RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/441939 / JE RK 25-2021
Datum uitspraak: 11 december 2025
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
de gecertificeerde instelling JEUGDBESCHERMING BRABANT,
hierna te noemen: de GI,
gevestigd te Etten-Leur,
over
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2010 in [geboorteplaats 1] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2014 in [geboorteplaats 2] ,
hierna te noemen: [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. M.M.J. Bos te Dordrecht,
[de vader] ,
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats 2] .
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen van 5 november 2025, ontvangen op 6 november 2025.
De mondelinge behandeling met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 11 december 2025. Daarbij waren aanwezig:
de advocaat van de moeder;
de vader;
- een vertegenwoordigster van de GI.
Hoewel behoorlijk opgeroepen, is niet verschenen:
- de moeder.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd door hen uit te nodigen voor een gesprek en hen in de gelegenheid te stellen een brief te sturen aan de kinderrechter. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben geen gebruik gemaakt van deze mogelijkheden.
2. De feiten
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij de vader.
Bij beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, van 17 december 2024 zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 17 december 2024 en tot 17 december 2025.
3. Het verzoek
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4. De standpunten
De GI licht, aanvullend op de overgelegde stukken, toe dat een verlenging van de ondertoezichtstelling noodzakelijk is. Recent is er hulpverlening ingezet. SDW is betrokken voor de kinderbegeleiding, het ondersteunen van de beeldbelmomenten en het bieden van opvoedondersteuning aan de vader. Coachpoint biedt de moeder opvoedondersteuning en begeleidt de bezoeken. Een goede samenwerking tussen deze instanties is van belang. Daarnaast verklaart de GI dat het zowel thuis als op school goed gaat met de minderjarigen. [minderjarige 1] heeft de behandeling bij Mentaal Beter succesvol afgerond. [minderjarige 2] is aangemeld in verband met trauma- en emotieregulatie. De jeugdbeschermer heeft zelf enkele bezoeken tussen de minderjarigen en de moeder begeleid, omdat het voor haar belangrijk is dat de bezoeken door kunnen gaan. De omgang verloopt moeizaam. De moeder en de minderjarigen hebben elkaar al enkele maanden niet meer (fysiek) gezien. Ook zijn er zorgen over de interactie tussen de moeder en de minderjarigen. De moeder heeft het vooral over anderen of zichzelf. Er zijn tevens ernstige zorgen over de thuissituatie van de moeder, hetgeen te maken heeft met de partner van de moeder. De jeugdbeschermer heeft daarom ook contact opgenomen met de Raad voor de Kinderbescherming in [geboorteplaats 1] . Recent is er hulpverlening ingezet in de thuissituatie van de moeder, zowel vanuit de GI in het kader van de ondertoezichtstelling als vanuit de Raad voor de Kinderbescherming te [geboorteplaats 1] . Waarschijnlijk zal er een ondertoezichtstelling komen voor de minderjarigen die wonen in het gezin van de moeder en haar partner. Voorts is gebleken dat de communicatie en samenwerking tussen de ouders moeizaam gaat. De samenwerking tussen de GI en de moeder verloopt ook moeizaam. De moeder zegt veel afspraken af, waaronder de begeleide bezoeken, vanwege zwangerschapskwaaltjes. De vader is daarentegen heel meewerkend en goed bereikbaar. Een verlenging van de ondertoezichtstelling voor de periode van een jaar is noodzakelijk, aangezien er nog veel moet gebeuren. De minderjarigen mogen op kraamvisite komen, mits de partner van de moeder er niet bij is. Tot slot verklaart de GI dat er een ouderschapsplan moet worden opgesteld. Dit komt echter niet van de grond, aangezien er te veel zorgen zijn waar eerst mee aan de slag moet worden gegaan.
Namens de moeder stelt de advocaat dat de moeder op dit moment aan het bevallen is. Het was een zware zwangerschap. De moeder stemt in met het verzoek, aangezien zij van mening is dat een verlenging van de ondertoezichtstelling nodig is. Daarnaast wil de moeder opmerken dat de begeleide bezoeken een tijd naar behoren zijn verlopen toen de zus van de moeder de omgang begeleidde. Zij is echter uitgevallen wegens een blessure. De moeder vindt het niet fijn dat de omgang momenteel niet meer plaatsvindt. Ze wil komend jaar graag toewerken naar onbegeleide bezoeken. De minderjarigen willen ook graag bij de moeder logeren en een band met haar opbouwen. Het is van belang dat hier snel stappen in worden gezet. De moeder heeft een klik met Coachpoint en de opvoedondersteuner. Ook is er sprake van een samenwerking tussen de GI en de moeder en is de communicatie tussen de ouders verbeterd. De moeder wil graag dat de minderjarigen op kraamvisite kunnen komen, in afstemming met Coachpoint. Het is hierbij van belang dat de partner van de moeder er ook bij kan zijn. Het is jammer dat het verleden van de partner van de moeder steeds wordt aangehaald als zorg. De partner heeft immers het reclasseringstraject succesvol doorlopen. Sindsdien zijn er geen nieuwe zorgen over hem. De partner moet het voordeel van de twijfel krijgen, aangezien hij al lang betrokken is bij het gezin.
De vader verklaart ter gelegenheid van de mondelinge behandeling dat de hulpverlening pas zeer recent is ingezet. Het gaat op het gebied van school en de sociale omgeving goed met de minderjarigen. De minderjarigen hebben wel moeite met hun gebroken relatie met de moeder. Ze vragen steeds waarom de bezoeken aan de moeder niet doorgaan of waarom de moeder is afgeleid tijdens de beeldbelmomenten. Er zou om de twee weken op een neutrale locatie begeleide omgang zijn tussen de moeder en de minderjarigen. Dit is echter de afgelopen maanden niet doorgegaan, omdat de moeder aangaf een zware zwangerschap te hebben. Het laatste bezoek heeft plaatsgevonden in augustus. Sindsdien vinden er drie keer per week beeldbelmomenten plaats met de moeder, hetgeen eveneens moeizaam verloopt. [minderjarige 1] wil daarom bijvoorbeeld niet meer met de moeder bellen en [minderjarige 2] moet schreeuwen om de aandacht van de moeder, omdat de moeder is afgeleid. De minderjarigen hebben hier veel last van. [minderjarige 1] zegt ook geen band te hebben met haar halfzusje, omdat alleen [minderjarige 2] haar mag vasthouden. De minderjarigen staan open voor gesprekken met de kinderbegeleiding van SDW. De vader hoopt dat de begeleide bezoeken tussen de moeder en de minderjarigen snel weer plaats kunnen vinden. Er is weinig contact tussen de ouders, aangezien dit vooral over de bezoeken ging. De vader verklaart tot slot dat de partner van de moeder recent nog is veroordeeld voor huiselijk geweld.
5. De beoordeling
Wettelijk kader
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd; en
de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.
Op grond van het bepaalde in artikel 1:260 BW kan de kinderrechter, mits aan de grond als bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
Inhoudelijke beoordeling
Op basis van de stukken en de mondelinge behandeling is de kinderrechter van oordeel dat is voldaan aan de wettelijke criteria genoemd in de artikelen 1:255 lid 1 en 1:260 BW. Dit licht de kinderrechter als volgt toe.
De kinderrechter stelt allereerst vast dat het positief is dat het op cognitief en sociaal gebied goed gaat met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Tevens wil de kinderrechter de vader complimenteren voor zijn inzet voor de minderjarigen en de goede samenwerking met de GI. De minderjarigen hebben, zo blijkt ook uit het Goed Genoeg Ouderschapsonderzoek vanuit SDW, een stabiel en veilig thuis bij de vader. De kinderrechter stelt echter ook vast dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] nog steeds ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben veel meegemaakt, zoals huiselijk geweld tussen de ouders, het worden belast met volwassenzaken en de aanhoudende spanningen tussen de ouders. Daarnaast zijn er ernstige zorgen over de thuissituatie van de moeder, met name gelegen in de aanwezigheid van de partner van de moeder. Deze zorgen zijn van dusdanige aard dat de GI overleg met de Raad voor de Kinderbescherming in [geboorteplaats 1] heeft gehad en met spoed hulpverlening is ingezet. Voorts is het de kinderrechter gebleken dat de omgang tussen de moeder en de minderjarigen moeizaam verloopt. De begeleide bezoekmomenten hebben al enkele maanden geen doorgang meer gevonden, omdat de moeder deze bezoeken heeft afgezegd. Ook de beeldbelmomenten verlopen moeizaam, gelet op de zorgelijke interactie tussen de moeder en de minderjarigen en het feit dat de moeder afgeleid lijkt te zijn. Het lukt de moeder niet om voldoende aan te sluiten bij de belevingswereld van de minderjarigen. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben hier zichtbaar last van, nu [minderjarige 1] steeds vaker de belmomenten afzegt en [minderjarige 2] steeds de aandacht van de moeder probeert te krijgen. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben ook aangegeven graag een band met de moeder te willen opbouwen. Tot slot zijn er zorgen over de communicatie en samenwerking tussen de ouders. Er zijn regelmatig onderlinge spanningen en er is nog altijd geen ouderschapsplan opgesteld, hetgeen zorgt voor onrust voor de minderjarigen.
De betrokkenheid van de GI is nog steeds noodzakelijk. De hulpverlening vanuit SDW en Coachpoint zijn pas recent betrokken en de samenwerking tussen de ouders is broos, hetgeen voortdurende ondersteuning en monitoring van de GI vraagt. Het is van belang dat er middels de ingezette hulpverlening zicht wordt verkregen op de thuissituaties van de ouders, de omgangsmomenten tussen de moeder en de minderjarigen en de communicatie en samenwerking tussen de ouders. Er dient ook aandacht te zijn voor het opstellen van een ouderschapsplan. De GI houdt toezicht op de ingezette hulpverleningstrajecten en kan, indien nodig, andere hulpverlening inzetten, zoals hulpverlening voor [minderjarige 2] in verband met trauma- en emotieregulatie. Tot slot is het van belang dat de begeleide omgangsmomenten weer doorgang gaan vinden.
De ondertoezichtstelling is, gelet op het voorgaande, nog steeds nodig. De kinderrechter verlengt daarom de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voor de verzochte duur van een jaar. Er moet immers nog veel gebeuren en de situatie is kwetsbaar.
De kinderrechter merkt tot slot op dat zij niet betrokken is bij de uitvoering van de ondertoezichtstelling. De kinderrechter is daarnaast ook niet op de hoogte van de precieze inhoud van de observaties vanuit de betrokken hulpverlening ten aanzien van de partner van de moeder. Dit maakt dat de kinderrechter geen standpunt zal innemen ten aanzien van de aan- of afwezigheid van de partner tijdens het kraambezoek van de minderjarigen. De kinderrechter merkt hierbij op dat het verleden van de partner en de huidige observaties mee zullen wegen bij de conclusie van de GI dat de aanwezigheid van de partner onveilig is voor de minderjarigen en zijn aanwezigheid daarom niet gewenst is bij het kraambezoek.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
Dit leidt tot de volgende beslissing.
6. De beslissing
De kinderrechter:
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met ingang van 17 december 2025 en tot 17 december 2026;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 11 december 2025 door mr. Zuijdweg, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Boomaars, griffier, en op schrift gesteld op 23 december 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.