[belanghebbende], uit [plaats], belanghebbende,
(gemachtigde mr. J.W. Vugts, kosteloosbezwaar.nl)
en
de heffingsambtenaar van SaBeWa, de heffingsambtenaar.
Inleiding
1. De heffingsambtenaar heeft bij uitspraak op bezwaar van 23 februari 2024 het bezwaar van belanghebbende tegen de vaststelling van de WOZ-waarde van de onroerende zaak [adres] te [plaats] gegrond verklaard.
Daarbij is een vergoeding toegekend voor de kosten die belanghebbende heeft gemaakt voor de behandeling van het bezwaar van € 620,-, gebaseerd op 1 punt voor het bezwaarschrift en 1 punt voor de hoorzitting.
Gemachtigde heeft namens belanghebbende beroep ingesteld tegen de proceskostenvergoeding.
De heffingsambtenaar heeft geen verweerschrift ingezonden. Wel heeft de heffingsambtenaar kort voor de zitting laten weten dat getracht wordt een schikking te treffen, maar dat er geen contact tot stand is gekomen.
De rechtbank heeft het beroep op 18 december 2025 op zitting behandeld. De heffingsambtenaar is, met bericht vooraf, niet verschenen. Ook belanghebbende en de gemachtigde zijn niet verschenen.
Na afloop van zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.
Overwegingen
2. De gemachtigde voert aan dat ten onrechte geen vergoeding is toegekend voor het taxatierapport. Deze grond slaagt en het beroep is dus gegrond. De rechtbank zal alsnog een vergoeding hiervoor toekennen van € 128,26 (2 uur à € 53, vermeerderd met 21% omzetbelasting).
Verder betwist de gemachtigde de door de heffingsambtenaar toegepaste vergoeding van € 310,- per punt. Ook deze grond slaagt, onder verwijzing naar de uitspraak van de Hoge Raad van 12 juli 2024 (ECLI:NL:HR:2024:1060). De heffingsambtenaar had moeten uitgaan van € 624, - per punt.
De totale proceskostenvergoeding in de bezwaarfase bedraagt dus € 128, 26 + 2x € 624,- = € 1.376,26.
Belanghebbende heeft verzocht om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Dit verzoek moet worden afgewezen omdat het een geschil over uitsluitend proceskosten betreft. Volgens vaste jurisprudentie kan in een dergelijke procedure niet worden gesproken van spanning en frustratie als grondslag voor schadevergoeding. Bovendien is niet aannemelijk gemaakt dat het belang meer dan € 1.000,- bedraagt.
Omdat het beroep gegrond is moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden.
Ook wordt een proceskostenvergoeding toegekend, te weten 1 punt voor het beroepschrift, met gewicht 0,5 en een waarde van € 907,- per punt. Op grond van artikel 30a van de Wet WOZ is hierop de factor 0,1 van toepassing, zodat de vergoeding € 45,35 bedraagt. De stelling van de gemachtigde dat deze regeling in strijd is met het recht en buiten toepassing moet worden gelaten, is inmiddels achterhaald door diverse arresten van de Hoge Raad.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 18 december 2025 door mr. M. Breeman, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Panah, griffier en wordt geanonimiseerd gepubliceerd op www.rechtspraak.nl. De griffier is verhinderd om deze uitspraak te ondertekenen.
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.