RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats Breda
raadkamernummer : 25-004975
datum : 2 december 2025
beslissing van de enkelvoudige raadkamer op het beklag op grond van artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[klager] ,
geboren op [datum] 2008 te [plaats] ,
woonplaats kiezend op het kantoor van mr. W. van Nunen, advocaat te Breda (Stationslaan 1a2, 4815 GW Breda),
hierna te noemen: klager.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken:
Op 4 november 2025 heeft het onderzoek door de raadkamer plaatsgevonden. Hierbij zijn de officier van justitie mr. C.P.G. Tax en mr. W. van Nunen als gemachtigd advocaat van klager, gehoord.
Klager is behoorlijk opgeroepen, maar niet bij de behandeling van het klaagschrift verschenen.
De belanghebbenden zijn behoorlijk opgeroepen, maar niet bij de behandeling van het klaagschrift verschenen. Dit zijn: [belanghebbende 1] en [belanghebbende 2] .
Op 24 juni 2025 is de behandeling van onderhavig klaagschrift op verzoek van de raadsvrouw aangehouden. Zij had voorafgaand aan deze zitting naar aanleiding van het schriftelijke standpunt van het Openbaar Ministerie - dat het originele VIN-
nummer op de bromfiets niet meer te achterhalen is en deze daardoor niet meer in
aanmerking komt voor herinslag van het originele VIN-nummer - het beslaghuis verzocht om haar foto’s te toe te sturen van het betreffende VIN-nummer. Aangezien de raadsvrouw daarop nog geen reactie had ontvangen, is de zaak aangehouden en is de officier van justitie verzocht alle relevante stukken met betrekking tot de inbeslagneming van de scooter op 27 november 2024 aan het raadkamerdossier toe te voegen.
Tijdens de behandeling van het klaagschrift op 26 augustus 2025 is nog meer onduidelijkheid ontstaan ten aanzien van de verschillende VIN-nummers die in het dossier terugkomen. Naar aanleiding van deze onduidelijkheden is de zaak opnieuw aangehouden en zijn de officier van justitie en klager in de gelegenheid gesteld nader onderzoek te doen en aanvullende informatie aan te leveren.
In navolging van hetgeen besproken is op de zitting van 26 augustus 2025 zijn op 3 november 2025 een tweetal aanvullende processen-verbaal van bevindingen en een proces-verbaal van verhoor van klager als verdachte binnengekomen, welke stukken onder andere zien op de tenaamstelling van de op 14 februari 2025 in beslag genomen scooter. Daarnaast is de vervolgbeslissing inbeslagneming van 4 juli 2025 binnengekomen, waarvan de inhoud overeenkomt met het zich reeds in het dossier bevindende proces-verbaal van [verbalisant] van 17 februari 2025.
Voorafgaand aan de raadkamerzitting van 4 november 2025 heeft het Openbaar Ministerie naar aanleiding van de aanvullende informatie een aanvullend schriftelijk standpunt op het klaagschrift ingenomen.
De raadsvrouw heeft in reactie op het standpunt van het Openbaar Ministerie in raadkamer aangevoerd dat klager vanaf 28 augustus 2024 als rechthebbende geregistreerd stond bij de RDW. Op 15 april 2025 is de tenaamstelling vervallen. Hiertegen is bezwaar ingesteld, welk bezwaar nog loopt. Er wordt gesteld dat er iets mis is met het VIN-nummer. Voor de politie is dit reden om aan te nemen dat er met het nummer is geknoeid. Dit is echter niet onderbouwd met een duidelijke foto dan wel met grondig technisch onderzoek. Op de door klager eerder overgelegde foto van het VIN-nummer zijn geen bijzonderheden waar te nemen, zoals bijvoorbeeld slijpresten. Zonder nadere toelichting waarom het niet klopt en hoe het er dan wel uit moet zien kan niet worden vastgesteld dat er iets mis is met de scooter. De raadsvrouw acht het dan ook hoogst onwaarschijnlijk dat bij een inhoudelijke behandeling van de zaak (verdenking van heling) een verbeurdverklaring dan wel onttrekking aan het verkeer van de scooter zal volgen. Daarnaast is ook niet gebleken dat er nog meer mis is met de scooter. Ook zit er geen aangifte van diefstal van de scooter in het dossier. Wel is het opmerkelijk dat het motorblok van de scooter tot 2018 geregistreerd stond in België. Klager was toen echter nog zeer jong en nadien zijn er veel verschillende eigenaren geweest. In het geval de scooter na 2018 zou zijn gestolen, dan blijkt nergens uit dat klager dit wist of had moeten vermoeden op het moment dat hij de scooter kocht. Hij heeft tijdens zijn verhoor verklaard wanneer en voor welke prijs hij de scooter heeft gekocht. Ook al zou klager hebben gezwegen, dan zou dat ook niet hebben geleid tot een bewezenverklaring van heling.
De raadsvrouw heeft ten aanzien van de mogelijke onttrekking aan het verkeer van de scooter nog aangevoerd dat iemand best een niet op naam gestelde scooter ongecontroleerd in zijn bezit mag hebben. Hij mag deze ontmantelen of gebruiken als kunstwerk; hij mag er alleen niet mee rijden. De advocaat acht het om die reden dan ook hoogst onwaarschijnlijk dat de scooter zal worden onttrokken aan het verkeer.
Zij heeft subsidiair verzocht om teruggave van de scooter met uitzondering van het motorblok, mocht worden aangenomen dat het motorblok van diefstal afkomstig is.
De officier van justitie heeft gepersisteerd bij de schriftelijke aanvullende conclusie van het Openbaar Ministerie en zich op het standpunt gesteld dat bij de huidige stand van zaken het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de onttrekking aan het verkeer van de op 14 februari 2025 in beslag genomen scooter zal uitspreken en dat het klaagschrift daarom ongegrond dient te worden verklaard. Uit het proces-verbaal met volgnummer 17 en de kennisgeving van inbeslagneming kan worden afgeleid dat de scooter mogelijk van diefstal afkomstig is en in ieder geval niet voor herinslag in aanmerking komt. De betreffende scooter kan dus niet terugkeren in de maatschappij.
In het geval enkel het motorblok van diefstal afkomstig blijkt te zijn, dan resteert een scooter zonder motorblok waar het VIN-nummer is uitgeslagen en niet voor herinslag vatbaar is. De scooter kan dan nog steeds niet terug in de maatschappij.
2. De beoordeling
De raadkamer van de rechtbank is bevoegd tot afdoening van het klaagschrift.
Het klaagschrift is tijdig ingediend en klager is ontvankelijk in zijn beklag.
Bij de beoordeling stelt de rechtbank voorop dat het onderzoek in raadkamer een summier karakter heeft. Dat betekent dat van de rechter niet kan worden gevraagd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak of ontnemingsprocedure te treden.
De rechtbank overweegt over het klaagschrift tegen het strafvorderlijk beslag dat is gelegd op grond van artikel 94 Sv als volgt.
Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad, moet de rechter, bij een op grond van artikel 94 Sv gelegd beslag:
a. beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo nee,
b. de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp gelasten aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende van dat voorwerp moet worden beschouwd.
In dit laatste geval moet het klaagschrift van de beslagene ongegrond worden verklaard.
Het beslag op de voorwerpen blijft gehandhaafd als er een strafvorderlijk belang is op grond van artikel 94 Sv. Dat is het geval wanneer:
- de desbetreffende voorwerpen kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen of om wederrechtelijk verkregen voordeel aan te tonen en/of
- het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring van het voorwerp zal bevelen en/of
- het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de onttrekking aan het verkeer van het voorwerp zal bevelen.
In deze zaak is de nodige onduidelijkheid ontstaan in verband met een eerdere inbeslagname in november 2024. Daarnaast is een en ander nog onduidelijker geworden als gevolg van de verschillende VIN-nummers die in het dossier terugkomen. Naar aanleiding van deze onduidelijkheden heeft de officier van justitie aan de politie de opdracht gegeven om nader onderzoek te doen en aanvullende informatie aan te leveren. Het Openbaar Ministerie heeft verzocht om de inbeslagname van 27 november 2024 niet bij de beoordeling van het onderhavige klaagschrift te betrekken, waartegen de raadsvrouw zich in raadkamer niet heeft verzet. De rechtbank ziet, mede gelet op de stukken die zijn overgelegd, evenmin reden om zich uit te laten over een eerdere inbeslagname en zal zich bij de beoordeling van het klaagschrift dan ook beperken tot de inbeslagname van de scooter op 14 februari 2025.
Door de rechtbank is aan de officier van justitie de opdracht gegeven om nader te onderzoeken of klager als eigenaar van de op 14 februari 2025 in beslag genomen scooter kan gelden en klager is in de gelegenheid gesteld om zijn gestelde eigenaarschap met bewijsstukken nader te onderbouwen. Hoewel klager geen bewijsstukken heeft aangeleverd, stelt de rechtbank op basis van het aanvullend proces-verbaal opgemaakt door verbalisant De Wit van 27 oktober 2025 vast dat klager als rechthebbende van de scooter kan worden aangemerkt.
De rechtbank begrijpt uit het raadkamerdossier en de nadere toelichting van de officier van justitie in raadkamer dat al eerder een identificatie-onderzoek heeft plaatsgehad wat heeft geresulteerd in het proces-verbaal dat op 17 februari 2025 door [verbalisant] onder volgnummer 17 is opgemaakt. Uit dit proces-verbaal volgt dat het op de scooter aangebrachte VIN-nummer niet door de fabrikant is aangebracht en dat de scooter vermoedelijk van diefstal afkomstig is. Tevens volgt uit dit proces-verbaal dat de scooter niet voor herinslag in aanmerking komt, omdat de originele identiteit van de scooter niet meer kan worden achterhaald. Gelet op deze omstandigheden - uitgaande van de stand van zaken ten tijde van de behandeling van het klaagschrift in raadkamer en met inachtneming van het summiere karakter van de beoordeling raadkamer - acht de rechtbank het niet hoogst onwaarschijnlijk dat de strafrechter, later oordelend, de onttrekking aan het verkeer van de scooter zal bevelen.
De rechtbank zal het klaagschrift tegen het artikel 94 Sv beslag dan ook ongegrond verklaren.
Namens klager is subsidiair verzocht om teruggave van de scooter zonder het motorblok in het geval er wordt geoordeeld dat het motorblok van diefstal afkomstig is.
De rechter overweegt daartoe het volgende.
De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 10 april 2018 geoordeeld dat het beslag ziet op de gehele scooter (in die casus was ook het motorblok gestolen en de scooter zelf niet), en voorts dat in die zaak de beklagrechter te ver vooruit was gelopen op de strafzaak door te bepalen dat de scooter met uitzondering van het motorblok terug mocht naar de klager. Het is aan de later oordelende strafrechter om te bepalen of de scooter al dan niet in zijn geheel als voorwerp waarvan het ongecontroleerde bezit in strijd is met de wet of het algemeen belang aan het verkeer moet worden onttrokken (ECLI:NL:HR:2018:855 / NJ 2018/202).
Het is op voorhand niet hoogst onwaarschijnlijk dat de rechter, later oordelend, zal beslissen dat de scooter verbeurd moet worden verklaard of moet worden onttrokken aan het verkeer. Daarom verzet het belang van strafvordering zich in dit geval ook tegen het splitsen van scooter en motorblok.
3. De beslissing
De rechtbank
- verklaart het klaagschrift ongegrond.
Deze beslissing is genomen door mr. M.H.M. Collombon, rechter, in tegenwoordigheid van
mr. S.H.M.R. Chevalier-Verbunt, griffier, en is uitgesproken op de openbare zitting van 2 december 2025.
INFORMATIE RECHTSMIDDEL
Tegen deze beslissing kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na dagtekening van deze beslissing en door de klager binnen veertien dagen na de betekening van deze beslissing beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden te 's-Gravenhage (artikel 552d lid 2 Wetboek van Strafvordering).