RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team strafrecht
Zittingsplaats Breda
zaaknummer.: 11471225 \ MB VERZ 24-1808
CJIB-nummer: [CJIB-nummer]
uitspraakdatum: 7 oktober 2025
proces-verbaal van de zitting en uitspraak op een beroep op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv)
in de zaak van
naam : [betrokkene]
adres : [adres]
woonplaats : [woonplaats]
hierna: betrokkene
gemachtigde : mr. B. de Jong (Adviesbureau Skandara B.V.)
Verloop van de procedure
Aan betrokkene is een administratieve sanctie (hierna: boete) opgelegd. Betrokkene heeft daartegen beroep ingesteld bij de officier van justitie. De officier van justitie heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing is door betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.
De zaak is behandeld op de zitting van 7 oktober 2025. Namens de officier van justitie is verschenen D. Hoveijn (hierna: zittingsvertegenwoordiger). Gemachtigde is ook verschenen. De kantonrechter heeft op de zitting uitspraak gedaan.
Standpunten
De gedraging waarvoor de boete is opgelegd luidt, kort omschreven: 31 km per uur harder rijden dan mag op een autosnelweg buiten de bebouwde kom (verkeersbord A3) op de Rijksweg (A58) te Breda op 8 juli 2023 om 21:05 uur.
Gemachtigde heeft in het beroepschrift samengevat aangevoerd dat er ten onrechte geen staandehouding heeft plaatsgevonden. Het ligt op de weg van de verbalisant om feiten en omstandigheden te stellen op grond waarvan de conclusie kan worden getrokken dat er geen reële mogelijkheid bestond tot het staandehouden van de bestuurder. De verklaring dat de verbalisant bezig was met een andere bestuurder is onvoldoende om te concluderen dat er geen reële mogelijkheid tot staandehouding bestond. Niet blijkt waarom de verbalisant de andere werkzaamheden niet heeft kunnen onderbreken om tot een staandehouding over te kunnen gaan. Voorts is niet duidelijk waarom er prioriteit diende te worden gegeven aan de andere werkzaamheden. Ter plaatse was immers ook een collega van de verbalisant aanwezig. Ten slotte is niet duidelijk waarom de verbalisant een snelheidscontrole verrichte wetende dat een staandehouding niet mogelijk zou zijn. Gemachtigde verwijst naar uitspraken van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De inleidende beschikking komt voor vernietiging in aanmerking, wegens strijd met artikel 5 Wahv. Voorts verzoekt gemachtigde een proceskostenvergoeding. Ter zitting heeft gemachtigde hieraan toegevoegd dat de officier van justitie geen mogelijkheid heeft geboden om te worden gehoord of het beroep schriftelijk aan te vullen als alternatief voor het horen. Daarnaast is er sprake van overschrijding van de redelijke termijn. De gemachtigde stelt dat deze verzuimen ertoe leiden dat het sanctiebedrag tweemaal met 25 procent moet worden gematigd.
De zittingsvertegenwoordiger heeft verzocht het beroep gedeeltelijk gegrond te verklaren en heeft daartoe het volgende aangevoerd. In dit geval is voldaan aan de voorwaarde dat de keuze voor verbaliseren op kenteken moet worden gemotiveerd. In het zaakoverzicht heeft de verbalisant uitgelegd hoe de controle heeft plaatsgevonden en waarom staandehouding niet mogelijk was. Er mocht dan ook op kenteken bekeurd worden. Wel is de redelijke termijn overschreden en is de hoorplicht geschonden, waardoor de zittingsvertegenwoordiger verzoekt om de boete tweemaal met 25% te matigen.
Overwegingen
Inhoudelijk De kantonrechter is van oordeel dat uit de stukken in het dossier - met name uit de verklaring van de verbalisant - voldoende blijkt dat de gedraging waarvoor de boete is opgelegd, is verricht. In zaken op grond van de Wahv biedt de verklaring van de verbalisant in beginsel voldoende grondslag voor de vaststelling dat de gedraging is verricht. Dat is anders indien de betrokkene voor zijn zaak specifieke feiten en omstandigheden aanvoert, die aanleiding geven om te twijfelen aan de juistheid van die verklaring of indien dergelijke feiten en omstandigheden uit het dossier blijken. De kantonrechter ziet in wat betrokkene heeft aangevoerd geen aanleiding om te twijfelen aan de verklaring van de verbalisant.
Staandehouding Uit artikel 5 van de Wahv volgt het uitgangspunt dat wanneer een gedraging wordt geconstateerd, de verbalisant de bestuurder staande houdt en zijn identiteit vaststelt, zodat hem een boete kan worden opgelegd. Slechts wanneer er geen reële mogelijkheid is geweest om de identiteit van de bestuurder vast te stellen, mag de boete aan de kentekenhouder worden opgelegd.
Volgens het zaaksoverzicht heeft de verbalisant afgezien van staandehouding omdat de verbalisant samen met een andere verbalisant op de vluchtstrook van de A58 bezig was met een bestuurder onder invloed van alcohol. Naar het oordeel van de kantonrechter was er dan ook geen reële mogelijkheid tot staandehouding. De boete is dus terecht opgelegd aan de kentekenhouder.
Schending hoorplicht
Betrokkene heeft via een gemachtigde beroep aangetekend bij de officier van justitie. De officier van justitie heeft de gemachtigde en betrokkene niet in de gelegenheid gesteld om te worden gehoord. Dit is in strijd met de wet, omdat niet is voldaan aan de wettelijke voorwaarden om van horen af te zien. Volgens vaste rechtspraak dient dit te leiden tot vernietiging van de beslissing van de officier van justitie op het administratief beroep. Het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie op het administratief beroep is om die reden gegrond.
De kantonrechter ziet hierin ook reden om de boete te matigen met 25%, omdat sprake is van een structurele schending van de hoorplicht in zaken waarin een betrokkene zich laat bijstaan door een professioneel gemachtigde, die ook na 1 oktober 2023 is blijven voortduren in een groot aantal (oude) zaken (zie het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, ECLI:NL:GHARL:2025:2852).
Het beroep tegen de inleidende beschikking is gelet hierop gedeeltelijk gegrond en die beschikking zal worden gewijzigd.
Overschrijding redelijke termijn
Iedereen heeft recht op behandeling van zijn rechtszaak binnen een redelijke termijn (artikel 6, lid 1 van het EVRM). Volgens vaste rechtspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (ECLI:GHARL:2017:1777) is sprake van schending van die redelijke termijn van berechting wanneer de procedure bij de officier van justitie en de kantonrechter tezamen langer dan twee jaar heeft geduurd. Deze termijn vangt aan bij het opleggen van de boete.
In dit geval is de boete opgelegd op 18 juli 2023 en is de redelijke termijn dus met ruim twee maanden overschreden.
Omdat sprake is van een overschrijding zal de kantonrechter de boete van € 262,50 matigen met 25% naar € 196,88 (zie ECLI:NL:GHARL:2023:6369).
Het bedrag dat betrokkene te veel aan zekerheid heeft betaald moet door de officier van justitie worden terugbetaald.
Proceskostenvergoeding
Vanwege de matiging van de boete komen de proceskosten van het beroep bij de kantonrechter voor vergoeding in aanmerking. De proceskosten die zijn gemaakt in de fase van het administratief beroep bij de officier van justitie komen niet voor vergoeding in aanmerking (zie ECLI:NL:GHARL:2025:226, overweging 6).
De proceskostenvergoeding is als volgt is berekend:
beroepschrift kantonrechter: 1 punt x gewicht 0,5 x € 907,- = € 453,50
zitting kantonrechter: 1 punt x gewicht 0,5 x € 907,- = € 453,50
€ 907,00
vermenigvuldigingsfactor artikel 13a, lid 2, Wahv: x 0,25 = € 226,75
Beslissing
De kantonrechter:
€ 196,88, plus € 9,- administratiekosten;
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Breeman, kantonrechter, bijgestaan door de griffier L.I.M. Appels, en in het openbaar uitgesproken op 7 oktober 2025.
Als u het niet eens bent met deze beslissing , dan kunt u binnen 6 weken na de hieronder vermelde datum van verzending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, maar alleen als:
Het beroepschrift moet worden ingediend bij Rechtbank Zeeland-West-Brabant, Team strafrecht, postbus 90008, 4800 PA Breda. Het beroepschrift moet zijn ondertekend door degene die beroep heeft ingesteld of door de gemachtigde.
U dient daarbij het zaaknummer te vermelden.
De procedure bij het gerechtshof verloopt geheel schriftelijk, tenzij u in het beroepschrift uitdrukkelijk vraagt om een zitting waarop u uw standpunt mondeling wilt toelichten.
Datum verzending: