeven dat hij graag een informatieregeling wenst op basis waarvan de vrouw hem periodiek over de minderjarigen dient te informeren. Een daartoe strekkend verzoek ligt in deze procedure echter niet voor. Nu de vrouw tijdens de zitting heeft aangegeven dat zij kan instemmen met een informatieregeling met een frequentie van twee tot drie maanden, terwijl de man graag een maandelijkse regeling wenst, stelt de rechtbank vast dat partijen hierover geen overeenstemming hebben. De rechtbank kan en zal daarom geen informatieregeling vaststellen. Het is dan ook aan partijen zelf om hierover in overleg afspraken te maken.
Verwijzing naar de enkelvoudige kamer van de rechtbank
Met het oog op de nog voorliggende verzoeken in deze zaak, zal de rechtbank de zaak in de stand waarin deze zich nu bevindt, verwijzen naar de enkelvoudige kamer van deze rechtbank voor verdere beoordeling van en beslissing op de resterende verzoeken.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.
6. De beslissing
De rechtbank:
stelt vast, gelet op de overeenstemming tussen partijen, dat het hoofdverblijf van de minderjarigen:
[minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2010, hierna te noemen: [minderjarige 1] ;
[minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2013, hierna te noemen: [minderjarige 2] ;
[minderjarige 3] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 3] 2017,
vanaf heden bij de vrouw is gelegen;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zeeland-West-Brabant dan wel regio Rotterdam , om een onderzoek in te stellen en, naar aanleiding daarvan, te rapporteren en te adviseren ter beantwoording van de hiervoor onder rechtsoverweging 5.6 vermelde vragen, welk rapport uiterlijk op de hierna te noemen pro forma datum bij de rechtbank dient te worden ingediend, zulks onder gelijktijdige verstrekking van een afschrift daarvan aan de advocaten van partijen;
verzoekt aan (de advocaten van) partijen, na ontvangst van voormeld rapport en advies van de Raad, om binnen twee weken schriftelijk hierop te reageren en hun standpunt kenbaar te maken over het door hen gewenste verdere procesverloop van deze zaak;
houdt de beslissing over de verzoeken van de vrouw tot wijziging gezag en ontzegging contact alsmede over het zelfstandige verzoek van de man tot vaststelling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken aan in afwachting van voormeld rapport en advies van de Raad tot dinsdag 8 september 2026 PRO FORMA;
verwijst deze zaak, in de stand waarin deze zich nu bevindt, naar de enkelvoudige kamer van deze rechtbank voor verdere beoordeling en beslissing op de resterende verzoeken;
wijst de verzoeken van de vrouw tot verkrijging van vervangende toestemming verhuizing en inschrijving Brp af.
Deze beschikking is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 12 december 2025 door mr. van de Kraats, voorzitter, mr. Sumner en mr. Jurkovich, allen kinderrechters, in aanwezigheid van mr. Wallerbos als griffier.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.