RECHTBANK Zeeland-West-Brabant
Team Familie- en Jeugdrecht
Breda
Zaaknummer: C/02/440857 / KG ZA 25-534
Vonnis in kort geding van 8 december 2025
in de zaak van
[de man] ,
wonende te [woonplaats] ,
eiser in conventie,
verweerder in reconventie,
advocaat: mr. D.W.M. de Haan te Oosterhout,
tegen
[de vrouw] ,
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde in conventie,
eiseres in reconventie,
advocaten: mr. M.E. Ernens en mr. J.H. Evekink te Rotterdam.
Partijen zullen hierna de man en de vrouw genoemd worden.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties;
- de conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie, met producties.
De zaak is besproken op de mondelinge behandeling van 24 november 2025. Bij die gelegenheid zijn partijen, bijgestaan door hun advocaten, verschenen.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
Tussen partijen staat het volgende vast:
- zij hebben een affectieve relatie met elkaar gehad, welke inmiddels is beëindigd;
- er is op 31 december 2018 een hond (hierna: [de hond] ) gekocht;
- [de hond] verblijft op dit moment bij de vrouw.
3. De vorderingen
In conventie
De man vordert, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, om binnen twee dagen na de betekening van het ten deze te wijzen vonnis:
I. primair: de vrouw te veroordelen tot afgifte van [de hond] aan de man binnen 24 uur na betekening van het vonnis;
subsidiair: de vrouw te veroordelen tot nakoming van de via WhatsApp gemaakte afspraken dat zij de hond afgeeft aan de man;
beiden op verbeurte van een dwangsom van € 500,= per dag of gedeelte daarvan dat de vrouw niet voldoet aan de veroordeling tot afgifte van [de hond] , met een maximum van € 50.000,=;
II. de man te machtigen om voormelde afgifte zo nodig ten uitvoer te (doen) leggen met behulp van de sterke arm van politie en/of justitie;
III. de vrouw te veroordelen in de kosten van dit geding.
De vrouw voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van de man in zijn vorderingen dan wel afwijzing van zijn vorderingen, met veroordeling van de man in de werkelijk door de vrouw gemaakte kosten van deze procedure ad € 5.750,=, althans de man te veroordelen in de kosten van deze procedure conform het liquidatietarief, beiden inclusief de nakosten.
In reconventie
De vrouw vordert voorwaardelijk, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
I. te bepalen dat indien de primaire vordering van de man wordt toegewezen: de (duur)overeenkomst nageleefd dient te worden, met dien verstande dat:
primair: [de hond] eenmaal in de veertien dagen van vrijdagochtend tot maandagavond bij de man is. [de hond] op vrijdagochtend tussen 8.00 en 9.00 uur bij de man wordt gebracht en op maandagavond tussen 18.00 en 19.00 uur bij de man wordt opgehaald door de vrouw;
subsidiair: [de hond] eenmaal in de veertien dagen van vrijdagochtend tot maandagavond bij de man is. [de hond] op vrijdagochtend tussen 8.00 en 9.00 uur bij de man wordt gebracht en maandagavond tussen 18.00 en 19.00 uur bij de man wordt opgehaald door de vrouw, onder de voorwaarde dat de vrouw binnen twee maanden na afgifte van het vonnis een bodemprocedure aanhangig maakt;
zowel primair als subsidiair op verbeurte van een dwangsom van € 250,= voor iedere dag of gedeelte daarvan dat de man niet voldoet aan de (duur)overeenkomst, met een maximum van € 10.000,=;
II. indien de subsidiaire vordering van de man wordt toegewezen, een voorlopige beheersregeling vast te stellen, aldus dat:
primair: [de hond] eenmaal in de veertien dagen van vrijdagochtend tot maandagavond bij de man is. [de hond] op vrijdagochtend tussen 8.00 en 9.00 uur bij de man wordt gebracht en maandagavond tussen 18.00 en 19.00 uur bij de man wordt opgehaald door de vrouw;
subsidiair: [de hond] eenmaal in de veertien dagen van vrijdagochtend tot maandagavond bij de man is. [de hond] op vrijdagochtend tussen 8.00 en 9.00 uur bij de man wordt gebracht en maandagavond tussen 18.00 en 19.00 uur bij de man wordt opgehaald door de vrouw, onder de voorwaarde dat de vrouw binnen twee maanden na afgifte van het vonnis een bodemprocedure aanhangig maakt;
zowel primair als subsidiair op verbeurte van een dwangsom van € 250,= voor iedere dag of gedeelte daarvan dat de man niet voldoet aan de beheersregeling, met een maximum van € 10.000,=;
III. de man te veroordelen in de werkelijk door de vrouw gemaakte kosten van deze procedure ad € 5.750,= althans de man te veroordelen in de kosten van deze procedure conform het liquidatietarief, beiden inclusief de nakosten.
De man voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van de vrouw.
4. De beoordeling in conventie en in reconventie
Vanwege de samenhang tussen de vorderingen in conventie en voorwaardelijke vorderingen in reconventie, zullen deze vorderingen gezamenlijk worden behandeld.
Spoedeisend belang
Tussen partijen is de spoedeisendheid van hun vorderingen niet in geschil. Ook naar het oordeel van de voorzieningenrechter staat op grond van de stukken en de toelichting door partijen tijdens de mondelinge behandeling het spoedeisend belang van partijen bij hun vorderingen vast, temeer nu deze een levend dier betreffen.
Primaire vordering man onder I en voorwaardelijke vordering vrouw onder I
Ter onderbouwing van zijn primaire vordering tot afgifte van [de hond] stelt de man dat hij de (enige) eigenaar is van [de hond] . De man heeft [de hond] op 31 december 2018 krachtens geldige titel gekocht bij [dierenopvang] en geleverd gekregen. De man heeft de koopsom zelfstandig voldaan. Op grond van artikel 3:2a lid 2 en artikel 3:84 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) is de man eigenaar geworden van [de hond] . Ook in het vaccinatieboekje, de chipregistratie en in het hondenpaspoort staat dat de man de eigenaar is van [de hond] . Hoewel de vrouw in juli 2024 heeft geprobeerd om de chipregistratie te wijzigen en heeft geprobeerd een nieuw hondenpaspoort aan te vragen, is zij geen eigenaar van [de hond] . Dat de vrouw kosten voor de dierenarts heeft betaald, regelmatig voor [de hond] zorgt en met hem naar de dierenarts ging, leidt er volgens jurisprudentie niet toe dat zij eigenaar is geworden. Op grond van artikel 5:1 lid 2 BW heeft de man het recht om met uitsluiting van een ieder van [de hond] gebruik te maken. Op grond van artikel 5:2 BW is de man bevoegd zijn eigendom op te eisen. Door [de hond] onder zich te houden, wordt door de vrouw inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van de man.
De vrouw betwist dat de man enig eigenaar is van [de hond] . Volgens de vrouw zijn partijen samen eigenaar van [de hond] . Partijen hebben tijdens de relatie in onderling overleg besloten een hond te adopteren, waarna zij [de hond] samen hebben uitgezocht. De man heeft op 31 december 2018 de adoptie feitelijk geregeld, omdat de vrouw vanwege haar werk niet kon meegaan. De koopsom is voldaan van contant geld dat afkomstig was van de verkoop van spullen van de vrouw op marktplaats. Dat partijen samen eigenaar zijn van [de hond] , blijkt ook uit het bericht dat de man aansluitend naar de vrouw stuurde, inhoudende: “ is nu officieel van ons”. Partijen hebben [de hond] de volgende dag samen opgehaald. Vanuit praktisch oogpunt is [de hond] bij de dierenarts aan de man gekoppeld. De vrouw heeft een nieuw hondenpaspoort aangevraagd. Dat komt doordat de man, bij een ophaalmoment, het hondenpaspoort had meegenomen. Bij latere afspraken van [de hond] bij de dierenarts bleek telkens dat de gegevens van [de hond] waren gewijzigd naar het adres van de man, waarna de dierenarts het terugdraaide. De vrouw is degene geweest die voornamelijk voor [de hond] heeft gezorgd. Zij betaalde ook de hondentraining, ging naar verschillende afspraken bij de dierenarts en betaalde ook die kosten. Uit het digitale portaal van de dierenarts en de chipregistratie blijkt bovendien dat de vrouw (ook) eigenaar is. Ook heeft zij een paspoort van [de hond] waarin zij als eigenaar vermeld staat.
De voorzieningenrechter zal in dit kort geding moeten beoordelen of de vorderingen in de bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben, dat vooruitlopend daarop toewijzing van de voorlopige voorziening gerechtvaardigd is. Als uitgangspunt geldt bovendien dat de aard van het kort geding meebrengt dat voor een uitgebreid juridisch debat of een diepgaand feitenonderzoek en nadere bewijslevering geen plaats is.
Uit de overgelegde stukken en dat wat tijdens de mondelinge behandeling is besproken kan worden vastgesteld dat [de hond] op 31 december 2018 is aangekocht. [de hond] heeft bij partijen gewoond. Op enig moment, ten minste drie jaar geleden, is de relatie tussen partijen verbroken, waarna partijen afwisselend voor [de hond] hebben gezorgd. Vaststaat dat [de hond] sinds 1 september 2025 bij de vrouw is. De man stelt nu dat hij enig eigenaar is van [de hond] . Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft de man dat, gelet op al hetgeen de vrouw daartegenover heeft gesteld, zoals voormeld, onvoldoende aannemelijk gemaakt. De voorzieningenrechter acht door de omstandigheden die de vrouw heeft aangevoerd, waaronder het gezamenlijke besluit om [de hond] te adopteren, de wijze waarop [de hond] is betaald en opgehaald, vervolgens jarenlang door beide partijen is verzorgd (ook nadat zij al jarenlang uit elkaar zijn) alsmede de registraties en bescheiden, zoals het portaal van de dierenarts, chipregistratie en een paspoort, waarbij zij als eigenaar vermeld is, voldoende aannemelijk dat de vrouw mede eigenaar is van [de hond] , althans aannemelijker dan dat de man enig eigenaar is. Gelet hierop wordt de primaire vordering van de man onder I. afgewezen.
Nu de primaire vordering van de man onder I. wordt afgewezen, wordt niet voldaan aan de door de vrouw gestelde voorwaarde aan haar vordering in reconventie onder I., zodat deze verder onbesproken kan blijven.
Subsidiaire vordering man onder I en vordering vrouw onder II
De subsidiaire vordering van de man strekt tot nakoming van de volgens hem via WhatsApp gemaakte afspraak dat de vrouw [de hond] zou afgeven aan hem. Hiertoe stelt de man het volgende. Partijen hadden tot 1 september 2025 (datum van levering van de voormalige echtelijke woning aan de koper(s)) afspraken gemaakt over [de hond] . Volgens de man verbleef [de hond] doordeweeks overdag bij de man tot 18.00/19.00 uur en om het weekend. In de zomervakantie zou de vrouw twee weken voor [de hond] zorgen. Partijen hebben afgesproken dat de vrouw [de hond] op 1 september 2025 terug naar de man zou brengen. Dat is tot op heden niet gebeurd, ondanks meerdere verzoeken daartoe, omdat de vrouw stelt niet gehouden te zijn tot afgifte van [de hond] .
De vrouw voert verweer, stellende dat het niet duidelijk is op welke grond de man zijn vordering baseert. Na het uiteengaan van partijen verbleef [de hond] afwisselend bij hen. Volgens de vrouw verbleef [de hond] in de praktijk veel meer bij haar dan door de man gesteld. Partijen maakten hier via Whatsapp afspraken over. [de hond] verblijft op dit moment bij de vrouw. Volgens de vrouw zijn er geen afspraken gemaakt over wanneer [de hond] teruggebracht zou worden naar de man. De vrouw heeft bovendien grote moeite met het verblijf van [de hond] bij de man, gelet op de (vecht)honden van de nieuwe vriendin van de man. Ook is bij deze vordering van de man niet duidelijk wanneer de vrouw [de hond] weer zou zien.
De voorzieningenrechter overweegt als volgt. De man heeft ter onderbouwing van zijn stelling dat is afgesproken dat de vrouw [de hond] terug zou brengen naar de man WhatsApp correspondentie tussen partijen overgelegd (productie 8). Volgens de man is aldus de afspraak gemaakt dat de vrouw [de hond] op 2 september 2025 zou terugbrengen. De man vraagt op 1 september 2025 waar hij [de hond] kan ophalen. De vrouw reageert vervolgens: “Dan kom ik m morgenochtend 08.30 afzetten”. Op 2 september 2025 vraagt de vrouw: “Breng ik m om 08.30 of niet?”. De man antwoord: “Graag”. Hieruit volgt naar het oordeel van de voorzieningenrechter dat partijen hebben afgesproken dat de vrouw [de hond] op 2 september 2025 zou afgeven aan de man. [de hond] is daarentegen tot op heden nog steeds bij de vrouw.
Gelet op het voorgaande zal de voorzieningenrechter de subsidiaire vordering onder I. van de man toewijzen, in die zin dat de vrouw wordt veroordeeld tot nakoming van de via WhatsApp gemaakte afspraak dat zij [de hond] afgeeft aan de man, en wel binnen vierentwintig uur na betekening van dit vonnis. De door de man gevorderde dwangsom wordt afgewezen. De vrouw heeft hiertegen gemotiveerd verweer gevoerd. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om te veronderstellen dat de vrouw [de hond] niet zal afgeven. Bovendien wordt, gelet op de verharding tussen partijen, geen oplossing gezien in het opleggen van een dwangsom. De vordering van de man onder II. tot machtiging tenuitvoerlegging met behulp van de sterke arm van politie en/of justitie wordt om diezelfde redenen afgewezen.
Gelet op de toewijzing van de subsidiaire vordering onder I. van de man, komt de voorzieningenrechter toe aan de beoordeling van de reconventionele vordering van de vrouw onder II.
Vordering vrouw onder II
Ter onderbouwing van haar vordering om een voorlopige beheersregeling vast te stellen, voert de vrouw aan dat het in het belang van [de hond] is dat uitvoering wordt gegeven aan een beheersregeling. De vrouw beroept zich daarbij op artikel 3:168 lid 1 BW. De vrouw wenst een andere regeling dan waar partijen feitelijk uitvoering aan gaven, omdat zij zorgen heeft over de aanwezigheid van de hond(en) van de nieuwe vriendin van de man als [de hond] bij hen verblijft. Nu de man blijft volharden in zijn standpunt dat hij de enige eigenaar is van [de hond] , vordert de vrouw een dwangsom te verbinden aan de beheersregeling.
De man voert verweer tegen de vordering van de vrouw om een beheersregeling vast te stellen. De door de vrouw voorgestelde beheersregeling acht de man veel te beperkt. Een beheersregeling die voor de man bespreekbaar is, is een regeling waarbij partijen elkaar niet/zo min mogelijk zien.
De voorzieningenrechter overweegt dat gebleken is dat partijen al sinds het uiteengaan, dus minimaal drie jaar (nu partijen van mening verschillen over wanneer zij uit elkaar zijn gegaan), uitvoering geven aan enige regeling op grond waarvan [de hond] afwisselend bij ieder van hen verblijft. Hierover maakten partijen via WhatsApp afspraken. Verder wordt overwogen dat de man alleen heeft aangegeven dat hij de vrouw niet dagelijks wil zien, gelet op de slechte verhoudingen. Dat is bij de door de vrouw gevorderde regeling niet het geval. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is de primaire vordering van de vrouw onder II verder niet, althans onvoldoende, weersproken. De man heeft enkel aangevoerd dat de gevorderde regeling te beperkt is, maar geen concrete, ruimere regeling geformuleerd. De voorzieningenrechter wijst daarom de primaire vordering onder II van de vrouw toe, met dien verstande dat de verzochte dwangsom wordt afgewezen.
De voorzieningenrechter ziet, in lijn met hetgeen hiervoor al is overwogen, geen aanleiding om te veronderstellen dat de man deze regeling niet zal nakomen en gelet op de verharding tussen partijen wordt geen oplossing gezien in het opleggen van een dwangsom. De voorzieningenrechter merkt hierbij, gelet op het tussen hen gevoerde (maar gestrande) overleg ter gelegenheid van de mondelinge behandeling, nog op dat het partijen, al dan niet ter voorkoming van een bodemprocedure, vrij staat om alsnog in onderling overleg een nadere (definitieve) regeling te treffen.
Vorderingen man en vrouw onder III (proceskosten)
Partijen hebben zowel in conventie als in reconventie over en weer vorderingen gedaan strekkende tot het veroordelen van de ander in de (daadwerkelijke) proceskosten.
In het algemeen is het gebruikelijk om bij juridische geschillen tussen ex-partners de proceskosten te compenseren. De voorzieningenrechter ziet in hetgeen partijen ter onderbouwing van hun vorderingen op dit punt hebben aangevoerd onvoldoende aanleiding om van dit uitgangspunt af te wijken. Zulks ook gelet op de beslissing, waarin beide partijen deels in het (on)gelijk worden gesteld. Dit betekent dat de vorderingen van partijen onder III worden afgewezen. De voorzieningenrechter zal de kosten van het geding compenseren aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.
5. De beslissing
De voorzieningenrechter
In conventie
veroordeelt de vrouw tot nakoming van de via WhatsApp gemaakte afspraak, in die zin dat zij [de hond] binnen vierentwintig uur na betekening van dit vonnis afgeeft aan de man;
compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst het meer of anders gevorderde af;
In reconventie
stelt een voorlopige beheersregeling vast, waarbij [de hond] eenmaal in de veertien dagen van vrijdagochtend tot maandagavond bij de man is, waarbij de vrouw [de hond] op vrijdagochtend tussen 8.00 en 9.00 uur bij de man brengt en [de hond] op maandagavond tussen 18.00 en 19.00 uur bij de man ophaalt;
compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Oomes en in het openbaar uitgesproken op 8 december 2025.