2. De verzoeken
De vrouw verzoekt, samengevat:
- het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning door haar;
- toevertrouwing van de minderjarigen aan haar;
- vaststelling van een regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken;
- vaststelling van een regeling van de vakanties, feestdagen en bijzondere dagen;
- vaststelling van een door de man te betalen bijdrage in de kosten van de minderjarigen van € 404,= per maand per kind, met ingang van de indiening van het verzoekschrift.
De man verzoekt, samengevat:
- vaststelling van een regeling van de vakanties, feestdagen en bijzondere dagen;
- vaststelling van een door de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van de minderjarigen van € 56,= per maand per kind, met ingang van de indiening van het verzoekschrift van de vrouw;
- vaststelling van een door de man te betalen bijdrage in de kosten van de minderjarigen van € 38,= per maand per kind, met ingang van 1 januari 2026;
- veroordeling van de vrouw in de proceskosten.
3. De beoordeling
Toevertrouwing van de kinderen
De vrouw verzoekt om de kinderen aan haar toe te vertrouwen. De man voert hiertegen geen verweer.
De rechtbank wijst het verzoek als onweersproken en op de wet gegrond toe, te meer nu niet is gebleken dat het belang van de kinderen zich tegen toewijzing verzet.
Zorgregeling en regeling vakanties, feestdagen en bijzondere dagen
De vrouw verzoekt een voorlopige zorgregeling vast te stellen, waarbij de kinderen:
- iedere week op maandag van 16.30 uur tot 19.30 uur bij de man zijn, waarbij hij de kinderen ophaalt en terugbrengt;
- om het weekend van vrijdag 17.00 uur tot zondag 19.30 uur bij de man zijn,
- tenzij [minderjarige 1] niet naar de man wenst te gaan, althans een regeling in goede justitie te bepalen.
Verder verzoekt de vrouw vaststelling van een gedetailleerde regeling van de verdeling van de vakanties, feestdagen en bijzondere dagen, zoals opgenomen in haar verzoekschrift.
De man kan zich vinden in de door de vrouw verzochte zorgregeling en voor het
overgrote deel ook in de regeling van de vakanties, feestdagen en bijzondere dagen. Hij
verzoekt om de als bijlage 4 bij zijn verweerschrift tevens houdende zelfstandig verzoek
aangehechte regeling als voorlopig regeling vast te stellen.
De rechtbank overweegt als volgt. Uit de stukken en de toelichting van partijen op de zitting blijkt dat er veel is gebeurd tussen partijen. Zij hebben hierover ieder hun eigen beleving, maar ondanks dat is het hen gelukt om grotendeels overeenstemming te bereiken over de invulling van de zorgregeling. Voordat de rechtbank overgaat tot het benoemen van de gemaakte afspraken, acht zij het van belang om stil te staan bij de kinderen. Vaststaat dat ook de kinderen het nodige hebben meegemaakt. Voor [minderjarige 2] is inmiddels een KIES-traject gestart en voor [minderjarige 1] wordt nog gezocht naar passende hulp. Partijen hebben voor ogen dat beide kinderen volgens dezelfde zorgregeling naar hun vader gaan, maar op dit moment wordt [minderjarige 1] daarin vrij gelaten. Dit resulteert erin dat hij af en toe bij zijn vader is. Over de reden waarom [minderjarige 1] minder naar zijn vader gaat verschillen partijen van mening, maar zij zijn het er allebei over eens dat [minderjarige 1] niet moet worden ‘gepusht’ om naar zijn vader te gaan.
Met de Raad is de rechtbank van oordeel dat het belangrijk is dat de man en [minderjarige 1] met elkaar bespreken wat [minderjarige 1] bezighoudt en met welke emoties hij worstelt. De man heeft aangegeven dat hij dit wil gaan doen maar het wel moeilijk vindt, omdat hij zelf ook niet goed is in het uiten van gevoelens. Met de man is dan ook besproken dat hij hierover advies en hulp kan vragen bij zijn hulpverlener. De rechtbank spreekt de hoop uit dat [minderjarige 1] , wanneer hij ervaart dat hij gehoord wordt door de man, op termijn ook weer conform de gemaakte afspraken naar zijn vader zal gaan. In ieder geval zal de rechtbank voor beide kinderen de gemaakte afspraken vastleggen. Deze afspraken luiden als volgt.
De kinderen zijn iedere week op maandag van 16.30 uur tot 19.30 uur bij de man,
waarbij hij de kinderen ophaalt, samen met ze eet en terugbrengt. Om het weekend zijn de
kinderen van vrijdagmiddag 17.00 uur tot zondagavond 19.30 uur bij de man, tenzij [minderjarige 1]
niet naar zijn vader wil gaan, in zoverre wordt [minderjarige 1] voorlopig vrij gelaten in het contact met
zijn vader.
De voorlopige verdeling van de vakanties, feestdagen en bijzondere dagen is als volgt:
- kerstvakantie: de verdeling vindt plaats naar rato van de duur van de vakantie, in onderling overleg af te stemmen uiterlijk drie maanden voor de kerstvakantie;
- voorjaarsvakantie: het carnavalsweekend is bij de vrouw op zaterdag en zondag. De maandag vanaf 12.00 uur tot dinsdag 20.00 uur zijn bij de man;
- meivakantie: de verdeling vindt plaats naar rato van de duur van de vakantie. Partijen stemmen de verdeling uiterlijk drie maanden voor aanvang van de meivakantie in onderling overleg af;
- herfstvakantie: conform de reguliere zorgregeling;
- kerstavond: ieder jaar bij de vrouw;
- eerste kerstdag: ieder jaar bij de vrouw;
- oud en nieuw: oneven jaren bij de vrouw en even jaren bij de man; [minderjarige 1] bepaalt zelf waar hij dit wil vieren;
- eerste paasdag en tweede paasdag: conform de reguliere zorgregeling. Als de kinderen op eerste paasdag bij de vrouw zijn, dan zijn zij op tweede paasdag (maandag) de hele dag bij de man en andersom (dan gaan zij op maandag niet eten bij de man);
- koningsdag: bij de vrouw, tenzij in onderling overleg anders bepaald wordt;
- eerste pinksterdag en tweede pinksterdag: conform de reguliere zorgregeling. Als de kinderen op eerste pinksterdag bij de vrouw zijn, dan zijn zij op tweede pinksterdag (maandag) de hele dag bij de man en andersom (dan gaan zij op maandag niet eten bij de man);
- hemelvaart: in onderling overleg;
- sinterklaas: in onderling overleg;
- Vaderdag: ieder jaar bij de man;
- Moederdag: ieder jaar bij de vrouw;
- de verjaardagen van de kinderen: [minderjarige 2] is net jarig geweest. De komende verjaardag van [minderjarige 1] valt op een maandag. Deze dag verloopt conform de reguliere zorgregeling.
Partijen hebben geen overeenstemming bereikt over de zomervakantie en tweede kerstdag.
De rechtbank overweegt als volgt. Gebleken is dat partijen het er over eens zijn dat de kinderen ieder jaar op tweede kerstdag bij de man zijn. De vrouw geeft aan dat de kinderen op [datum 1] 2025 vanaf 15.00 uur weer bij haar moeten zijn en de volgende dag weer naar de man gaan vanwege zijn verjaardag. Met de man is de rechtbank van oordeel dat deze regeling veel wisselingen met zich brengt. Dit maakt dat de rechtbank zal bepalen dat de kinderen jaarlijks op tweede kerstdag bij de man zijn tot en met [datum 2] om 20.00 uur. Voor de zomervakantie 2026 heeft de rechtbank aan partijen voorgehouden dat deze procedure is bedoeld voor het treffen van ordemaatregelen. De zomervakantie is verder in de toekomst gelegen, zodat de rechtbank hierover geen beslissing zal nemen. Het is aan partijen om hierover alsnog nadere afspraken te maken of in de hoofdzaak verder onderwerp van debat te laten zijn.
Uitsluitend gebruik van de woning
De vrouw verzoekt om het uitsluitend gebruik van de woning aan [adres] in
[woonplaats] . De man stemt met dit verzoek in.
De rechtbank wijst het verzoek als onweersproken en op de wet gegrond toe.
Kinderalimentatie
Bij het bepalen van de behoefte aan kinderalimentatie en de financiële draagkracht om die te voldoen, hanteert de rechtbank de uitgangspunten, zoals deze zijn opgenomen in de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie.
Ingangsdatum
Partijen zijn het eens om als ingangsdatum voor de te betalen kinderalimentatie te hanteren de datum van indiening van het verzoekschrift, te weten 3 november 2025.
Behoefte van de kinderen
Partijen zijn het er over eens dat kan worden uitgegaan van een behoefte van de kinderen in 2025 van € 645,= per maand per kind.
Draagkracht van de man
Uit de stukken volgt dat partijen bij het berekenen van het netto besteedbaar inkomen (NBI) van de man zijn uitgegaan van dezelfde inkomensgegevens, te weten:
- een basissalaris van € 5.080,= bruto per maand, te vermeerderen met 8% vakantietoeslag;
- een ingehouden pensioenpremie van afgerond € 366,= bruto per maand, en
- een ingehouden WIA-werknemersverzekering van afgerond € 14,= bruto per maand.
Op basis van deze gegevens bedraagt het NBI van de man € 3.696,= per maand.
De man stelt dat rekening moet worden gehouden met een last van € 518,= per maand. Dit bedrag ziet op de maandelijkse bijtelling, die de man moet betalen voor het rijden van een ‘auto van de zaak’. Volgens hem betreft het een niet verwijtbare en niet vermijdbare last.
De vrouw voert verweer en verwijst naar de uitspraak van de rechtbank Limburg van 1 augustus 2024 (ECLI:NL:RBLIM:2024:5328).
De rechtbank zal met deze last geen rekening houden, omdat de kosten voor het rijden van een auto geen voorrang hebben op het betalen van kinderalimentatie. Daarnaast blijkt uit de stukken dat de man zich vanaf 1 januari 2026 van deze last kan bevrijden. Hiermee staat vast dat het een vermijdbare last betreft. Voor de periode van nog geen twee maanden waarin de man deze last nog heeft, geldt dat de man deze last ook deels uit zijn vrije ruimte voldoen.
Verder stelt de man dat rekening moet worden gehouden met zijn werkelijke woonlast. De vrouw voert gemotiveerd verweer en betwist de door de man gestelde huurlast.
De rechtbank overweegt als volgt. In het berekeningssysteem voor kinderalimentatie wordt met een forfaitair bedrag aan woonlasten rekening gehouden ter hoogte van 30% van het netto besteedbaar inkomen. Dit forfaitaire stelsel is bedoeld om discussies over de hoogte van de vaste (woon)lasten te voorkomen. Als een onderhoudsplichtige duurzaam aanmerkelijk hogere woonlasten heeft dan het woonbudget kan met die extra lasten rekening worden gehouden als vastgesteld kan worden dat deze lasten niet vermijdbaar zijn en dat het (voort)bestaan daarvan niet aan de onderhoudsplichtige kan worden verweten.
Vaststaat dat de vrouw samen met de kinderen in de echtelijke woning verblijft en dat het uitsluitend gebruik van deze woning in deze procedure aan haar wordt toegekend. Dit maakt dat de man alternatieve woonruimte moest vinden. Vanwege de zorgregeling met de kinderen moet deze woonruimte ook geschikt zijn om de kinderen te ontvangen en bij hem te laten overnachten. De man heeft toegelicht dat hij genoodzaakt was om via onderhuur andere woonruimte te krijgen, vanwege de krapte op de woningmarkt. De maandelijkse huurprijs van € 1.400,= betaalt hij contant vanwege de constructie van onderhuur. Voor de onderbouwing heeft de man een verklaring ingediend van de verhuurder en twee banktransacties. De vrouw heeft de hoogte van de gestelde huurlast gemotiveerd betwist en verwezen naar de door de man als productie 7 ingediende advertenties van woningen. Alles in aanmerking nemend acht de rechtbank het redelijk om in ieder geval in het kader van de voorlopige voorzieningen uit te gaan van de huidige feitelijke situatie en derhalve rekening te houden met de door de man gestelde huurlast van € 1.400,= per maand.
Verder stelt de man dat rekening moet worden gehouden met de door hem betaalde wegenbelasting voor de vrouw. De rechtbank overweegt dat deze stelling door de man voor het eerst op zitting is ingenomen en de vrouw deze heeft betwist. Enige onderbouwing van de (noodzaak tot) betaling van deze last ontbreekt, zodat de rechtbank hiermee geen rekening zal houden.
Het bovenstaande leidt ertoe dat de draagkracht van de man op basis van de formule wordt becijferd op een bedrag van € 690,= per maand. Dit blijkt uit bijgevoegde berekening.
Draagkracht van de vrouw
Tussen partijen is niet in geschil dat de vrouw op dit moment een WIA-uitkering ontvangt van € 1.767,= bruto per maand. Verder houden beide partijen rekening met een door de vrouw te ontvangen kindgebonden budget inclusief alleenstaande ouderkop van € 9.114,= per jaar, zodat de rechtbank hierbij aansluit. Hetgeen partijen verdeeld houdt is of de vrouw inkomen ontvangt voor de opvang van kinderen.
Daarnaast houdt de man rekening met een bedrag van € 19.200,= aan netto inkomsten. Hij voert daartoe aan dat tijdens de relatie van partijen sprake was van opvang aan huis. Eerst voor kinderen van bekenden en later ook voor kinderen van bepaalde basisscholen. Ook nu vangt de vrouw nog kinderen op tegen betaling. Ter onderbouwing verwijst de man naar de overgelegde verklaringen en Whatsappberichten. De man heeft er veel moeite mee dat de vrouw ineens stelt dat zij deze werkzaamheden niet meer verricht. De vrouw betwist
dat zij kinderen opvangt en daarvoor betaald krijgt. Zij voert aan in het verleden wel eens kinderen van vrienden te hebben opgevangen. Dit was echter niet structureel. Ook kreeg zij niet betaald voor haar werkzaamheden.
De rechtbank overweegt als volgt. Als productie 9a heeft de man Whatsappberichten overgelegd alsmede een aantal verklaringen, foto’s en betaalbewijzen ter onderbouwing van zijn stelling dat de vrouw kinderopvangwerkzaamheden verricht. De vrouw heeft betwist dat zij momenteel dergelijke werkzaamheden verricht en dat zij hiervoor betaald werd/wordt. De rechtbank acht voldoende aannemelijk dat de vrouw oppaswerkzaamheden verricht heeft. Voor het bepalen van de omvang van de werkzaamheden en het beantwoorden van de vraag of en hoeveel zij daarvoor betaald kreeg, heeft de rechtbank vooralsnog onvoldoende aanknopingspunten. Dit debat tussen partijen vereist nader onderzoek en eventuele bewijslevering. Deze procedure leent zich hier niet voor. Daarnaast acht de rechtbank onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de vrouw op dit moment tegen betaling oppaswerkzaamheden verricht. De overgelegde stukken hebben betrekking op het verleden. Daarbij wordt mede in aanmerking genomen dat vaststaat dat de vrouw een WIA-uitkering ontvangt zodat ervan uit wordt gegaan dat zij (gedeeltelijk) arbeidsongeschikt is. In het kader van de voorlopige voorzieningen neemt de rechtbank in beginsel de huidige feitelijke situatie tot uitgangspunt. De verdere discussie over de inkomsten uit oppaswerkzaamheden en daarmee samenhangend de verdiencapaciteit van de vrouw zal nader uitgediept moeten worden in de bodemprocedure. Dit betekent dat de rechtbank nu geen rekening zal houden met netto inkomsten uit kinderopvangwerkzaamheden aan de zijde van de vrouw.
Rekening houdend met de gegevens zoals vermeld onder 3.24. bedraagt het NBI van de vrouw € 2.149,= per maand.
Verder stelt de man zich op het standpunt dat rekening moet worden gehouden met de werkelijke woonlast van de vrouw, omdat deze aanmerkelijk lager is dan het woonbudget. De vrouw voert gemotiveerd verweer.
De rechtbank overweegt als volgt. Niet in geschil is dat de huurlast van de vrouw
€ 884,= per maand bedraagt. Daarop strekt in mindering de door de vrouw te ontvangen huurtoeslag, omdat vanuit overheidswege hiermee deels wordt voorzien in de woonlasten. Partijen zijn het niet eens over de hoogte van de huurtoeslag. De man gaat uit van een bedrag van € 506,= per maand en verwijst naar zijn berekening. De vrouw sluit aan bij een bedrag van € 498,= per maand. Dit bedrag ontvangt de vrouw op dit moment. Als productie 18 heeft de vrouw een screenshot ingediend van een overzicht ‘huurtoeslag 2025’. Uit dit overzicht blijkt dat zij vanaf juli 2025 een huurtoeslag ontvangt van € 498,= per maand. Met dit bedrag zal de rechtbank in het kader van deze procedure rekening houden.
Op basis van bovenstaande gegevens becijfert de rechtbank de werkelijke woonlast van de vrouw op een bedrag van € 386,= per maand. Deze woonlast is substantieel lager dan de forfaitaire woonlast (€ 789,=). In deze woonlast is vooralsnog geen wijziging voorzienbaar. Verder is de rechtbank gebleken dat er een tekort aan gezamenlijke draagkracht is om in de behoefte van de kinderen te voorzien, indien wordt gerekend met het woonbudget van de vrouw. Gelet op deze omstandigheden ziet de rechtbank voldoende aanleiding om af te wijken van de forfaitaire woonlast en de werkelijke woonlast van de vrouw in aanmerking te nemen.
De rechtbank gaat voorbij aan het standpunt van de man dat rekening moet worden gehouden met zorgtoeslag. De vrouw heeft erkend dat zij zorgtoeslag ontvangt, maar de man heeft niet inzichtelijk gemaakt op welke grond en wijze dit moet worden meegenomen bij de draagkracht van de vrouw. Zorgtoeslag staat tegenover de premie ziektekostenverzekering. Beide componenten vallen onder de post ‘kosten van levensonderhoud’ en spelen in beginsel geen afzonderlijke rol bij het becijferen van de draagkracht van de vrouw.
Op basis van bovenstaande gegevens en de formule becijfert de rechtbank de draagkracht van de vrouw op een bedrag van € 317,= per maand. Dit blijkt ook uit bijgevoegde berekening.
Draagkrachtvergelijking
Nu de gezamenlijke draagkracht van partijen onvoldoende is om in de volledige kosten van de kinderen te voorzien, blijft een draagkrachtvergelijking achterwege.
Zorgkorting
Partijen zijn het er op de zitting over eens geworden dat de man aanspraak maakt op een zorgkorting van 25% van de behoefte, te weten afgerond € 322,= per maand.
Nu de draagkracht van partijen onvoldoende is om volledig in de behoefte van de kinderen te voorzien, wordt, na toepassing van de zorgkorting, het tekort aan beide partijen voor de helft toegerekend. Voor de man betekent dit dat de helft van het tekort in mindering komt op zijn zorgkorting, zodat de door hem te betalen bijdrage als volgt wordt berekend:
€ 690,= [bedrag volledige draagkracht man] – (€ 322,= [bedrag zorgkorting] - € 142,= [bedrag van de helft van het tekort]) = € 510,= per maand, zijnde € 255,= per maand, per kind. Het verzoek van de vrouw wordt in zoverre toegewezen.
Proceskosten
De man verzoekt de vrouw te veroordelen in de kosten van deze procedure. De vrouw voert gemotiveerd verweer.
De rechtbank overweegt dat verzoeken tot het treffen van voorlopige voorzieningen formeel onderdeel zijn van de echtscheidingsprocedure. Deze beschikking kwalificeert daarmee niet als eindbeschikking. Een proceskostenveroordeling is daarom nu niet mogelijk. Dit verzoek van de man wordt dan ook afgewezen.
4. De beslissing
De rechtbank
bepaalt dat de vrouw bij uitsluiting gerechtigd is tot het gebruik van de echtelijke woning aan [adres] in [woonplaats] en beveelt de man die woning te verlaten en deze niet verder te betreden;
bepaalt dat aan de vrouw worden toevertrouwd de minderjarigen:
- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2011 in [geboorteplaats 1] , en
- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2016 in [geboorteplaats 2] ;
bepaalt dat de man en genoemde minderjarigen in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar:
- iedere week op maandag van 16.30 uur tot 19.30 uur, waarbij de man de kinderen bij de vrouw ophaalt en terugbrengt, en
- om het weekend van vrijdagmiddag 17.00 uur tot zondagavond 19.30 uur,
met inachtneming van rechtsoverweging 3.7.;
bepaalt dat tussen partijen een verdeling van de vakanties, feestdagen en bijzondere dagen zal gelden, zoals is overwogen in rechtsoverwegingen 3.8. en 3.10.;
bepaalt dat de door de man te betalen bijdrage voor de verzorging en opvoeding van genoemde minderjarigen, met ingang van 3 november 2025 wordt vastgesteld op € 255,= (tweehonderdenvijfenvijftig euro) per kind per maand, aan de vrouw voor de toekomst bij vooruitbetaling te voldoen;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Oomes, en, in tegenwoordigheid van mr. Hurkmans, griffier, in het openbaar uitgesproken op 19 december 2025.