RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
vonnis
Cluster II Handelszaken
Locatie Middelburg
Vonnis van 1 oktober 2025
zaaknummer / rolnummer: C/02/428287 HA ZA 24-613
in de zaak van:
1.[eiser 1],
2.[eiser 2],
beiden wonende in [plaats] ,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: [eisers] (enkelvoud en mannelijk),
advocaat: mr. Y.J.H. van Griensven,
tegen
1.de erven van [gedaagde 1],
voorheen wonende in [plaats] ,
2.[gedaagde 2],
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagden] (enkelvoud en vrouwelijk),
advocaat: mr. J. Ossewaarde.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het tussenvonnis van 19 februari 2025 van de rechtbank;
akte aanzegging schorsing en hervatting ex artikel 227 Rv juncto artikel 225 Rv van 13 augustus 2025 van [gedaagden] ;
akte overlegging producties van 19 augustus 2025 van [gedaagden] ;
de zittingsaantekeningen van 19 augustus 2025 van de griffier met hieraan gehecht de spreekaantekeningen van de advocaten van partijen.
Op 19 augustus 2025 heeft de rechtbank -de rechter vergezeld van de griffier- tijdens de comparitie van partijen de percelen aan [straat 1] in [plaats] van partijen bezichtigd.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. Inleiding
Dit geschil betreft de naastgelegen percelen van partijen. Hierop zijn opstallen gebouwd. Beide partijen wonen op hun perceel. Op het perceel van [eisers] (‘het dienende erf’) is een erfdienstbaarheid van overpad gevestigd ten behoeve van het perceel van [gedaagden] (‘het heersende erf’). [eisers] wil een verlegging, althans wijziging, van dit recht van overpad. [gedaagden] meent dat de verlegging, althans de wijziging, -zoals door [eisers] gewenst- de toegang en het gebruik van haar eigen perceel zal bemoeilijken. Na verlegging, althans wijziging, van het recht van overpad zal [eisers] in staat worden gesteld om zijn erf af te sluiten en een erfafscheiding te plaatsen. Van belang is verder dat de toegangsweg naar de percelen en de woningen van partijen in eigendom toebehoort aan [eisers] . [gedaagden] wil van deze toegangsweg gebruik blijven maken om een eenvoudigere toegang tot haar perceel en haar woning te hebben. [gedaagden] beroept zich in dit verband op verkrijgende verjaring en gewoonte van een erfdienstbaarheid waarmee deze toegangsweg ten behoeve van het perceel van [gedaagden] zou zijn belast. [eisers] wil een erfafscheiding op zijn perceel oprichten. [gedaagden] verzet zich hiertegen omdat een erfscheiding tot gevolg zal hebben dat zij de toegangsweg niet meer zal kunnen gebruiken, althans door een erfafscheiding zal de toegang tot haar eigen perceel en haar woning worden bemoeilijkt. Een eerdere poging om een erfafscheiding aan te brengen, heeft [gedaagden] verijdeld: [gedaagden] brak de door [eisers] aangebrachte erfafscheiding af. [eisers] wil met zijn vordering ook voorkomen dat [gedaagden] na aanbrengen van de erfafscheiding zich hieraan nog een keer schuldig zal maken. De veroordelingen dienen volgens [eisers] derhalve te worden versterkt met te verbeuren dwangsommen.
3. De feiten
[eisers] woont aan [adres 1] in [plaats] . Hij oefent op dit adres ook zijn beroep als architect uit. Verder verhuurt hij op dit adres een vakantiewoning. Voor zover van belang zijn de percelen van [eisers] kadastraal als volgt genummerd: [nummer 1] , [nummer 2] , [nummer 3] en [nummer 4] .
[gedaagden] woont aan het [adres 2] en [adres 3] in [plaats] . De percelen van [gedaagden] zijn als volgt genummerd: [nummer 5] en [nummer 6] . In [nummer 7] heeft [gedaagden] ‘een extra punt’ grond van NV Delta Nutsbedrijven verworven, althans gekocht. Kadastraal is deze punt grond als [nummer 6] omschreven. Deze extra punt grond grenst (ook) aan de toegangsweg van [eisers] .
Bij akte van 1 maart 1995 is ten gunste van perceel nr. [nummer 6] (exclusief extra punt) dat thans aan [gedaagden] toebehoort en ten laste van percelen die thans aan [eisers] toebehoren een erfdienstbaarheid van overpad gevestigd:
‘(…)
wordt om niet en voor onbepaalde tijd gevestigd de erfdienstbaarheid van overpad uit te oefenen over de toegangsweg van – en naar [straat 1] , een en ander op de minst bezwarende wijze.’
Op de percelen als bedoeld onder sub 3.1. van [eisers] is een toegangsweg gelegen. Deze toegangsweg leidt naar de opstallen van de beide partijen. Deze toegangsweg van [eisers] wordt niet alleen door partijen maar ook door derden gebruikt. Partijen hebben een vrij uitzicht op elkaars percelen.
De percelen van partijen zijn vrij toegankelijk omdat de toegangsweg niet is afgesloten door een poort of hek. De percelen van partijen zijn niet door een muur gescheiden.
De feitelijke situatie is door middel van de in het geding gebrachte producties 13 en 14 van de dagvaarding inzichtelijk gemaakt.
4. De vordering
[eisers] vordert -verkort en zakelijk weergegeven- dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:
het eerste onderdeel van de vordering
-primair (i) [gedaagden] veroordeelt om mee te werken aan een verlegging van de erfdienstbaarheid van overpad zoals gevestigd bij akte van 1 maart 1995 en de eventueel door verjaring verkregen erfdienstbaarheid op de toegangsweg van [gedaagden] een en ander overeenkomstig de bij productie 13 in het geding gebrachte situatietekening, op de minst bezwarende wijze;
- [gedaagden] veroordeelt om de verlegde erfdienstbaarheid na te leven op straffe van een dwangsom voor elke overtreding;
-subsidiair (ii) de erfdienstbaarheid van overpad zoals gevestigd bij akte van 1 maart 1995 en de eventueel door middel van verjaring verkregen erfdienstbaarheid wijzigt zodanig dat [gedaagden] slechts een beperkt gedeelte van de toegangsweg zal mogen gebruiken conform de bij productie 13 in het geding gebrachte situatietekening op de minst bezwarende wijze en met veroordeling van [gedaagden] om aan de inschrijving in de openbare registers mee te werken;
- [gedaagden] veroordeelt om de gewijzigde erfdienstbaarheid na te leven op straffe van een dwangsom voor elke overtreding;
-meer subsidiair (iii) voor recht verklaart dat [gedaagden] de erfdienstbaarheid uitsluitend mag uitoefenen over het gedeelte van de toegangsweg conform productie 14 op de minst bezwarende wijze op straffe van een dwangsom;
- [gedaagden] veroordeelt om mee te werken aan het doen van afstand van de eventueel door verjaring verkregen erfdienstbaarheid, althans mee te werken aan de opheffing van deze erfdienstbaarheid op straffe van een dwangsom;
het tweede onderdeel van de vordering
- primair (i) [gedaagden] gebiedt om te gehengen en te gedogen dat [eisers] een erfafscheiding ter hoogte van maximaal een meter op zijn erf plaatst alsmede een toegangshek of poort een en ander overeenkomstig de bij productie 13 in het geding gebrachte situatietekening op straffe van een dwangsom telkens wanneer [gedaagden] dit gebod schendt; subsidiair (ii) [gedaagden] gebiedt om te gehengen en te gedogen dat [eisers] een erfafscheiding ter hoogte van maximaal een meter op zijn erf plaatst alsmede een toegangshek of poort een en ander overeenkomstig de bij productie 14 in het geding gebrachte situatietekening op straffe van een dwangsom telkens wanneer [gedaagden] dit gebod schendt;
het derde onderdeel van de vordering
- [gedaagden] in de proceskosten veroordeelt te vermeerderen met nakosten.
[eisers] wil -primair- zijn erf afscheiden bij het begin van de toegangsweg en -subsidiair- ter hoogte van het tuinpad van [gedaagden] . Hij wil zodoende voorkomen dat [gedaagden] gebruik blijft maken van zijn toegangsweg op een wijze die afwijkt van de bij akte van 1 maart 1995 gevestigde erfdienstbaarheid. [eisers] wil ook voorkomen dat op zijn toegangsweg auto’s worden geparkeerd en zijn percelen door derden worden gebruikt. Een erfafsluiting draagt bij aan (gevoelens van) veiligheid en privacy van [eisers] en zijn klanten en gasten. [eisers] is architect en oefent zijn beroep op zijn woonadres uit. Het uitzicht op het perceel van [gedaagden] is suboptimaal: het is er een rommeltje. Ook de gasten van de recreatiewoning van [eisers] ondervinden overlast van de huidige situatie. Een verlegging of wijziging van de erfdienstbaarheid en een afsluiting van het perceel van [eisers] draagt bij een verduidelijking van de erfgrenzen van partijen niet alleen voor partijen zelf maar ook voor derden. Daar komt bij dat na aankoop van de extra punt van het perceel met kadastraal nummer [nummer 6] [gedaagden] zelf de mogelijkheid heeft om op haar eigen terrein auto’s te parkeren en via haar eigen perceel de woning te bereiken, zodat het ook niet langer nodig is om gebruik te blijven maken van de gehele toegangsweg.
[gedaagden] verweert zich tegen de vordering en legt aan dit verweer het volgende ten grondslag. [gedaagden] voert aan dat naast het gevestigde recht van erfdienstbaarheid [gedaagden] op grond van verjaring het recht van overpad betrekkelijk tot de gehele toegangsweg van [eisers] heeft verkregen. Dit betekent dat [gedaagden] op grond van het recht van overpad de gehele toegangsweg van [eisers] mag gebruiken. Een andere visie zou voor [gedaagden] tot grote problemen leiden zeker na de verwerving van de punt extra grond op 17 november [nummer 7] . De erfafscheiding die [eisers] voorstaat leidt tot schending van het recht van overpad van [gedaagden] . Een alternatieve parkeerplaats is ruim 800 m2 verderop gelegen en de verlegging, althans de wijziging, van de erfdienstbaarheid betekent een ernstige beperking van de bruikbaarheid en de toegankelijkheid van het perceel van [gedaagden] ook door de beperkte mogelijkheid om auto’s te parkeren. Verlegging van de erfdienstbaarheid is niet mogelijk: verlegging zal verminderd genot voor [gedaagden] opleveren. Ook de gevorderde wijziging moet worden afgewezen. Immers, wijziging is alleen toewijsbaar ingeval van onvoorziene omstandigheden die van dien aard zijn dat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding niet van [eisers] kan worden gevergd. Die situatie doet zich niet voor. Toewijzing van de vordering tot de plaatsing van een fysieke erfafscheiding op de erfgrens is strijdig met het (door verjaring verkregen) recht van overpad van [gedaagden] . Dit onderdeel kan dus niet worden toegewezen omdat dit recht van overpad niet mag worden aangetast: de plaatsing van een fysieke erfafscheiding zal hiertoe wel leiden.
De stellingen van partijen zullen voor zover van belang hierna worden behandeld.
5. De beoordeling
De rechtbank stelt voorop dat het geschil tussen partijen in de kern erop neer komt of [gedaagden] recht heeft om de gehele toegangsweg te gebruiken of slechts een klein gedeelte namelijk het begin van de toegangsweg dat op de [straat 2] aansluit.
erfafscheiding en erfafsluiting
De erfafscheiding is geregeld in de bepaling van artikel 5:49 BW. Deze bepaling dient in verbinding met de bepaling van artikel 5:43 BW te worden gelezen. In deze laatste bepaling is te lezen dat onder ‘muur’ dient te worden verstaan een afsluiting van steen, hout of een andere daartoe geschikte stof vervaardigde en ondoorzichtige afsluiting. Uit de bepaling van artikel 5:49 BW volgt dat een eigenaar van een aangrenzend perceel te allen tijde kan vorderen dat de andere eigenaar ertoe meewerkt dat op de grens van de erven een scheidsmuur van twee meter hoogte wordt opgericht.
In de bepaling van artikel 5:48 BW is aan een eigenaar de bevoegdheid toegekend om zijn erf af te sluiten. De rechtbank zal dan ook hierna [gedaagden] gebieden om te gehengen en te gedogen dat [eisers] een toegangshek of toegangspoort op zijn toegangsweg plaatst. Het bezwaar van [gedaagden] hiertegen dat een toegangspoort of toegangshek de toegang tot zijn perceel bemoeilijkt, is niet redengevend. [eisers] is namelijk gehouden om [gedaagden] te allen tijde toegang te verschaffen tot haar eigen perceel. [eisers] heeft ook ter zitting deze onvoorwaardelijke verplichting onderkend en zich bereid verklaard hieraan medewerking te verlenen. Dit onderdeel van de vordering zal hierna worden toegewezen.
Uit het voorgaande blijkt dat [eisers] op grond van artikel 5:49 BW de bevoegdheid toekomt om een muur ter hoogte van een meter op de erfgrens (en zeker op zijn eigen perceel) te plaatsten. Van belang hierbij is dat deze erfafscheiding er niet toe mag leiden dat [gedaagden] zijn perceel niet meer kan bereiken.
Partijen strijden niet over de ligging van de erfgrens. De eigendom van [eisers] van de toegangsweg staat evenmin ter discussie. Ter zitting op locatie heeft de rechtbank zich ervan laten overtuigen dat het plaatsten van de door [eisers] voorgestane erfscheiding niet leidt tot de afsluiting van het perceel van [gedaagden] . Dat een muur op de erfgrens ongemak voor [gedaagden] meebrengt, staat naar het oordeel van de rechtbank wel vast, maar dit ongemak weegt niet op tegen het recht van [eisers] om zijn perceel van het perceel van [gedaagden] af te scheiden. Nu de toegang tot het perceel van [gedaagden] is verzekerd, zal ook dit onderdeel van vordering worden toegewezen.
verlegging van erfdienstbaarheid conform productie 13, wijziging van erfdienstbaarheid conform productie 13 dan wel uitoefening van erfdienstbaarheid conform productie 14
De rechtbank oordeelt als volgt. Het primaire onderdeel is niet toewijsbaar omdat toewijzing vermindering van het genot voor [gedaagden] van haar perceel mee zal brengen: artikel 5:73 lid 2 BW biedt geen grondslag voor een beperkt gebruiksrecht van de toegangsweg van [gedaagden] .
Ook kan de rechter op vordering van de eigenaar van het dienende erf een erfdienstbaarheid wijzigen of opheffen op grond van onvoorziene omstandigheden welke van dien aard zijn dat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van de erfdienstbaarheid niet van de eigenaar van het dienende erf kan worden gevergd. Ook wanneer aan de zijde van de eigenaar van het heersende erf geen redelijk belang meer bestaat bij de uitoefening -en dit belang ook niet meer zal terugkeren- kan de rechter op vordering van de eigenaar van het dienende erf de erfdienstbaarheid opheffen.
Bij de vestiging van de erfdienstbaarheid in 1995 was niet voorzienbaar dat in [nummer 7] de extra punt grond zou worden verworven. De extra punt grond brengt mee dat niet langer nodig is dat de oorspronkelijke bij de akte van 1995 gevestigde erfdienstbaarheid ongewijzigd blijft gehandhaafd. Handhaving van deze erfdienstbaarheid, en al helemaal wanneer van de door verjaring verkregen erfdienstbaarheid wordt uitgegaan, brengt mee dat een aanzienlijk grotere inbreuk op de eigendom van [eisers] wordt gemaakt dan redelijkerwijs van [eisers] mag worden verlangd. De oorspronkelijke erfdienstbaarheid geldt immers slechts het recht van overpad om het eigen perceel te kunnen bereiken. Meer of anders valt niet uit de gevestigde of de door eventueel door verjaring verkregen erfdienstbaarheid af te leiden. Hieronder valt dus zeker niet het gemak van parkeren op het terrein van [eisers] of het gemak om op het eigen perceel van [gedaagden] te kunnen parkeren met gebruikmaking van het perceel van [eisers] . Tijdens de mondelinge behandeling op locatie is de rechtbank gebleken dat de toegang tot het eigen perceel van [gedaagden] bij het begin van de toegangsweg mogelijk is. De extra punt grond biedt de mogelijkheid voor [gedaagden] om haar eigen perceel te bereiken zonder de gehele toegangsweg van [eisers] te hoeven te gebruiken. Ook kan [gedaagden] op haar eigen perceel meerdere auto’s parkeren. De punt is groot genoeg en biedt hiervoor voldoende ruimte. Dat het voor [gedaagden] lastiger is om de woning te bereiken zonder gebruik te maken van de gehele toegangsweg erkent de rechtbank maar het gaat slechts om hooguit 50 meter dat [gedaagden] op haar eigen perceel zal moeten lopen om de woning te bereiken. Redelijkheid en billijkheid dienen mee te brengen [gedaagden] niet langer de gehele toegangsweg van [eisers] zal gebruiken maar slechts het begin van deze toegangsweg een en ander conform productie 13 van de dagvaarding. Deze erfdienstbaarheid biedt voorts de gelegenheid aan [eisers] om de toegangsweg aan het begin van de toegangsweg af te sluiten en om de erfafscheiding te plaatsen in overeenstemming met productie 13.
Op grond van het voorgaande zal de rechtbank de subsidiaire vordering onder 1 toewijzen en de gevestigde en/of de eventueel door verjaring verkregen erfdienstbaarheid op grond van onvoorziene omstandigheden wijzigen zodanig dat het recht van overpad van [gedaagden] bij de in [nummer 7] verworven extra punt grond dient te worden uitgeoefend met uitsluiting van het overige gedeelte van de aan [eisers] toehorende toegangsweg. Een en ander is in productie 13 van de dagvaarding uitgetekend en met de groene lijn op deze luchtfoto weergegeven.
Hieruit volgt voorts dat de afsluiting bij het begin van de toegangsweg door [eisers] kan worden geplaatst. De voorwaarde is wel dat [gedaagden] te allen tijde toegang blijft houden tot haar perceel (de in [nummer 7] verworven punt extra grond) zodat ook toegang naar de woning van [gedaagden] blijft gegarandeerd. Voor wat betreft de erfafscheiding geldt ook de voorwaarde dat deze te plaatsen erfafscheiding niet mag bewerkstelligen dat [gedaagden] haar perceel niet kan bereiken.
Tegen de gevorderde dwangsommen is geen verweer gevoerd. De rechtbank zal de dwangsommen als hierna te melden matigen en maximeren.
Conclusie
De vordering zal hierna zoals hierna omschreven worden toegewezen.
[gedaagden] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld die aan de zijde van [eisers] worden begroot op:
-griffierecht € 320,00
-kosten exploit € 137,47
-salaris advocaat € 1.228,00 (2 punten x tarief II, € 614,00 per punt)
-nakosten € PM
totaal € 1.685,47 + PM
De rechtbank zal het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaren.
Alle overige stellingen van partijen behoeven geen behandeling meer. Aan een beslissing over bewijslevering komt de rechtbank niet toe.
6. De beslissing
De rechtbank:
veroordeelt [gedaagden] om mee te werken aan een wijziging van de erfdienstbaarheid zoals gevestigd bij akte van 1 maart 1995 alsmede van een eventueel zijdens [gedaagden] door verjaring verkregen erfdienstbaarheid van overpad in die zin dat deze erfdienstbaarheid ten behoeve van de percelen kadastraal bekend [kadastrale gegevens] nummers [nummer 5] en [nummer 6] en ten laste van de percelen kadastraal bekend [kadastrale gegevens] nummers [nummer 2] , [nummer 3] , [nummer 4] en [nummer 1] , om te komen en gaan naar de [straat 2] , uitsluitend mag worden uitgeoefend over het gedeelte van de toegangsweg [straat 1] met berm zoals dit op de situatietekening van productie 13 groen is gearceerd, om niet en op de minst bezwarende wijze en veroordeelt [gedaagden] voorts om mee te werken aan de inschrijving van deze wijziging in de openbare registers;
veroordeelt [gedaagden] om een dwangsom van € 100,00 aan [eisers] te betalen telkens wanneer [gedaagden] de gewijzigde erfdienstbaarheid van overpad in overeenstemming met sub 6.1. van dit vonnis niet naleeft tot een maximum van € 20.000,00;
gebiedt [gedaagden] om te gehengen en te gedogen dat [eisers] een muur plaatst op zijn eigen grond en tegen de erfgrens van de percelen kadastraal bekend [kadastrale gegevens] nummers [nummer 5] en [nummer 6] alsmede een toegangshek of poort op de toegangsweg [straat 1] in overeenstemming met productie 13 van de dagvaarding;
veroordeelt [gedaagden] om een dwangsom van € 100,00 aan [eisers] te betalen telkens wanneer [gedaagden] het gebod van sub 6.3. van dit vonnis niet naleeft tot een maximum van € 20.000,00;
veroordeelt [gedaagden] in de kosten van het geding die aan de zijde van [eisers] worden begroot op
€ 1.685,47 te vermeerderen met nakosten van € 178,00, zonder betekening, en € 270,00 na betekening van dit vonnis;
verklaart het vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. drs. Luijks en in het openbaar uitgesproken op 1 oktober 2025.