ECLI:NL:RBZWB:2025:9643

ECLI:NL:RBZWB:2025:9643, Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 11-12-2025, C/02/442360 / JE RK 25-2099

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 11-12-2025
Datum publicatie 16-01-2026
Zaaknummer C/02/442360 / JE RK 25-2099
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Rekestprocedure
Zittingsplaats Middelburg

Samenvatting

Beschikking verlenging ondertoezichtstelling. IPR. Onderling wantrouwen ouders. Omgang met vader komt niet van de grond omdat moeder niet meewerkt. Moeder werkt ook onvoldoende samen met hulpverlening. Toewijzing verzoek voor zes maanden, aanhouding restant.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht

Locatie Middelburg

Zaaknummer: C/02/442360 / JE RK 25-2099

Datum uitspraak: 11 december 2025

Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling

in de zaak van

de gecertificeerde instelling STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND,

hierna te noemen: de GI,

gevestigd te Middelburg,

over

[minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2020 in [geboorteplaats] ,

hierna te noemen: [minderjarige] .

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de moeder] ,

hierna te noemen: de moeder,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. W. Tiggelaar te Middelburg,

[de vader] ,

hierna te noemen: de vader,

wonende in [woonplaats] .

1. Het verloop van de procedure

De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

- het verzoekschrift met bijlagen van 25 november 2025, ontvangen op 25 november 2025.

De mondelinge behandeling met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 11 december 2025. Daarbij waren aanwezig:

de moeder, bijgestaan door haar advocaat en een tolk in de Poolse taal;

de vader;

- een tweetal vertegenwoordigsters van de GI.

Daarnaast is aan mevrouw [naam 1] en mevrouw [naam 2] , beiden begeleidsters van de moeder, bijzondere toestemming verleend om de mondelinge behandeling als toehoorders bij te wonen.

2. De feiten

De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .

[minderjarige] woont bij de moeder.

De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 22 juni 2023 [minderjarige] onder toezicht gesteld tot 22 juni 2024. De ondertoezichtstelling is daarna steeds verlengd, laatstelijk tot 22 december 2025.

Bij beschikking van 19 juli 2023 is een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verleend met ingang van 19 juli 2023 en tot 2 augustus 2023. Het resterende deel van het verzoek is aangehouden.

Bij beschikking van 28 juli 2023 is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verleend met ingang van 2 augustus 2023 en tot 19 oktober 2023. Deze machtiging is daarna steeds verlengd, voor het laatst tot 22 juni 2024.

3. Het verzoek

De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

Tijdens de mondelinge behandeling heeft de GI het verzoek gewijzigd, in die zin dat de GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van zes maanden, onder aanhouding van de resterende zes maanden.

4. De standpunten

De GI handhaaft het verzoek en licht, aanvullend op de overgelegde stukken, toe dat een tussentijds toetsmoment voor druk op het proces zorgt. Op deze wijze kan de rechtbank ook blijven meekijken welke stappen worden gezet. Het doel is om de komende periode toe te werken naar borging, hetgeen hopelijk op korte termijn kan . Daarnaast licht de GI toe dat de omgangsmomenten tussen [minderjarige] en de vader niet goed verlopen. Voorheen was de vader onbereikbaar, hetgeen ervoor zorgde dat de omgang niet van de grond kwam. De vader is sinds september structureel goed in contact met de GI. Op dit moment sluiten de ouders van de vader vaker aan bij begeleide bezoeken. Zij hebben een ondersteunende rol voor de vader en hebben ook een positief effect op [minderjarige] . De moeder geeft momenteel echter geen toestemming voor het betrekken van het netwerk van de vader bij de omgang, aangezien zij geen vertrouwen in hen heeft. Ook is de samenwerking tussen de moeder en de hulpverlening ([hulpverlening]) in het gedrang gekomen in verband met een vertrouwenskwestie vanuit de moeder. De moeder wil graag een wisseling van hulpverleningsinstantie. Dit maakt dat de bezoeken opnieuw niet van de grond komen. De moeder heeft hiervoor een schriftelijke aanwijzing ontvangen. Gisteren is het bezoekmoment doorgegaan. [minderjarige] heeft wekelijks omgang met de vader op woensdagmiddag. Het is van belang dat de omgang tussen [minderjarige] en de vader structureel blijft plaatsvinden, maar daarvoor heeft de GI de medewerking van beide ouders nodig. De GI gaat met betrekking tot de begeleide omgang niet mee in het verzoek van de moeder om de hulpverleningsinstantie ([hulpverlening]) te wisselen, aangezien de hulpverlening goed aansluit bij [minderjarige] . Het belang van [minderjarige] krijgt voorrang. Wat betreft de IPT, hetgeen ook vanuit [hulpverlening] werd geboden aan de moeder, zal de GI op zoek gaan naar een hulpverlener die goed Engels spreekt, zodat beter kan worden aangesloten bij de moeder. Ook zal er worden gekeken naar de mogelijkheid van een tolk. Voor de kindgesprekken zal een externe hulpverleningsinstantie worden gezocht. De vader wordt ondersteund door zijn ouders en heeft zelf hulp gezocht via de huisarts. De GI zal de komende periode in overleg met de vader bezien welke hulpverlening verder noodzakelijk is. Tot slot licht de GI toe dat de vader op eigen verzoek drugstesten wil laten afnemen als dat het wantrouwen van de moeder weg kan nemen.

Door en namens de moeder wordt ter gelegenheid van de mondelinge behandeling verklaard dat [minderjarige] het naar haar zin heeft op haar nieuwe school. Daarnaast licht de moeder toe dat ze door [hulpverlening] over veel dingen niet wordt geïnformeerd. Daarom is er geen vertrouwen meer. De moeder wil dat [minderjarige] weet wie haar vader is. Zij staat ervoor open dat [minderjarige] en de vader op een veilige manier contact hebben met elkaar. Een half jaar geleden is besloten dat de vader drugstesten moet doen voor een omgangsmoment. Later bleek dat de vader hier niet voor open staat. De moeder vertrouwde [hulpverlening] dat zij zich aan deze afspraak zouden houden, maar dit is niet gebeurd. Tevens zijn veel bezoeken niet doorgegaan, omdat de vader zich heeft afgemeld of niet is verschenen. De advocaat stelt namens de moeder dat er geen verweer zal worden gevoerd tegen het verzoek. De moeder heeft wel het idee dat zij geen andere keuze heeft. De vorige zitting werd veel gesproken over de zorgen over de (onbetrouwbaarheid van de) vader, de noodzakelijkheid van drugstesten en de borging. Er waren toen geen zorgen over de moeder. Dit is nu ineens anders. De moeder krijgt het gevoel dat zij negatief wordt neergezet door de GI. Er lijkt sprake te zijn van een miscommunicatie. Het voeren van inhoudelijk zware gesprekken met de moeder is lastig zonder de aanwezigheid van een Poolse tolk of Engelssprekende hulpverleners. Ook worden afspraken, zoals het afnemen van een drugstest, niet nagekomen en heeft de moeder zorgen over de houding van de ouders van de vader tijdens de omgangsmomenten. Dit zorgt voor een vertrouwensbreuk, hetgeen van invloed is op de samenwerking. De moeder heeft daarom de omgang stopgezet in oktober. Het is van belang dat morgen het gesprek tussen [hulpverlening], de GI, de moeder en MJD doorgang kan vinden. Op deze manier kan er worden gezocht naar werkbare oplossingen, hetgeen de samenwerking met de moeder zal bevorderen.

De vader verklaart dat hij steeds werd teleurgesteld als de bezoekmomenten niet door konden gaan. Hij is de GI dankbaar dat het bezoekmoment gisteren door kon gaan. De ouders van de vader ondersteunen hem. De vader wil graag alles zelf oplossen, maar heeft inmiddels geaccepteerd dat hij hulp en ondersteuning nodig heeft. De vader licht voorts toe dat hij zich kan vinden in het verzoek. Hij kan de ondersteuning van de GI goed gebruiken en staat ook open voor de inzet van hulpverlening. Ook wil de vader graag een opbouw van de omgangsmomenten met [minderjarige] . Hij vindt de huidige omgang te kort en heeft veel last van het gebrek aan contact. De vader heeft tot slot lang uit eigen beweging drugstesten gedaan, maar hij heeft al lang laten zien dat het niet meer nodig is.

5. De beoordeling

Internationale bevoegdheid en toepasselijk recht

De moeder met gezag heeft de Poolse nationaliteit, waardoor deze zaak een internationaal karakter heeft. Om die reden dient de rechtbank eerst de rechtsmacht en het toepasselijk recht te beoordelen. Nu de moeder en de minderjarige langdurig in Nederland verblijven, is de Nederlandse rechter op grond van artikel 7, eerste lid, van de Verordening Brussel II-ter bevoegd kennis te nemen van het verzoek.

Aangezien de Nederlandse rechter bevoegd is om op het verzoek te beslissen, zal op grond van artikel 15 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 het Nederlands recht op het verzoek worden toegepast.

Wettelijk kader

Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:

de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd; en

de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.

Op grond van het bepaalde in artikel 1:260 BW kan de kinderrechter, mits aan de grond als bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.

Inhoudelijke beoordeling

Op basis van de stukken en de mondelinge behandeling is de kinderrechter van oordeel dat is voldaan aan de wettelijke criteria genoemd in de artikelen 1:255 lid 1 en 1:260 BW. Dit licht de kinderrechter als volgt toe.

De kinderrechter stelt allereerst vast dat [minderjarige] nog steeds ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd. [minderjarige] heeft veel ingrijpende gebeurtenissen meegemaakt, zoals huiselijk geweld en verwaarlozing. Daarnaast is er sprake van onderling wantrouwen tussen de ouders. Het lukt de ouders niet om samen te communiceren en afspraken te maken in het belang van [minderjarige] . Voorts wordt [minderjarige] in haar sociaal-emotionele en identiteitsontwikkeling bedreigd, aangezien de omgang tussen [minderjarige] en de vader niet goed verloopt. Voorheen kwam de omgang niet van de grond omdat de vader onbereikbaar was en zich niet aan de afspraken hield, maar de afgelopen periode heeft de moeder niet meegewerkt aan de omgang. Voorafgaand aan de zitting heeft er wel weer een keer omgang plaatsgevonden tussen [minderjarige] en de vader. Dit maakt dat voor [minderjarige] een voorspelbare en veilige omgangsregeling met de vader ontbreekt. Ook bestaat het risico op verlies van contact met andere familieleden aan vaderszijde, aangezien de moeder geen emotionele toestemming geeft voor de betrokkenheid van opa en oma vaderszijde. Tot slot is er bij de moeder sprake van psychische belasting door trauma’s. Er zijn zorgen dat [minderjarige] wordt belast met volwassenzaken. De moeder werkt momenteel ook onvoldoende samen met de hulpverlening ([hulpverlening]) door een gebrek aan vertrouwen. Hierdoor ontbreekt een volledig zicht op de blijvende veiligheid en ontwikkeling van [minderjarige] .

De betrokkenheid van de GI is de komende periode nog noodzakelijk, zodat het contact tussen [minderjarige] en (de familie van) de vader kan worden hersteld en een goede, structurele omgangsregeling tot stand kan worden gebracht. Hierbij is het van belang dat de GI de mogelijkheden van het betrekken van de familie van de vader onderzoekt en dat wordt nagedacht over hoe het wantrouwen van de moeder kan worden weggenomen. Daarnaast dient er de komende periode aandacht te zijn voor het versterken van de samenwerking tussen de moeder en de betrokken hulpverlening. Hiervoor is het voeren van gesprekken, al dan niet door middel van de inzet van een tolk, met de moeder en de betrokken hulpverlening van belang. Zo is voor de moeder het afnemen van drugstesten bij de vader voorafgaand aan de omgang van belang en dient, in overleg met alle betrokkenen, te worden bezien hoe deze impasse kan worden doorbroken, waarbij het belang van [minderjarige] centraal staat. Het is noodzakelijk dat de GI de komende periode de hulpverleningstrajecten blijft monitoren, zo nodig nieuwe hulpverleningstrajecten inzet, de ouders begeleid in de communicatie en een borgingsplan opstelt, zodat zorgvuldig naar het vrijwillige kader kan worden toegewerkt.

De ondertoezichtstelling is, gelet op het voorgaande, nog steeds nodig. De kinderrechter verlengt daarom de ondertoezichtstelling van [minderjarige] voor de verzochte duur van zes maanden, onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek. Op deze wijze kan een vinger aan de pols worden gehouden met betrekking tot welke stappen worden gezet.

De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

Dit leidt tot de volgende beslissing.

6. De beslissing

De kinderrechter:

verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van 22 december 2025 en tot 22 juni 2026;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

houdt de behandeling van het resterende deel van het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling van [minderjarige] aan tot 15 mei 2026 PRO FORMA en verzoekt de GI om uiterlijk een week voor de nader te bepalen mondelinge behandeling een briefrapportage in te dienen bij de rechtbank over de recentelijke ontwikkelingen, waarin de GI tevens aangeeft of de GI het resterende deel van het verzoek handhaaft of intrekt, met afschrift daarvan aan de belanghebbenden;

behoudt zich iedere verdere beslissing voor.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 11 december 2025 door mr. Zuijdweg, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Boomaars, griffier, en op schrift gesteld op 23 december 2025.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. Boomaars

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?