ECLI:NL:RBZWB:2025:9523

ECLI:NL:RBZWB:2025:9523, Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 17-12-2025, 11746773 CV EXPL 25-2980 (E)

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 17-12-2025
Datum publicatie 22-01-2026
Zaaknummer 11746773 CV EXPL 25-2980 (E)
Rechtsgebied Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure Bodemzaak
Zittingsplaats Tilburg

Samenvatting

Overeenkomst van geldlening. Vordering tot terugbetaling wordt afgewezen. Gedaagde heeft bewezen dat hij de lening al heeft terugbetaald.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Tilburg

Zaaknummer: 11746773 \ CV EXPL 25-2980

Vonnis van 17 december 2025, bij vervroeging

in de zaak van

[eiser] , H.O.D.N. [bedrijf 1],

te [plaats] ,

eisende partij,

hierna te noemen: [eiser] ,

gemachtigde: mr. J. Tukker,

tegen

[gedaagde] , H.O.D.N. [bedrijf 2],

te [plaats] ,

gedaagde partij,

hierna te noemen: [gedaagde] ,

procederend in persoon.

1. De zaak in het kort

[eiser] heeft eind december 2019 een bedrag van € 3.000,00 overgemaakt aan [gedaagde] . Volgens hem was dat een lening die nog terugbetaald moet worden. Volgens [gedaagde] was er geen terugbetalingsverplichting, maar heeft hij het bedrag al wel terugbetaald. De kantonrechter oordeelt dat sprake was van een lening en dat [gedaagde] heeft bewezen dat hij die lening al heeft terugbetaald. De vordering van [eiser] wordt daarom afgewezen. Hieronder legt de kantonrechter dit oordeel uit.

2. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 13 augustus 2025 en de daarin genoemde stukken,

- de mondelinge behandeling van 3 december 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,

- de door [gedaagde] op de mondelinge behandeling overgelegde schriftelijke getuigenverklaringen,

- het proces-verbaal van het op de mondelinge behandeling gehouden verhoor van [getuige] .

Ten slotte is vonnis bepaald.

3. De feiten

[eiser] en [gedaagde] kennen elkaar al een hele lange tijd, omdat [eiser] een langdurige relatie heeft gehad met de moeder van [gedaagde] . Zij hebben in die periode ook als gezin samengeleefd.

In deze periode, namelijk op 28 december 2019 en 30 december 2019, heeft [eiser] vanaf zijn zakelijke rekening een bedrag van totaal € 3.000,00 overgemaakt op de rekening van [gedaagde] , ter aanschaf van een bedrijfsbus. In de omschrijvingen bij de overboekingen staat “lening” en “(renteloze) lening”. Partijen hebben geen afspraken gemaakt over terugbetaling van dit bedrag.

In januari 2024 is de moeder van [gedaagde] en de partner van [eiser] overleden. Daarna is de relatie tussen partijen ernstig verslechterd.

Op 2 december 2024 heeft [eiser] terugbetaling van de € 3.000,00 opgeëist. [gedaagde] heeft hieraan geen gehoor gegeven.

4. Het geschil

[eiser] vordert veroordeling van [gedaagde] tot terugbetaling van het geleende bedrag van € 3.000,00, vermeerderd met buitengerechtelijke kosten en proceskosten.

[gedaagde] voert verweer. Op de eerste plaats voert hij aan dat hij en [eiser] niet duidelijk hebben afgesproken dat het geld op enig moment terugbetaald zou moeten worden. Daarnaast stelt [gedaagde] dat hij het bedrag van € 3.000,00 op 31 oktober 2022 cash terugbetaald heeft.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5. De beoordeling

Er was sprake van een lening

Naar het oordeel van de kantonrechter was sprake van een lening.

[eiser] heeft op de mondelinge behandeling verteld dat hij [gedaagde] in een gesprek over de start van zijn bedrijf, heeft aangeboden het bedrag voor de bedrijfsbus “voor te schieten”. Ook zijn partner, moeder van [gedaagde] , maakte deel uit van dit gesprek. Volgens [gedaagde] kan zijn moeder nooit de bedoeling hebben gehad dat het geld op enig moment terugbetaald zou moeten worden. Zij zou volgens [gedaagde] echter ook gezegd hebben dat ze het geld “wel terug zou zien” als hij ooit rijk zou worden met zijn bedrijf. Volgens [gedaagde] was dat grappend bedoeld, maar dat is niet komen vast te staan. Het bedrag is vervolgens overgemaakt vanaf de zakelijke bankrekening van [eiser] , met een heel duidelijke omschrijving: “lening”. [gedaagde] stelt ook het bedrag terugbetaald te hebben, en dat rijmt niet met de bedoeling van een schenking. Hij heeft daarom naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende ingebracht tegen de onderbouwde stellingen van [eiser] . Er moet vanuit worden gegaan dat partijen hebben afgesproken dat het om een lening ging.

De lening is al terugbetaald

Een lening moet worden terugbetaald. Als geen termijn voor die terugbetaling is afgesproken, zoals hier, hoeft deze pas te worden terugbetaald als [eiser] de terugbetaling opeist. Dat heeft hij op 2 december 2024 gedaan.

Dat betekent overigens ook dat de verjaringstermijn van vijf jaar pas op die datum is gaan lopen, en niet al in 2019, zoals [eiser] op de mondelinge behandeling heeft gesteld.

Volgens [gedaagde] heeft hij de lening allang terugbetaald, namelijk op

31 oktober 2022, op de zogenoemde ‘Moeran Sanskaar’ van zijn zoon (een viering naar Hindoestaans gebruik). In oktober 2021 is het [gedaagde] bij het doen van zijn boekhouding opgevallen dat het bedrag van € 3.000,00 werd omschreven als een lening. Hij wilde het bedrag daarom terugbetalen. Daarvoor heeft hij € 1.600,00 die hij en zijn partner, mevrouw [getuige] , eerder cadeau hadden gekregen apart gehouden. Later is daar € 800,00 die zij zelf opgespaard hadden bijgekomen. Op de ‘Moeran Sanskaar’ verwachtten [gedaagde] en [getuige] dat zij geld cadeau zouden krijgen van familie en vrienden, omdat dat gebruikelijk is op dergelijke vieringen. Zij hebben daarom besloten het bedrag tot € 3.000,00 compleet te maken met het geld dat ze cadeau zouden krijgen en het daarna aan [eiser] en moeder terug te betalen. Tijdens de ‘Moeran Sanskaar’ waren [eiser] en de moeder van [gedaagde] aanwezig. Na de plechtigheden bevonden zij zich samen met [gedaagde] , [getuige] , hun zoontje, de moeder van [getuige] en de schoonzus van [getuige] in de ouderslaapkamer. [gedaagde] heeft toen zijn moeder een envelop met € 3.000,00 overhandigd. Daarbij is niet over het busje of de lening gesproken.

Volgens [eiser] heeft het voorval zoals [gedaagde] dat heeft beschreven, niet plaatsgevonden. Er is geen envelop met geld overhandigd op de ‘Moeran Sanskaar’. Op momenten tijdens de mondelinge behandeling was [eiser] echter ook minder stellig en zei hij dat hij zich het voorval niet kon herinneren. Hij heeft ook aangegeven geen getuigen te kunnen aandragen voor een gebeurtenis die niet heeft plaatsgevonden.

De kantonrechter heeft op de mondelinge behandeling geoordeeld dat beide partijen op dat moment hadden gedaan wat zij konden om hun stellingen te onderbouwen. Omdat [gedaagde] zegt dat hij terugbetaald heeft, moet hij bewijzen dat dit inderdaad gebeurd is.

Het is in deze juridische procedure niet mogelijk om dat met 100 procent zekerheid vast te stellen, maar dat is ook niet vereist. [gedaagde] dient aannemelijk te maken dat de lening terugbetaald is. Daartoe is [getuige] ter plekke als getuige gehoord en heeft [gedaagde] twee schriftelijke getuigenverklaringen van de moeder en schoonzus van [getuige] overgelegd.

De verklaring van [getuige] sluit aan op die van [gedaagde] : ook zij zegt dat het bedrag op 31 oktober 2022 in een envelop aan de moeder van [gedaagde] overhandigd is. De kantonrechter acht de verklaring van [getuige] betrouwbaar. Zij heeft geheel vanuit haar eigen waarneming en beleving verteld. Zij was duidelijk over dingen die zij niet (meer) wist en vertelde duidelijk vanuit haar eigen perspectief: zij was op dat moment primair bezig haar zoontje te verzorgen. Belangrijke details komen overeen met het verhaal van [gedaagde] ,

zoals de plaats waar de betaling plaatsvond (de ouderslaapkamer), de reden dat ze daar waren (het verschonen van de zoon na de plechtigheden), de personen die erbij waren (haar moeder en schoonzus), de wijze waarop het geld werd overhandigd (door [gedaagde] aan zijn moeder in een envelop) en de samenstelling van het bedrag en de totstandkoming daarvan

(€ 1.600,00 die ze cadeau hadden gekregen, ongeveer € 800,00 die ze zelf hadden, aangevuld met giften op de ‘Moeran Sanskaar’). Aan de andere kant komen de verhalen niet dusdanig overeen dat ze op elkaar afgestemd lijken te zijn. Daarnaast komt het de betrouwbaarheid van zowel de verklaring van [getuige] als die van [gedaagde] ten goede dat zij beide zeggen dat het busje in zijn geheel niet genoemd is bij de overhandiging van het bedrag. Het is namelijk niet in hun voordeel om dat te zeggen.

De schriftelijke getuigenverklaringen van de moeder en schoonzus van [getuige] komen overeen met de verklaringen van [getuige] en [gedaagde] , maar zijn minder gedetailleerd en inhoudelijk identiek. De kantonrechter hecht hier daarom minder bewijswaarde aan. De kantonrechter weegt deze echter wel mee, in die zin dat [gedaagde] alle aanwezigen in de ouderslaapkamer bereid heeft gevonden om een verklaring af te leggen die strookt met zijn verhaal.

Al met al heeft [gedaagde] naar het oordeel van de kantonrechter bewezen dat hij het bedrag aan [eiser] heeft terugbetaald, door € 3.000,00 in een envelop aan zijn moeder te overhandigen.

Dat de envelop niet rechtstreeks aan [eiser] is overhandigd of op zijn (zakelijke) rekening is overgemaakt, betekent niet dat er niet terugbetaald is. Moeder was een belangrijk onderdeel van de afspraken die in 2019 over de lening gemaakt zijn. Voor [gedaagde] waren [eiser] en zijn moeder een eenheid: zij waren al 18,5 jaar samen en hebben met [gedaagde] in gezinsverband geleefd. Daarbij is het logisch dat [gedaagde] zich in eerste instantie tot zijn eigen moeder heeft gewend, waarmee hij de lening destijds had afgesloten, en niet tot haar partner. Bovendien was de intentie van hem en [getuige] om de lening terug te betalen, kwam het bedrag (€ 3.000,00) exact overeen met het geleende bedrag en is gesteld noch gebleken dat er een andere reden zou zijn om precies dat bedrag aan moeder te geven.

[eiser] heeft tegen al het bovenstaande niet meer ingebracht dan een blote ontkenning. Dat is enerzijds begrijpelijk, nu de gebeurtenis volgens hem echt niet heeft plaatsgevonden. Anderzijds kon naar het oordeel van de kantonrechter meer verwacht worden van [eiser] . Het is bijvoorbeeld niet waar dat je geen getuigen kunt horen over een gebeurtenis die niet zou hebben plaatsgevonden; mensen kunnen immers ook vertellen dat iets juist niet gebeurd is. Daarnaast was [eiser] op de mondelinge behandeling weinig stellig en gedetailleerd in zijn kant van het verhaal, terwijl hij wel erkende bij de ‘Moeran Sanskaar’ aanwezig te zijn geweest. In de afweging die de kantonrechter moet maken heeft [eiser] naar haar oordeel daarom te weinig ingebracht tegen de bewijsmiddelen van [gedaagde] .

Het voorgaande betekent dat de betalingsverplichting van [gedaagde] op het moment van terugbetaling is vervallen en dat [eiser] nu dus geen betaling meer van hem kan vorderen. De kantonrechter zal de vordering van [eiser] daarom afwijzen.

6. De beslissing

De kantonrechter wijst de vordering af.

Dit vonnis is gewezen door mr. Van Onzenoort en, bij vervroeging, in het openbaar uitgesproken op 17 december 2025.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?