RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team strafrecht
Zittingsplaats Breda
zaaknummer.: 11390742 \ MB VERZ 24-1528
CJIB-nummer: [cjib-nummer]
uitspraakdatum: 17 september 2025
proces-verbaal van de zitting en uitspraak op een beroep op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv)
in de zaak van
naam : [betrokkene]
adres : [adres]
woonplaats : [woonplaats]
hierna: betrokkene
gemachtigde : [naam] ([bedrijf] B.V.)
Verloop van de procedure
Aan betrokkene is een administratieve sanctie (hierna: boete) opgelegd. Betrokkene heeft daartegen beroep ingesteld bij de officier van justitie. De officier van justitie heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing is door betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.
De zaak is behandeld op de zitting van 17 september 2025. Namens de officier van justitie is verschenen mr. F. Hashimi (hierna: zittingsvertegenwoordiger). Gemachtigde is ook verschenen. De kantonrechter heeft op de zitting uitspraak gedaan.
Standpunten
De gedraging waarvoor de boete is opgelegd luidt, kort omschreven: als bestuurder tijdens het rijden een mobiel elektronisch apparaat vasthouden op de Nieuwe Kadijk te Breda op 24 februari 2023 om 12:33 uur.
Gemachtigde heeft in het beroepschrift samengevat aangevoerd dat de gedraging niet is verricht. De verklaring van de verbalisant is niet in overeenstemming met de instructie van de Politie. De verbalisant heeft niet duidelijk omschreven waaruit blijkt dat sprake is van een mobiel elektronisch apparaat dat betrokkene in haar handen hield. De verklaring van de verbalisant is niet compleet. De verbalisant heeft niet vermeld wat zijn positie was ten opzichte van het betrokken voertuig. Verder heeft de verbalisant niet vermeld hoe hij heeft vastgesteld dat het ging om een mobiel elektronisch apparaat dat werd vastgehouden. Aldus ontbreken de redenen van wetenschap. Evenmin is bekend of de verbalisant rechtstreeks en onbelemmerd zicht had op de handelingen van betrokkene. Daarnaast heeft er ten onrechte geen staandehouding plaatsgevonden. Uit de verklaring van verbalisant, zoals weergegeven in het zaaksoverzicht, volgt dat de verbalisant heeft afgezien van een staandehouding vanwege “privéauto”. Dit is op zichzelf geen toereikende reden om van staandehouding af te zien. Van de verbalisant mag in zijn verklaring worden verlangd dat hij – beknopt – schetst waarom staandehouding leidt tot een gevaarlijke of ondoenlijke situatie. Gemachtigde verwijst naar uitspraken van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Gemachtigde heeft tot slot verzocht om een proceskostenvergoeding en toekenning van de wettelijke dwangsom omdat de officier van justitie niet tijdig heeft beslist. Ter zitting heeft gemachtigde hieraan toegevoegd dat er sprake is van overschrijding van de redelijke termijn en verzoekt de sanctie met 25% te matigen.
De zittingsvertegenwoordiger heeft verzocht het beroep gedeeltelijk gegrond te verklaren en heeft daartoe het volgende aangevoerd. De verbalisant heeft in het zaakoverzicht verklaard dat er geen reële mogelijkheid tot staandehouding bestond, omdat verbalisant in een privé voertuig reed. Een dergelijk voertuig is niet uitgerust met voorzieningen om een stopteken te geven. Onder die omstandigheden was er geen reële mogelijkheid tot staandehouding aanwezig. De verbalisant mocht dan ook volstaan met het bekeuren op kenteken. Daarnaast is er geen dwangsom verschuldigd, nu het CVOM een posttermijn van 8 dagen hanteert. Wel is er sprake van overschrijding van de redelijke termijn. De sanctie dient met 25% gematigd te worden.
Overwegingen
Inhoudelijk De kantonrechter is van oordeel dat uit de stukken in het dossier - met name uit de verklaring van de verbalisant - voldoende blijkt dat de gedraging waarvoor de boete is opgelegd, is verricht.
In zaken op grond van de Wahv biedt de verklaring van de verbalisant in beginsel voldoende grondslag voor de vaststelling dat de gedraging is verricht. Dat is anders indien de betrokkene voor zijn zaak specifieke feiten en omstandigheden aanvoert, die aanleiding geven om te twijfelen aan de juistheid van die verklaring of indien dergelijke feiten en omstandigheden uit het dossier blijken.
De kantonrechter ziet in wat betrokkene heeft aangevoerd geen aanleiding om te twijfelen aan de verklaring van de verbalisant.
Staandehouding Uit artikel 5 van de Wahv volgt het uitgangspunt dat wanneer een gedraging wordt geconstateerd, de verbalisant de bestuurder staande houdt en zijn identiteit vaststelt, zodat hem een boete kan worden opgelegd. Slechts wanneer er geen reële mogelijkheid is geweest om de identiteit van de bestuurder vast te stellen, mag de boete aan de kentekenhouder worden opgelegd.
Volgens het zaaksoverzicht heeft de verbalisant afgezien van staandehouding omdat hij de gedraging buiten diensttijd heeft geconstateerd en op dat moment met een privé voertuig reed. Hij had geen middelen tot staandehouding, zoals een stoptransparant of optische- en geluidssignalen, voorhanden. Dat dit in dit geval er geen deugdelijke reden was om af te zien van staandehouding van de bestuurder is niet gebleken. Aldus mocht de sanctie aan de kentekenhouder worden opgelegd.
Overschrijding redelijke termijn
Iedereen heeft recht op behandeling van zijn rechtszaak binnen een redelijke termijn (artikel 6, lid 1 van het EVRM). Volgens vaste rechtspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (ECLI:GHARL:2017:1777) is sprake van schending van die redelijke termijn van berechting wanneer de procedure bij de officier van justitie en de kantonrechter tezamen langer dan twee jaar heeft geduurd. Deze termijn vangt aan bij het opleggen van de boete.
In dit geval is de boete opgelegd op 7 maart 2023 en is de redelijke termijn dus met ruim zeven maanden overschreden.
Omdat sprake is van een overschrijding zal de kantonrechter de boete matigen met 25% (zie ECLI:NL:GHARL:2023:6369). Het beroep is dus gedeeltelijk gegrond. De beslissing van de officier van justitie zal worden gewijzigd. Het bedrag dat betrokkene te veel aan zekerheid heeft betaald moet door de officier van justitie worden terugbetaald.
Dwangsom Gemachtigde heeft tot slot verzocht om toekenning van de wettelijke dwangsom omdat de officier van justitie niet tijdig heeft beslist.
Op grond van artikel 7:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) moet de officier van justitie beslissen binnen 16 weken vanaf het einde van de beroepstermijn. De beroepstermijn eindigde in dit geval op 18 april 2023 (6 weken na datum beschikking).
De officier van justitie heeft per brief van 31 juli 2023 de beslistermijn met tien weken verlengd. Dit betekent dat de officier van justitie uiterlijk op 9 oktober 2023 een beslissing had moeten nemen. Hieruit volgt dat niet tijdig is beslist. Immers, de beslissing is pas op 18 december 2023 verzonden. Op grond van artikel 4:17 lid 3 Awb is de eerste dag waarover een dwangsom verschuldigd is, de dag waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de beslistermijn is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen. Uit het dossier blijkt dat de officier van justitie op 29 november 2023 een ingebrekestelling heeft ontvangen. Dit betekent dat de officier van justitie aan betrokkene voor 21 dagen een dwangsom heeft verbeurd (artikel 4:17 lid 1 Awb).
Gelet op artikel 4:17 lid 2 Awb bedraagt de dwangsom € 532,- De berekening is als volgt:
14 dagen x € 23,- = € 322,-
6 dagen x € 35,- = € 210,-
Proceskosten
Nu de boete wordt gematigd is er aanleiding voor een proceskostenvergoeding. Daarbij gaat het alleen om de kosten in de fase waarin de redelijke termijn is overschreden, dus de kosten van het beroep bij de kantonrechter. Daarbij wordt de wegingsfactor 0,25 (zeer licht) toegepast, nu de matiging uitsluitend het gevolg is van overschrijding van de redelijke termijn (zie ECLI:NL:HR:2023:1526). De proceskostenvergoeding is als volgt berekend:
beroepschrift kantonrechter: 1 punt x gewicht 0,25 x € 907,- = € 226,75
zitting kantonrechter: 1 punt x gewicht 0,25 x € 907,- = € 226,75
totaal € 453,50
Beslissing
De kantonrechter:
‒ verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond;
‒ wijzigt de beslissing van de officier van justitie in die zin dat de boete wordt gematigd tot € 262,50, plus € 9,- administratiekosten;
‒ draagt de officier van justitie op het bedrag van € 87,50, dat betrokkene te veel als zekerheidstelling heeft betaald, aan betrokkene terug te betalen;
‒ stelt vast dat de officier van justitie aan betrokkene een dwangsom van € 532,- is verschuldigd, vermeerderd met de wettelijke rente;
‒ veroordeelt de officier van justitie tot het vergoeden van de proceskosten van betrokkene van € 453,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K. Verschueren, kantonrechter, bijgestaan door de griffier L.I.M. Appels, en in het openbaar uitgesproken op 17 september 2025.
Als u het niet eens bent met deze beslissing , dan kunt u binnen 6 weken na de hieronder vermelde datum van verzending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, maar alleen als:
Het beroepschrift moet worden ingediend bij Rechtbank Zeeland-West-Brabant, Team strafrecht, postbus 90008, 4800 PA Breda. Het beroepschrift moet zijn ondertekend door degene die beroep heeft ingesteld of door de gemachtigde.
U dient daarbij het zaaknummer te vermelden.
De procedure bij het gerechtshof verloopt geheel schriftelijk, tenzij u in het beroepschrift uitdrukkelijk vraagt om een zitting waarop u uw standpunt mondeling wilt toelichten.
Datum verzending: