RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Wrakingskamer
Locatie Breda
zaaknummer C/02/440114 / HA RK 25-218
beslissing van 23 oktober 2025 inzake het wrakingsverzoek ex artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) van:
[verzoeker] ,
wonende te [plaats] ,
hierna te noemen: verzoeker,
gemachtigde: mr. I.M. van den Heuvel.
1. Het procesverloop
Het verloop van de procedure blijkt onder meer uit:
- de processtukken zoals opgenomen in het procesdossier met nummer
C/02/ 388527 / FA RK 21-3736;
2. Het verzoek
Het verzoek strekt tot wraking van mr. Sumner, hierna te noemen de rechter, belast met de behandeling van de zaak met nummer C/02/ 388527 / FA RK 21-3736.
De rechter berust niet in het wrakingsverzoek.
3. De gronden van het wrakingsverzoek
Door (de advocaat van) verzoeker is aangevoerd dat de schijn van partijdigheid of objectief gerechtvaardigde vrees van vooringenomenheid van de rechter bestaat uit het navolgende. In de beschikking van 17 september 2025 is in overweging 7.6. het volgende vermeld: “Het moet de rechtbank nog wel van het hart dat het belangrijk is dat de man een realistisch beeld ontwikkelt van wat in het belang van [naam] is. Het standpunt dat – vooral door zijn advocaat – naar voren is gebracht dat de wisseling van de hoofdverblijfplaats van [naam] geen invloed zou hebben gelet op haar leeftijd kan de rechtbank absoluut niet plaatsen. Dit standpunt is totaal onrealitisch gelet op de huidige situatie. Daarnaast door dit standpunt in te nemen (en de man hierin mee te nemen), heeft de advocaat er voor gezorgd dat de onderlinge verhouding tussen de ouders (weer) onnodig op scherp is gesteld. De rechtbank betreurt dit zeer. De rechtbank hoopt door nu een eindbeslissing te nemen op de hoofdverblijfplaats van [naam] dat de focus kan komen te liggen op de realitische verzoeken die er liggen op het gebied van de verdeling van de zorg- en opvoeding van [naam] .”
De advocaat van verzoeker voert aan dat uit de hiervoor geciteerde overweging volgt dat de rechter hem zonder gegronde feitelijke motivering persoonlijk heeft aangevallen in zijn optreden als advocaat van verzoeker. De aantijgingen in de overweging geven blijk van een vijandige vooringenomenheid jegens de advocaat en zaaien daardoor tweedracht tussen hem en verzoeker.
4. De reactie van de rechter
De rechter berust niet in het wrakingsverzoek. Hij heeft tijdens de mondelinge behandeling voorop gesteld dat verzoeker niet-ontvankelijk is in zijn verzoek omdat met de beschikking van 17 september 2025 een einduitspraak is gegeven over de hoofdverblijfplaats van [naam] . Overweging 7.6. ziet specifiek op het verzoek over de hoofdverblijfplaats en niet op de behandeling van het verzoek over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, waar nog geen eindbeslissing is gegeven. Door het geven van een eindbeslissing over de hoofdverblijfplaats is dat deel van het verzoek geëindigd. Daarom is een wrakingsverzoek op dat punt niet meer mogelijk.
5. De beoordeling van het wrakingsverzoek
Beoordelingskader
Op grond van artikel 36 Rv kan op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
De wrakingskamer stelt het volgende voorop. Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van een rechter geldt het uitgangspunt, dat een rechter op grond van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn. Een uitzonderlijke omstandigheid kan een zwaarwegende aanwijzing opleveren dat een rechter ten aanzien van een procespartij een vooringenomenheid koestert, of dat een bij een partij bestaande vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is.
De wrakingskamer moet daarom onderzoeken of de door verzoeker aangevoerde specifieke feiten en omstandigheden een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat de rechter jegens hem een vooringenomenheid koestert of dat de door gemachtigde geuite vrees daarvoor – objectief – gerechtvaardigd is.
Beoordeling van de grond
De wrakingskamer volgt de rechter niet in zijn standpunt dat het verzoek niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Weliswaar ziet overweging 7.6. op het verzoek over de hoofdverblijfplaats van [naam] en is er een eindbeschikking gegeven op dat verzoek, maar nog niet op de verzoeken over de zorg- en opvoedingstaken. Naar het oordeel van de wrakingkamer kan de inhoud van overweging 7.6. ook raken aan de positie van partijen in het vervolg van de procedure en zijn de verzoeken zodanig met elkaar verweven dat de eindbeslissing op het ene verzoek gevolgen kan hebben op het feitelijke en juridische proces in het andere verzoek. Dit betekent dat het niet-ontvankelijkheidsverweer door de rechter niet slaagt.
De wrakingskamer overweegt dat het tot de taak van een rechter behoort om zo nodig partijen en hun raadslieden erop te wijzen indien hun wijze van procederen of hun proceshouding afbreuk doet aan (de voortgang van) het proces. Dat geldt zeker in langlopende zaken en is des te meer van belang in een zaak als deze waarin het belang van het kind voorop staat. Indien partijen naar het oordeel van de rechter onvoldoende oog hebben voor het belang van het kind mag hij hen daarop wijzen. Dat kan op zitting, maar ook, zoals in dit geval, in een (tussen)beslissing. Overweging 7.6. moet in dat licht worden bezien.
De kern van het wrakingsverzoek richt zich met name op de zin: “Daarnaast door dit standpunt is te nemen (en de man hierin mee te nemen), heeft de advocaat er voor gezorgd dat de onderlinge verhouding tussen de ouders (weer) onnodig op scherp is gesteld.” Tijdens de zitting van de wrakingskamer heeft de advocaat van verzoeker benadrukt dat hij zich onheus bejegend voelt door deze opmerkingen en dat hij zich hierdoor in een lastige positie voelt staan ten opzichte van verzoeker. Een onheuse bejegening, nog daargelaten of daarvan sprake is, levert echter niet zonder meer een grond op voor wraking. Daarvoor zou uit bijkomende feiten en omstandigheden enige schijn van vooringenomenheid moeten blijken.
De wrakingskamer is van oordeel dat geen sprake is van vooringenomenheid of de schijn daarvan en licht dit als volgt toe. Uit de slotzin van overweging 7.6. volgt dat de nadruk wordt gelegd op de realistische verzoeken die door verzoeker zijn gedaan in het kader van de zorg- en opvoedingstaken. Uit het geheel van de overweging blijkt dat deze deels teruggrijpt naar de daaraan voorafgaande overwegingen in de beschikking, en deels vooruitkijkt naar een positieve voortzetting van de procedure. In overweging 7.6. is weliswaar één zin opgenomen die ongelukkig te noemen is, maar die in levert in het geheel bezien onvoldoende grond op om te kunnen spreken van vooringenomenheid of de schijn daarvan.
Gelet op het voorgaande kan naar het oordeel van de wrakingskamer dus niet worden geconcludeerd dat de rechter ten aanzien van verzoeker vooringenomen is of dat zijn vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarom is de wrakingskamer van oordeel dat het wrakingsverzoek ongegrond moet worden verklaard.
6. De beslissing
De rechtbank:
Deze beslissing is gegeven op 23 oktober 2025 door mr. Breeman, rechter en voorzitter, en mr. Tempel en mr. Ebben, rechters, en op dezelfde dag uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. Rockx, griffier. De beslissing wordt openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier, voorzitter,
Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.