RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team strafrecht
Zittingsplaats Breda
zaaknummer : 11422276 \ MB VERZ 24-1612
CJIB-nummer : [CJIB-nummer]
uitspraakdatum : 7 oktober 2025
proces-verbaal van de zitting en uitspraak op een beroep op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv)
in de zaak van
naam : [betrokkene]
adres : [adres]
woonplaats : [woonplaats]
hierna: betrokkene
gemachtigde : mr. N.G.A. Voorbach (Verkeersboete.nl)
Verloop van de procedure
Aan betrokkene is een administratieve sanctie (hierna: boete) opgelegd. Betrokkene heeft daartegen beroep ingesteld bij de officier van justitie. De officier van justitie heeft het beroep ongegrond verklaard en het verzoek om toekenning van een dwangsom wegens te laat beslissen afgewezen. Vervolgens is door betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.
De zaak is behandeld op de zitting van 7 oktober 2025. Namens de officier van justitie is verschenen D. Hoveijn (hierna: zittingsvertegenwoordiger). Als gemachtigde namens Verkeersboete.nl is mr. P.C. van den Aarsen verschenen. De kantonrechter heeft op de zitting uitspraak gedaan.
Standpunten
De gedraging waarvoor de boete is opgelegd luidt, kort omschreven: 21 km per uur harder rijden dan mag op een autosnelweg buiten de bebouwde kom (verkeersbord A1) op de Rijksweg (A16) te Breda op 12 mei 2023 om 14:36 uur.
Gemachtigde heeft in het beroepschrift verzocht om toekenning van de wettelijke dwangsom omdat de officier van justitie niet tijdig heeft beslist. De officier is op 8 januari 2023 in gebreke gesteld. Deze ingebrekestelling is niet prematuur, zoals de officier betoogt. De beslistermijn zou zijn verlengd met het aantal dagen waarin er een verzuim zou zijn geweest. Er was echter geen verzuim in het beroepschrift. De beslistermijn is bovendien niet opgeschort, omdat de uitnodiging voor een hoorzitting niet als herstel-verzuimbrief kan worden aangemerkt. Uit de brief van de officier blijkt geenszins dat de termijn heeft gezorgd voor vertraging in de behandeling van de zaak. Gemachtigde verwijst naar uitspraken van het Hof Arnhem-Leeuwarden en verzoekt de juiste dwangsom vast te stellen en eventueel af te ronden in het voordeel van betrokkene. Voorts verzoekt gemachtigde een proceskostenvergoeding. In de op 24 september 2025 ingediende aanvullende gronden is verzocht om matiging van de boete wegens overschrijding van de redelijke termijn.
Ter zitting heeft de gemachtigde hieraan toegevoegd dat de verlenging van de beslistermijn niet is vermeld in die brief. De officier van justitie moest sowieso wachten met een besluit tot na de hoorzitting. Er kan moeilijk beargumenteerd worden dat dit een voortvarende behandeling in de weg staat.
De zittingsvertegenwoordiger heeft verzocht het beroep ongegrond te verklaren en heeft daartoe het volgende aangevoerd. Onder verwijzing naar ECLI:NL:GHARL:2020:8783 (rechtsoverweging 11) stelt de zittingsvertegenwoordiger dat de wet niet voorziet in de mogelijkheid om later dan in het beroepschrift nog gronden in te dienen. In de jurisprudentie is aanvaard dat in bepaalde omstandigheden de gronden later nog kunnen worden aangevuld, mits dit niet strijdt met een behoorlijke procesorde. Een redelijke wetsuitleg brengt mee dat de opschorting als bedoeld in het derde lid van artikel 7:24 van de Awb ook van toepassing is in de niet door de wetgever voorziene gevallen waarin het beroepsorgaan op verzoek van de betrokkene of de gemachtigde een termijn verleent voor het aanvullen van de gronden. In dit geval is in de uitnodiging voor de hoorzitting d.d. 20 december 2023 gelegenheid gegeven om de gronden (zoals verzocht) aan te vullen, of schriftelijk binnen 4 weken, of op de hoorzitting. De officier van justitie stelt dat de termijn tot de hoorzitting (tot een maximum van 4 weken) geldt als opschorting van de beslistermijn. Dit betekent dat de beslistermijn nog niet was verstreken ten tijde van de ingebrekestelling.
Overwegingen
Dwangsom
Op grond van artikel 7:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) moet de officier van justitie beslissen binnen 16 weken vanaf het einde van de beroepstermijn. De beroepstermijn eindigde in dit geval op 4 juli 2023. De officier van justitie heeft per brief van 16 oktober 2023 de beslistermijn met tien weken verlengd. Dit betekent dat de officier van justitie uiterlijk op 2 januari 2024 een beslissing moest nemen.
De kantonrechter is van oordeel dat met de passage in de uitnodiging voor de hoorzitting over het aanvullen van de gronden de beslistermijn niet is verlengd. Er is geen sprake van herstel van een verzuim. Uit het dossier blijkt immers niet dat er überhaupt een verzuim was. Uit de bewuste passage blijkt ook niet dat daarmee beoogd wordt de beslistermijn te verlengen, want daar is niets over vermeld. De uiterste beslisdatum blijft dus 2 januari 2024.
Hieruit volgt dat niet tijdig is beslist, want de beslissing is pas op 25 januari 2024 gedateerd en op 1 februari 2024 verzonden.
De eerste dag waarover een dwangsom verschuldigd is, de dag waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de beslistermijn is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen.
De laatste dag waarover een dwangsom verschuldigd is, is de dag van verzending.
De officier van justitie heeft op 10 januari 2024 een ingebrekestelling ontvangen. Dit betekent dat de officier van justitie tot en met 24 januari 2024 de tijd had om te beslissen en dat de eerste dag waarop een dwangsom is verschuldigd 25 januari 2024 is. De beslissing is gedateerd op 25 januari 2024.
De kantonrechter hanteert, onder verwijzing naar ECLI:NL:GHARL:2025:4952, als verzenddatum de zevende dag na de dagtekening van de brief. Dat is in dit geval dus 1 februari 2024.
Dit betekent dat de officier van justitie aan betrokkene voor 8 dagen (25 januari tot en met 1 februari) een dwangsom heeft verbeurd. De berekening van die dwangsom is als volgt: 8 dagen x € 23,- = € 184,-.
Redelijke termijn
De kantonrechter constateert dat het beroepschrift uitsluitend gericht was tegen de weigering een dwangsom toe te kennen. Er is niets aangevoerd tegen het andere (inhoudelijke) onderdeel van de beslissing over de boete. Daarmee is dat onderdeel in rechte komen vast te staan, zodat er geen sprake is van overschrijding van de redelijke termijn inzake de boete.
Van een overschrijding van de redelijke termijn inzake de dwangsom is evenmin sprake. Die redelijke termijn is immers pas aangevangen in januari 2024. Het beroep op de redelijke termijn wordt dan ook afgewezen.
Het beroep wordt voor zover het ziet op de dwangsom gegrond verklaard. Voor het overige is het beroep ongegrond.
Het verzoek om proceskostenvergoeding wordt afgewezen, omdat volgens vaste jurisprudentie (ECLI:NL:GHARL:2021:4778) daarvoor geen aanleiding bestaat bij een beroepschrift dat enkel is gericht op het toekennen van een dwangsom.
Beslissing
De kantonrechter:
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Breeman, kantonrechter, bijgestaan door de griffier L.I.M. Appels, en in het openbaar uitgesproken op 7 oktober 2025.
Als u het niet eens bent met deze beslissing, dan kunt u binnen 6 weken na de hieronder vermelde datum van verzending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, maar alleen als:
Het beroepschrift moet worden ingediend bij Rechtbank Zeeland-West-Brabant, Team strafrecht, Postbus 90008, 4800 PA Breda. Het beroepschrift moet zijn ondertekend door degene die beroep heeft ingesteld of door de gemachtigde.
U dient daarbij het zaaknummer te vermelden.
De procedure bij het gerechtshof verloopt geheel schriftelijk, tenzij u in het beroepschrift uitdrukkelijk vraagt om een zitting waarop u uw standpunt mondeling wilt toelichten.
Datum verzending: