RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Wrakingskamer
Locatie Breda
zaaknummer C/02/ 441416 HA RK 25-253
beslissing van 3 november 2025 inzake het wrakingsverzoek ex artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) van:
[verzoeker 1] en [verzoeker 2],
verder te noemen: verzoekers,
1. Het procesverloop
Het verloop van de procedure blijkt onder meer uit:
- de processtukken zoals opgenomen in het procesdossier met nummer
11819349 CV EXPL 25-3810;
2. Het verzoek
Het verzoek strekt tot wraking van mr. Tilman-Knoester, hierna te noemen de rechter, belast met de behandeling van de zaak met nummer 11819349 CV EXPL 25-3810.
De rechter berust niet in het wrakingsverzoek.
3. De gronden van het wrakingsverzoek
Door verzoekers is, kort weergegeven, aangevoerd dat de schijn van partijdigheid of objectief gerechtvaardigde vrees van vooringenomenheid van de rechter bestaat uit het navolgende. Door verzoekers is op 31 oktober 2025 een verzoek gedaan de geplande zitting van 3 november 2025 om 13:30 uur digitaal te laten plaatsvinden wegens de ernstige en medische beperkingen van [verzoeker 2]. De kantonrechter heeft dit verzoek niet gehonoreerd, zonder rekening te houden met de medische noodzaak en kwetsbare gezondheid van [verzoeker 2]. Hiermee wordt de indruk gewekt dat de rechter geen acht heeft geslagen op de zorgvuldigheid en menselijke maat, wat de schijn van partijdigheid oproept.
4. De beoordeling
Op grond van artikel 36 Rv kan op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
De wrakingskamer stelt het volgende voorop. Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van een rechter geldt het uitgangspunt, dat een rechter op grond van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn. Een uitzonderlijke omstandigheid kan een zwaarwegende aanwijzing opleveren dat een rechter ten aanzien van een procespartij een vooringenomenheid koestert, of dat een bij een partij bestaande vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is.
De wrakingskamer moet daarom onderzoeken of de door verzoekers aangevoerde specifieke feiten en omstandigheden een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat de rechter jegens hen een vooringenomenheid koestert of dat de door verzoekers geuite vrees daarvoor – objectief – gerechtvaardigd is.
De wrakingskamer is van oordeel dat de beslissing van de rechter om het verzoek tot digitaal deelnemen aan de zitting af te wijzen, moet worden aangemerkt als een procesbeslissing. Volgens de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2018:1413) komt de wrakingskamer geen oordeel toe over de juistheid van zo’n procesbeslissing. Ook over de motivering van een procesbeslissing mag de wrakingskamer geen oordeel geven, zelfs niet als het gaat om een door verzoekers onjuist, onbegrijpelijk, gebrekkig of te summier geachte motivering of het ontbreken van een motivering. Reden hiervoor is dat tegen een uitspraak van de rechtbank doorgaans een rechtsmiddel (zoals hoger beroep) kan worden ingesteld waarbij dit aan de orde kan komen. Alleen als de procesbeslissing in het licht van de omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid, kan dat tot een ander oordeel leiden. Dat daarvan in deze zaak sprake zou zijn, is niet onderbouwd en hiervan is naar het oordeel van de wrakingskamer ook niet gebleken.
Gelet op het voorgaande kan niet worden geconcludeerd dat de rechter ten aanzien van verzoekers vooringenomen is of dat hun vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarom is de wrakingskamer van oordeel dat het wrakingsverzoek kennelijk ongegrond moet worden verklaard.
Omdat sprake is van een kennelijk ongegrond wrakingsverzoek laat de wrakingskamer een mondelinge behandeling van het verzoek achterwege.
Hoewel de rechter de wrakingskamer heeft verzocht om verzoekers een wrakingsverbod op te leggen, ziet de wrakingskamer daar thans nog onvoldoende grond voor.
5. De beslissing
De rechtbank:
Deze beslissing is gegeven op 3 november 2025 door mr. Peters, rechter en voorzitter, en mr. Kok en mr. Römers, rechters, en op dezelfde dag uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. Rockx, griffier. De beslissing wordt openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
de griffier de voorzitter
Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.