ECLI:NL:RBZWB:2025:9559

ECLI:NL:RBZWB:2025:9559, Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 22-12-2025, C/02/442122 / JE RK 25-2055

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 22-12-2025
Datum publicatie 16-01-2026
Zaaknummer C/02/442122 / JE RK 25-2055
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Rekestprocedure
Zittingsplaats Breda

Samenvatting

OTS

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht

Locatie Breda

Zaaknummer: C/02/442122 / JE RK 25-2055

Datum uitspraak: 22 december 2025

Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling

in de zaak van

DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING ZEELAND-WEST-BRABANT,

locatie Breda,

hierna te noemen de Raad,

over

[minderjarige 1] , geboren op [geboortedag] 2024 in [geboorteplaats] ,

hierna te noemen [minderjarige 1] .

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de moeder] ,

hierna te noemen de moeder,

wonende in [woonplaats 1] ,

advocaat mr. Y. Bruin uit Heerhugowaard,

[de vader] ,

hierna te noemen de vader,

wonende in [woonplaats 2] ,

advocaat mr. B. Krijnen uit Waalwijk.

De kinderrechter merkt als informant aan:

de gecertificeerde instelling STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT, locatie Etten-Leur, hierna te noemen de GI.

1. Het verloop van de procedure

De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 20 november 2025.

De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 22 december 2025. Daarbij waren aanwezig:

de moeder en haar advocaat;

de vader en zijn advocaat;

een vertegenwoordiger van de Raad;

een vertegenwoordigster van de GI.

2. De feiten

De ouders hebben met elkaar een relatie gehad. Uit die relatie is de [minderjarige 1] geboren.

[minderjarige 1] is erkend door de vader.

De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] .

[minderjarige 1] woont bij haar moeder in het uitstroomhuis van het moeder-kind Huis ‘ [moeder-kind huis] ’.

3. Het verzoek

De Raad verzoekt [minderjarige 1] onder toezicht te stellen voor de duur van één jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4. Het standpunt van de verzoeker

Ter onderbouwing van het verzoek is door de Raad schriftelijk en mondeling aanvullend - samengevat - aangevoerd dat [minderjarige 1] op [geboortedag] 2024 is geboren uit de relatie van de ouders, die kort na de geboorte is verbroken. De moeder heeft uit een eerdere relatie een dochter [minderjarige 2] die op grond van een lopende ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing in een pleeggezin verblijft. [minderjarige 1] en de moeder verblijven in het uitstroomhuis van het moeder-kind Huis ‘ [moeder-kind huis] ’. Aanvankelijk was er wekelijks sprake van begeleide contacten tussen [minderjarige 1] en de vader door Maatwerk in de Zorg, te weten op een doordeweekse dag en om de week op zondag, waarbij de grootouders vaderszijde voor het vervoer zorgden. Deze contacten zijn gestopt per 11 juli 2025. Sindsdien is er sprake van wekelijks beeldbel-contact. Wegens de verhuizing van de vader van [plaats] naar [woonplaats 2] is een andere ondersteuner, te weten [hulpverlening 1], betrokken in het kader van de begeleiding van de contacten. Ten tijde van het raadsonderzoek is er nog geen begeleider beschikbaar.

Duidelijkheid en stabiliteit rondom de woonsituatie van de ouders is belangrijk voor [minderjarige 1] om zich voldoende veilig te kunnen ontwikkelen. Gebleken is van zorgen over de aanwezigheid van voldoende veiligheid en stabiliteit in de situatie van de moeder met betrekking tot haar woonsituatie/huisvesting, het ontbreken van een evenwichtig contact tussen beide ouders en het door de ouders afzonderlijk (kunnen) aangaan van een hechtings- en opvoedingsrelatie met [minderjarige 1] . Beide ouders hebben weliswaar een tijdelijke oplossing qua huisvesting, maar voor het gezamenlijk uitvoeren van de opvoeding is het belangrijk dat zij beiden een stabiele woonsituatie hebben en dat zij op korte reisafstand van elkaar wonen. Ook vormt daarbij een belemmering dat beiden van het openbaar vervoer afhankelijk zijn. Daarnaast geldt voor de moeder en voor [minderjarige 1] dat het belangrijk is dat zij ook op korte reisafstand van [minderjarige 2] wonen om hun relatie met haar te kunnen blijven onderhouden. Concreet zien de zorgen dus op het ontbreken van een stabiele opvoedomgeving, de dynamiek in de relatie van de ouders en het pedagogisch klimaat waarin [minderjarige 1] opgroeit. Gebleken is van te weinig perspectief en duidelijkheid binnen afzienbare tijd op al deze punten. Daarbij speelt ook een belangrijke rol dat uit recent onderzoek is gebleken dat de moeder functioneert op licht verstandelijk beperkt niveau. Ook liet de moeder, althans ten tijde van het raadsonderzoek, blijken weg te willen bij [moeder-kind huis] en niet te kunnen instemmen met een aanmelding bij Amarant, terwijl 24 uurs ondersteuning vanuit deze instantie als het meest passend wordt beschouwd. Zelf heeft de moeder zich aangemeld bij [hulpverlening 2], echter strookt dit niet met het door de betrokken hulpverlening gegeven advies.

Het wonen van de moeder - bij wijze van noodoplossing - bij de grootouders moederszijde is door de Raad niet onderzocht. Hoewel de grootouders moederszijde er nog steeds voor open staan om de moeder en [minderjarige 1] op te vangen indien het verblijf bij ‘ [moeder-kind huis] ’ mocht eindigen ziet de Raad dit niet als een geschikte optie, rekening houdend met alle gebleken zorgen over de zorg- en opvoedingssituatie van [minderjarige 1] , de relatie tussen de moeder en de grootouders, het ontbreken van de noodzakelijke voorwaarden, zoals een bestendig contact tussen de vader en [minderjarige 1] , de nog moeizame onderlinge samenwerking van de ouders en de grote reisafstand. Ook wordt in dit verband benoemd dat het de ouders tot op heden niet lukt om samen invulling te geven aan het gezamenlijk ouderschap. Tussen de ouders onderling is er wel contact, echter verloopt dit niet altijd constructief en nog onvoldoende stabiel met weinig wederzijds vertrouwen. Verder is er nog geen sprake van een (werkend) ouderschapsplan met betrekking tot [minderjarige 1] . Een ouderschapsbemiddelings-traject geboden en ondersteund door Amarant zou daarvoor uitkomst kunnen bieden. Daar-naast zijn er nog een aantal zaken, waarover de ouders vooralsnog geen overeenstemming hebben weten te bereiken, waaronder de toestemming om te verhuizen en de wijze waarop het contact tussen de vader en [minderjarige 1] plaatsvindt.

[minderjarige 1] , ten tijde van de opmaak van de raadsrapportage 13 maanden oud, heeft gedurende haar leven gedurende 5 maanden haar vader niet gezien, wat een aanzienlijk lange periode is. Van belang is dat zij een evenwichtig en voorspelbaar contact met haar beide ouders heeft en dat zij met hen een veilige hechtings- en opvoedingsrelatie kan aangaan. Ook heeft zij, gezien haar huidige leeftijdsfase, nog grote behoefte aan fysieke nabijheid, veiligheid en structuur. Echter, tegelijkertijd moet zij de kans krijgen om de wereld om haar heen te ontdekken en dienen de ouders voor haar emotioneel beschikbaar te zijn en responsief te reageren, door liefdevol te zijn middels het geven van aandacht, het verbaal benoemen van [minderjarige 1] ’s emoties en de wereld om haar heen, maar ook door het creëren van ritme en voorspelbaarheid en het stellen van grenzen. Ten slotte is het van belang dat met name de moeder de taalontwikkeling van [minderjarige 1] gaat stimuleren.

Hoewel in december 2025 de huidige beschikking, op grond waarvan de moeder met [minderjarige 1] bij ‘ [moeder-kind huis] ’ verblijft, afloopt ziet de Raad in dit stadium nog geen mogelijkheden voor zelfstandig wonen van de moeder zonder begeleiding. Er moet daarvoor eerst nog het nodige gebeuren om de zorgen over het veilig opgroeien van [minderjarige 1] weg te kunnen nemen, te weten:

- dat [minderjarige 1] duidelijkheid heeft over haar (woon)perspectief;

- dat [minderjarige 1] een voorspelbaar en onbelast contact heeft met haar vader;

- dat [minderjarige 1] ouders heeft met wie zij een opvoedingsrelatie kan ontwikkelen,

waarbij zij [minderjarige 1] die als dreumes in de ontdekkingsfase zit, passend kunnen

begeleiden, stimuleren en begrenzen in het ontdekken van de omgeving;

- dat [minderjarige 1] ouders heeft die samen de opvoeding verdelen, kunnen overleggen en

kunnen samenwerken vanuit haar belang;

- dat [minderjarige 1] ouders heeft die hun eigen problemen hebben verwerkt.

De Raad concludeert dat de ouders met de tot dusver beschikbare hulpverlening en ondersteuning in een vrijwillig kader weliswaar stappen hebben weten te maken, maar dat desondanks van een kwetsbare situatie sprake blijft, nu zij nog onvoldoende weten aan te sluiten bij [minderjarige 1] , die zich in een precaire leeftijds- en ontwikkelingsfase bevindt. Verder geldt dat er verhoudingsgewijs gedurende een zeer lange periode geen contact tussen [minderjarige 1] en de vader heeft plaatsgevonden. Daarom dient ook het contact tussen de vader en [minderjarige 1] onderwerp van gesprek te blijven in de omgangsbegeleiding vanuit Amarant, zo lang er nog geen zicht is op wanneer de begeleiding vanuit [hulpverlening 1] kan starten. Tevens dienen het aanbod van de gemeente (Amarant) naast de aangedragen optie van de moeder ([hulpverlening 2]) naast elkaar gelegd te worden door [moeder-kind huis] , waarbij beide opties worden meegewogen. De ouders hebben laten zien dat zij intrinsiek over te weinig mogelijkheden beschikken om met hulpverlening en ondersteuning in een vrijwillig kader aan de hiervóór geformuleerde doelen te werken. Ook is gebleken dat zij snel overvraagd raken bij het organiseren van al wat in het belang van [minderjarige 1] nodig is en dat zij niet over alle onderwerpen op één lijn verkeren. Er bestaat om die reden bij beiden behoefte aan intensievere hulpverlening en aan sturing. Tevens brengt die situatie met zich dat er een spoedeisend belang is bij het komen tot vaste afspraken tussen de ouders en bij een concreet ouderschapsplan.

Op grond van voormelde feiten en omstandigheden handhaaft de Raad zijn verzoek om [minderjarige 1] onder toezicht te stellen van de gecertificeerde instelling. De Raad acht een periode van één jaar passend, omdat er meerdere doelen zijn, waaraan gewerkt dient te worden, waaraan de nodige zorg en aandacht besteed dient te worden om in het belang van [minderjarige 1] een bestendige situatie te creëren. Gelet op de persoonlijke problematiek van de ouders afzonderlijk is het bovendien de verwachting dat het meer tijd zal vragen om tot een duurzame verbetering te komen. Ten slotte acht de Raad van belang op te merken dat, hoewel de William Schrikker Jeugdbescherming & Jeugdreclassering het meest aansluit bij het intelligentieniveau van de moeder en dit als zodanig in de overweging is meegenomen, daar niet voor is gekozen, nu de Jeugdbescherming Brabant als gecertificeerde instelling al betrokken is bij en bekend is met het gehele gezinssysteem, waarin bovendien de komende periode belangrijke beslissingen genomen moeten worden. Ook wordt daardoor voorkomen dat het aantal betrokken hulpverleners niet onnodig oploopt.

5. De standpunten

Door en namens de moeder is naar voren gebracht dat de moeder intussen bekend is geworden dat het plaatsingstraject van haar met [minderjarige 1] bij ‘ [moeder-kind huis] ’ met een jaar is verlengd. Ook staat zij - alsnog - open voor 24-uurs ondersteuning door Amarant. Daartoe zal er in januari 2026 een oriënterend gesprek gaan plaats vinden, bedoeld om te inven-tariseren wat de mogelijkheden van de ouders zijn en wat zij nog nodig hebben en wat Amarant daarin kan bieden. Daarnaast heeft de moeder gesprekken met haar praktijkonder-steuner, bedoeld om aan haar traumaproblematiek te gaan werken. Gedurende het traject bij ‘ [moeder-kind huis] ’ is een erg positieve indruk ontstaan van de stappen die de moeder intussen heeft weten te maken. Niettemin is de plaatsingsbeschikking verlengd, echter ook ter voorkoming dat de moeder bij gebrek aan een geschikt vervolgtraject binnen afzienbare tijd op straat zal komen te staan. Hoewel de moeder blij is met de regievoering en ondersteuning die zij ontvangt in het kader van de ondertoezichtstelling van [minderjarige 2] vanuit de GI in de persoon van de ook hier ter zitting aanwezige mevrouw [naam] heeft zij een enigszins dubbel gevoel bij het verzoek van de Raad om ook [minderjarige 1] onder toezicht te stellen. Daarbij speelt in de eerste plaats een rol dat de moeder vreest dat evenals [minderjarige 2] ook [minderjarige 1] - uiteindelijk - uit huis zal worden geplaatst. Daarnaast betwijfelt zij of in het belang van [minderjarige 1] hulpverlening in een verplicht kader strikt genomen noodzakelijk is, nu er al sprake is van geboden en nog in te zetten hulp en ondersteuning in een vrijwillig kader, waaraan door haar en door de vader consequent wordt meegewerkt en waarmee stappen worden gemaakt. De moeder stelt zich daarom primair op het standpunt dat het verzoek dient te worden afgewezen. In het geval dat het verzoek wel wordt toegewezen stelt de moeder zich subsidiair op het standpunt dat de huidige jeugdbeschermer van [minderjarige 2] , mevrouw [naam], met de uitvoering van deze beschermingsmaatregel belast zal zijn en de maatregel tevens gericht zal zijn op het werken aan verbetering van de ouder-communicatie en aan meer actieve betrokkenheid van de vader bij de uitoefening van zijn taak en verantwoordelijkheid als mede gezag dragende ouder.

Door en namens de vader is aangevoerd dat de vader achter het verzoek tot ondertoezichtstelling kan staan. Daarbij spelen meerdere aspecten een rol, te weten de woonsituatie van de moeder en [minderjarige 1] en het ontbreken van een structureel contact tussen hem en [minderjarige 1] . Hij stelt vast dat de zorgen over de woonsituatie van [minderjarige 1] en de moeder

- althans tijdelijk - op de achtergrond zijn geraakt, sinds bekend is geworden dat de plaatsing van [minderjarige 1] en de moeder bij ‘ [moeder-kind huis] ’ is verlengd. Wel blijft het voor de vader spannend rekening te moeten houden met de mogelijkheid dat de moeder alsnog met [minderjarige 1] naar een andere regio zal verhuizen, waar hij niet achter kan staan. Tevens speelt bij hem - niet in de minste plaats - een rol dat er met de tot dusver ingezette hulpverlening in een vrijwillig kader onvoldoende stappen zijn gemaakt met betrekking tot de hechting en een structureel contact tussen hem en [minderjarige 1] . Er is bij [minderjarige 1] nu zelfs geen sprake van herkenning, daarom acht de vader het absoluut in het belang van [minderjarige 1] dat er in die situatie verandering komt. Wat hem wel hoopvol stemt is dat er inmiddels voorzieningen zijn getroffen, die het mogelijk maken dat er op het terrein van ‘ [moeder-kind huis] ’ aan contact-herstel - vooralsnog onder begeleiding - tussen hem en [minderjarige 1] gewerkt kan gaan worden. Ten slotte begrijpt de vader dat er bij de uitoefening van zijn taak en verantwoordelijkheid als mede gezag dragende ouder van hem meer actieve betrokkenheid wordt verlangd. Ook dit zal als zodanig bij de ondertoezichtstelling en de doelstellingen betrokken kunnen worden.

6. Het standpunt van de GI

De vertegenwoordigster van de GI heeft medegedeeld dat zij al betrokken was en nog steeds is bij de moeder vanwege de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing van [minderjarige 2] . Daardoor heeft zij zich ook al op de hoogte kunnen stellen van de huidige situatie van de moeder en [minderjarige 1] in het moeder-kind Huis. Zij heeft kunnen vaststellen dat de hechting tussen [minderjarige 1] en de moeder positief verloopt. Wel dient er hulpverlening ingezet te blijven worden om die opwaartse lijn te kunnen vasthouden en om ervoor te zorgen dat [minderjarige 1] en de moeder bij elkaar kunnen blijven. Als bemoedigend beschouwt zij in dat opzicht dat de moeder heeft laten blijken alsnog te kunnen instemmen met 24-uurs ondersteuning door Amarant. Verder heeft zij namens de GI contact gezocht met [hulpverlening 1] om te komen tot praktische afspraken over het traject gericht op herstel van de band tussen [minderjarige 1] en de vader. [hulpverlening 1] heeft aangegeven per januari 2026 met begeleide contacten te kunnen starten. Ten slotte dient er gewerkt te worden aan verbetering van de oudercommunicatie en dient tot vaste afspraken te worden gekomen tussen de ouders, alsook een ouderschapsplan. Onder verwijzing naar haar voormelde toelichting volgt de GI de Raad in zijn standpunt dat bij beide ouders de behoefte bestaat aan intensievere hulpverlening en aan regievoering, coördinatie en afstemming met onderliggend een beschermingsmaatregel als verzocht. De GI kan daarom achter een ondertoezichtstelling staan voor de aldus verzochte periode. De nu betrokken jeugdbeschermer zal in elk geval tot aan haar aanstaande pensionering betrokken kunnen blijven.

7. De beoordeling

De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.

De ontwikkeling van [minderjarige 1] wordt ernstig bedreigd, omdat het de ouders tot op heden niet lukt, in elk geval niet zonder hulpverlening en ondersteuning, om samen invulling te geven aan het gezamenlijk ouderschap en om over daarmee verwante zaken op één lijn te komen en daarover afspraken te maken en vervolgens tot een ouderschapsplan te komen. Ook is gebleken van factoren die een belemmering vormen bij het door de ouders afzonderlijk (kunnen) aangaan van een hechtings- en opvoedingsrelatie met [minderjarige 1] . Die zijn waar het de moeder betreft gelegen in haar actuele persoonlijke situatie, haar verleden en haar beperking en zien, waar het de vader betreft op de afwezigheid gedurende een relatief lange periode van enig contact tussen hem en [minderjarige 1] , waardoor er geen hechting heeft kunnen plaats vinden. De moeder beschikt niet over geschikte zelfstandige woonruimte waar zij met [minderjarige 1] kan verblijven. Zij verblijft op dit moment met [minderjarige 1] in het uitstroomhuis van het moeder-kind Huis ‘ [moeder-kind huis] ’. De vader woont in een woning, waar hij slechts tijdelijk kan verblijven, die bovendien niet geschikt is voor het zorgen en opvoeden van een kind. Al deze omstandigheden hebben ervoor gezorgd dat het tot op heden nog steeds ontbreekt aan stabiliteit op meerdere vlakken en aan bestendige zorg- en opvoedafspraken.

Gebleken is dat de ouders intussen met de hulpverlening in een vrijwillig kader weliswaar stappen hebben weten te maken, maar dat zij, gezien al wat er van hen feitelijk wordt verlangd, daarin ook overvraagd zijn geraakt. Dit laatste maakt dat zij behoefte hebben aan meer sturing en regievoering, bedoeld om ervoor te zorgen dat de hulpverlening en ondersteuning, die zij nodig hebben zodanig wordt georganiseerd dat die (uiteindelijk) ook tot het gewenste resultaat leidt. Een verplicht kader is daarvoor op dit moment het enige alternatief. Als positief in dat verband ziet de kinderrechter dat de moeder zich - alsnog - open stelt voor 24-uurs ondersteuning door Amarant en er voor de vader voorzieningen zijn getroffen, waardoor het mogelijk wordt aan contactherstel onder begeleiding tussen hem en [minderjarige 1] te gaan werken. Ook is gebleken dat beide ouders open staan voor het werken aan verbetering van de oudercommunicatie en de vader zich tevens bereid heeft getoond zich te gaan inzetten met de hulp en ondersteuning om zijn betrokkenheid als mede gezag dragende ouder in het leven van [minderjarige 1] te vergroten.

Met inachtneming van het voorgaande zal de kinderrechter de ondertoezicht-stelling van [minderjarige 1] uitspreken voor de duur van een jaar. Daarbij houdt de kinderrechter er nadrukkelijk rekening mee dat de aanwezige jeugdbeschermer weliswaar al bekend en actief betrokken is bij de situatie van de moeder, maar dat gezien het aantal doelen waaraan gewerkt dient te worden, en de onzekerheid over toekomstige ontwikkelingen zoals het woonperspectief van de ouders, deze periode van een jaar daarvoor - naar verwachting - minimaal nodig zal zijn.

De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister.

De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

8. De beslissing

De kinderrechter:

stelt [minderjarige 1] onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming Brabant met ingang van 22 december 2025 tot 22 december 2026;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 22 december 2025 door mr. Maandag, kinderrechter, in aanwezigheid van Baremans, als griffier, en op schrift gesteld op 29 december 2025.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?