RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/440593 / JE RK 25-1803
Datum uitspraak: 11 december 2025
Beschikking van de kinderrechter over een schriftelijke aanwijzing
in de zaak van
[de vader] ,
hierna te noemen: de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. P.F.M. Gulickx uit Breda
en
de gecertificeerde instelling
Stichting Jeugdbescherming Brabant,
locatie Etten-Leur,
hierna te noemen: de GI
over
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedag] 2018 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] .
1. Het verdere verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
het verzoekschrift namens de vader met bijlagen, ontvangen op 8 oktober 2025;
het proces-verbaal van de zitting van 27 november 2025.
Op 11 december 2025 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
- de advocaat van de vader;
- een vertegenwoordiger van de GI.
De vader is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de vader wel juist is opgeroepen. De advocaat van de vader heeft medegedeeld dat de vader niet naar de rechtbank zal komen, maar dat hij namens de vader aanwezig is. De kinderrechter besluit de zitting voort te zetten bij afwezigheid van de vader.
2. De feiten
De vader en [de moeder] , hierna te noemen: de moeder, zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] .
[minderjarige 1] verblijft met de moeder en zijn halfzusje [minderjarige 2] op de [afdeling] van [hulperlening] te [plaats] .
Bij beschikking van 6 november 2025 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] met ingang van 9 november 2025 verlengd tot 9 oktober 2026. Deze beslissing is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Daarnaast is in die beschikking bepaald dat de bij beschikking van deze rechtbank van 9 februari 2021 vastgestelde zorgregeling voor [minderjarige 1] is geschorst en dat de Stichting Jeugdbescherming Brabant is belast met de regie over het contactherstel tussen de vader en [minderjarige 1] . Ook deze beslissing is uitvoerbaar bij voorraad is verklaard.
De GI heeft op 2 oktober 2025 een schriftelijke aanwijzing gegeven betreffende de verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] . Hierin is het volgende opgenomen: “U werkt mee aan het observatietraject van [hulperlening] bij u thuis”. Op 28 augustus 2025 was hierover al een aankondiging gestuurd naar de vader.
3. Het verzoek
De vader verzoekt de schriftelijke aanwijzing van de GI van 2 oktober 2025 geheel vervallen te verklaren. Daarnaast verzoekt de vader de kinderrechter een beslissing te nemen over de proceskosten.
4. Het standpunt van de vader
Namens de vader is ter toelichting van het verzoek, samengevat, het volgende aangevoerd. In de schriftelijke aanwijzing is bepaald dat de vader moet meewerken aan het observatietraject van [hulperlening] bij hem thuis. Deze aanwijzing vormt een grote inbreuk op de privésituatie van de vader, zonder dat daar een aanleiding voor is. De vader heeft al langdurig en uitgebreid onbegeleid contact met [minderjarige 1] . Dit heeft nooit problemen gegeven. De contactregeling verliep steeds tot volle tevredenheid van zowel de vader, de moeder als [minderjarige 1] . Ook de GI heeft zich daar nooit over beklaagd. [minderjarige 1] genoot van het contact met zijn vader. Er zijn geen redenen om te twijfelen aan de opvoedvaardigheden van de vader. Van objectieve aanwijzingen of indicatoren dat het bij de vader daaraan schort is niet gebleken.
Daarnaast is de schriftelijke aanwijzing prematuur gegeven. Bij beschikking van 30 juli 2025 heeft de kinderrechter afwijzend beslist op (onder meer) het verzoek van de vader dat het hoofdverblijf van [minderjarige 1] bij hem zal worden bepaald. De GI zet op dit moment in op een traject dat erop is gericht dat [minderjarige 1] met zijn halfzusje bij de moeder zal wonen. Alleen indien dit traject zou mislukken, zou het hoofdverblijf van [minderjarige 1] bij de vader aan de orde kunnen komen. Inmiddels heeft de vader uit teleurstelling over de gang van zaken het contact met [minderjarige 1] stopgezet. De vader wilde vervolgens terugkomen op zijn besluit, maar daaraan wil de GI vanuit het oogpunt van zorgvuldigheid richting [minderjarige 1] nu niet meewerken. De vader handhaaft zijn verzoek om de schriftelijke aanwijzing in zijn geheel vervallen te verklaren.
5. Het standpunt van de GI
Namens de GI is aangevoerd dat zij vasthoudt aan de schriftelijke aanwijzing, inhoudende dat de vader zal meewerken aan het observatietraject van [hulperlening] bij hem thuis. Er zijn zorgen, omdat het de GI is gebleken dat de vader [minderjarige 1] belast met volwassenenzaken. Ook laat de vader [minderjarige 1] bijvoorbeeld slapen bij vreemden. De vader staat er niet voor open om dit soort zaken met de GI te bespreken. Daarom zijn de observaties bij de vader thuis zo belangrijk. Het gaat daarbij om vier momenten waarop [hulperlening] in de contactweekenden bij de vader thuis komt observeren, te weten bij het avondeten, het naar bed brengen, een moment in de ochtend en een moment in de middag. Daarnaast zullen er observaties van de vader en [minderjarige 1] bij [hulperlening] zijn. Het is noodzakelijk dat deze observaties plaatsvinden. Dat is meerdere keren met de vader besproken, maar hij wil niet meewerken.
Over de recente ontwikkelingen heeft de vertegenwoordiger van de GI medegedeeld dat [afdeling] inmiddels heeft geadviseerd dat de moeder in aansluiting op haar observatietraject bij [hulperlening] samen met de kinderen zal verblijven op een andere locatie, in een setting waar gedurende zeven dagen 24 uur per dag begeleiding aanwezig is. Naar aanleiding van de mededeling van de vader dat hij de contactregeling stopzet, is veertien dagen geleden aan [minderjarige 1] verteld dat hij voorlopig niet naar zijn vader zal gaan. Vervolgens kwam de vader terug op zijn besluit over het stopzetten van de contactregeling, maar daarvan heeft de GI gezegd dat zij hier graag met de vader over in gesprek wil omdat deze wisselende houding niet in het belang van [minderjarige 1] is. De vader heeft op dit moment dus geen contact met [minderjarige 1] . Bij beschikking van 6 november 2025 heeft de kinderrechter bepaald dat de GI de regie heeft over het contactherstel tussen de vader en [minderjarige 1] . De GI houdt vast aan de schriftelijke aanwijzing van 2 oktober 2025.
6. De beoordeling
De kinderrechter overweegt het volgende.
Wettelijke regeling
De GI kan voor de uitvoering van haar taak op grond van artikel 1:263 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) schriftelijke aanwijzingen geven. Zij kan dit doen als de met het gezag belaste ouder niet instemt met dan wel niet of onvoldoende medewerking verleent aan de uitvoering van het plan zoals bedoeld in artikel 4.1.3 lid 1 van de Jeugdwet. De GI kan ook een schriftelijke aanwijzing geven als dit noodzakelijk is om de concrete bedreigingen in de ontwikkeling van de minderjarige weg te nemen.
Op grond van artikel 1:264 lid 1 BW kan de kinderrechter op verzoek van een met het gezag belaste ouder een schriftelijke aanwijzing geheel of gedeeltelijk vervallen verklaren. Op grond van het derde lid van dit wetsartikel bedraagt de termijn voor het indienen van het verzoek twee weken, die begint met ingang van de dag na die waarop de beslissing is verzonden of uitgereikt.
De GI is een bestuursorgaan in de zin van artikel 1:1 lid 1, aanhef en onder a, van de Algemene Wet Bestuursrecht (hierna: AWB). Daarom kan een schriftelijke aanwijzing van de GI worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3 AWB.
Dit betekent dat een schriftelijke aanwijzing overeenkomstig de eisen uit de AWB moet worden voorbereid. Bij de beoordeling moet de kinderrechter daarom onder meer bekijken of de schriftelijke aanwijzing op een zorgvuldige manier tot stand is gekomen en is voorzien van een deugdelijke motivering. Wat de inhoudelijke toets betreft dient te worden beoordeeld of de GI in redelijkheid tot de schriftelijke aanwijzing heeft kunnen.
Ontvankelijkheid
Het door de vader ingediende verzoek tot vervallenverklaring van de schriftelijke aanwijzing is op 8 oktober 2025 door de griffie van de rechtbank ontvangen. Dit betekent dat het verzoek binnen de daarvoor gestelde termijn van twee weken is ingediend. De vader is daarom ontvankelijk in zijn verzoek.
Inhoudelijke beoordeling
Namens de vader is niets aangevoerd over de schriftelijke aanwijzing in relatie tot de eisen van de AWB. Op basis van het dossier zoals dat aan de kinderrechter voorligt, is zij van oordeel dat de schriftelijke aanwijzing op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen. Uit de overgelegde stukken en de zitting blijkt dat met de vader is besproken wat het observatietraject door [hulperlening] inhoudt en waarom de GI dat noodzakelijk vindt. Ook blijkt daaruit dat aan de vader eerst op 28 augustus 2025 een aankondiging van de schriftelijke aanwijzing is gestuurd. Omdat de vader aan de GI toen nogmaals liet weten dat hij niet van plan was om mee te werken aan de observaties bij hem thuis, heeft de GI vervolgens op 2 oktober 2025 de schriftelijke aanwijzing gegeven. De aanwijzing is ook uitgebreid gemotiveerd. De kinderrechter ziet hierin geen aanleiding om de schriftelijke aanwijzing vervallen te verklaren.
De kinderrechter dient ook te beoordelen of de GI, de betrokken belangen afwegend, in redelijkheid tot het geven van de schriftelijke aanwijzing heeft kunnen komen. Namens de vader is aangevoerd dat de schriftelijke aanwijzing een grote inbreuk oplevert op zijn privésituatie. Het is evident dat met het observatietraject een inbreuk wordt gemaakt op de privacy van de vader, maar de kinderrechter acht deze inbreuk in het belang van [minderjarige 1] gerechtvaardigd. In de schriftelijke aanwijzing meldt de GI namelijk dat er zorgelijke signalen zijn over de weekenden dat [minderjarige 1] bij de vader verblijft. De GI ziet dat de vader [minderjarige 1] belast met volwassenenzaken en met geheimen waarover [minderjarige 1] alleen met de vader mag spreken. Ook is sprake van onverwachte activiteiten, zoals slapen bij voor [minderjarige 1] vreemde mensen. Er wordt gezien dat [minderjarige 1] energieloos terugkomt van de weekenden bij de vader en dat zijn tics, zoals knipperen met de ogen en het dichtdoen van zijn kaken, dan erg zijn toegenomen. Ook heeft hij (weer) last van bedplassen. Deze zorgen zijn door de GI met de vader besproken, maar hij staat niet open voor verandering. Omdat de GI het voor [minderjarige 1] wel belangrijk vindt dat de vader een betekenisvolle rol blijft spelen in het leven van [minderjarige 1] en dat hij contact heeft met zijn vader, bestaat er een gerechtvaardigd belang voor observaties bij de vader thuis als [minderjarige 1] daar verblijft. Hierbij speelt ook een rol dat [minderjarige 1] in zijn jonge leven al veel heeft meegemaakt en dat er zorgen zijn over onverwerkte trauma’s en een onveilige hechting. Dit maakt dat [minderjarige 1] iets extra’s vraagt van zijn opvoeders. Het is daarom van belang dat er niet alleen zicht komt op de situatie bij de moeder, maar ook bij de vader thuis. De GI moet kunnen nagaan of eventuele ondersteuning en hulpverlening noodzakelijk is. De schriftelijke aanwijzing is daarom niet prematuur gegeven, zoals namens de vader is aangevoerd. Daarbij komt dat de observaties ook van belang zijn omdat het toekomstperspectief van [minderjarige 1] nog onduidelijk is. Dit perspectief kan liggen bij de moeder, maar ook bij de vader.
De GI moet daarom zicht kunnen krijgen op de mogelijkheden van de vader en moet de thuissituatie van de vader mee kunnen nemen in het observatietraject bij [hulperlening] . Dit traject liep al ten aanzien van de moeder. De observaties zijn belangrijk voor de beantwoording van de vraag wat een geschikt plek is voor [minderjarige 1] . Gelet hierop is de kinderrechter van oordeel dat de GI in redelijkheid heeft kunnen komen tot het geven van de schriftelijke aanwijzing.
Dit betekent dat het verzoek wordt afgewezen.
De kinderrechter wil nog benadrukken dat het spijtig is dat de vader op dit moment geen contact heeft met [minderjarige 1] . Het is voor de ontwikkeling van [minderjarige 1] belangrijk dat hij zijn beide ouders ziet. [minderjarige 1] heeft met beide ouders een band opgebouwd. Dat de vader de contactregeling nu heeft gestopt, zal iets doen met het vertrouwen en het gevoel van veiligheid van [minderjarige 1] . De kinderrechter spreekt de hoop uit dat de vader snel weer contact wil met [minderjarige 1] . Wel dient de vader zich te realiseren dat hij zelf een streep door de contactregeling heeft gezet. Bij herstel van het contact dient de vader rekening te houden met een rustige, geleidelijke opbouw. De regie hierover ligt nu bij de GI.
Proceskosten
In het verzoekschrift namens de vader is in alinea 15 “een en ander kosten rechtens” vermeld. De kinderrechter maakt hieruit op dat namens de vader wordt verzocht om een beslissing te nemen over de proceskosten.
Gelet op de aard van deze procedure zullen de proceskosten worden gecompenseerd.
7. De beslissing
De kinderrechter:
wijst het verzoek af;
compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 11 december 2025 door mr. Vos, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Vos als griffier, en op schrift gesteld op 6 januari 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking staat geen hoger beroep open.