RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats Breda
parketnummer : 02-124711-25
raadkamernummer : 25-018097
datum : 2 december 2025
beslissing van de enkelvoudige raadkamer op het beklag op grond van artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[klager],
geboren op [datum] 2005 te [plaats],
woonplaats kiezend op het kantoor van mr. T. Roggenkamp, advocaat te Roosendaal (Molenstraat 10, 4701 JS Roosendaal),
hierna te noemen: klager.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken:
Op 4 november 2025 heeft het onderzoek door de raadkamer plaatsgevonden. Hierbij zijn de officier van justitie mr. C.P.G. Tax en mr. T. Roggenkamp als gemachtigd advocaat van klager, gehoord.
Klager is behoorlijk opgeroepen, maar niet bij de behandeling van het klaagschrift verschenen.
Het klaagschrift strekt tot opheffing van het beslag met last tot teruggave aan klager. Daartoe is aangevoerd dat klager eigenaar is van de inbeslaggenomen auto en dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat later een verbeurdverklaring van de auto zal volgen. Volgens de politie komt de auto van klager tijdens observatie van vermeende pseudokopen slechts eenmaal voor. Zij zien dat uit de auto één ponypack wordt gegooid. Dit is onvoldoende om tot verbeurdverklaring van de auto over te gaan. De advocaat heeft daarbij verwezen naar een uitspraak van het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch (ECLI:NL:GHSHE:2024:1213) waarbij het ook ging om één ponypack en waarbij de auto is teruggegeven aan verdachte.
Klager heeft een belang bij teruggave van de auto nu hij deze nodig heeft voor zijn werk.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het klaagschrift ongegrond verklaard dient te worden. De auto is gebruikt voor het vervoeren van drugs en is hiermee vatbaar voor verbeurdverklaring.
2. De beoordeling
De raadkamer van de rechtbank is bevoegd tot afdoening van het klaagschrift.
Het klaagschrift is tijdig ingediend en klager is ontvankelijk in zijn beklag.
Bij de beoordeling stelt de rechtbank voorop dat het onderzoek in raadkamer een summier karakter heeft. Dat betekent dat van de rechter niet kan worden gevraagd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak of ontnemingsprocedure te treden.
De rechtbank overweegt over het klaagschrift tegen het strafvorderlijk beslag dat is gelegd op grond van artikel 94 Sv als volgt.
Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad, moet de rechter, bij een op grond van artikel 94 Sv gelegd beslag:
a. beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo nee,
b. de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp gelasten aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende van dat voorwerp moet worden beschouwd.
In dit laatste geval moet het klaagschrift van de beslagene ongegrond worden verklaard.
Het beslag op de voorwerpen blijft gehandhaafd als er een strafvorderlijk belang is op grond van artikel 94 Sv. Dat is het geval wanneer:
- de desbetreffende voorwerpen kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen of om wederrechtelijk verkregen voordeel aan te tonen en/of
- het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring van het voorwerp zal bevelen en/of
- het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de onttrekking aan het verkeer van het voorwerp zal bevelen.
Klager is op 1 juli 2025 aangehouden wegens verdenking van betrokkenheid bij
handel/vervoer en bezit van harddrugs (onderzoek Andy). Uit de processen-verbaal van bevindingen, opgemaakt door verbalisanten belast met observatie, volgt dat klager meermalen is gezien bij een pseudokoop (verkoop van cocaïne) en daarbij gebruik maakte van een Toyota met [kenteken 2]. Uit de stukken en het verhandelde in raadkamer blijkt deze auto daarna is overgeschreven op de vader van klager. Vervolgens wordt klager op 1 juli 2025 bij een pseudokoop gezien in een andere Toyota, nu met [kenteken 1]. Dit voertuig is na aanhouding van klager op 1 juli 2025 in beslag genomen en stond toen op zijn naam. Hoewel klager slechts eenmaal in deze auto bij een pseudokoop is gezien, is het niet onaannemelijk dat hij deze auto gebruikte voor de voortzetting van de handel in verdovende middelen. Dit wordt ook ondersteund doordat verbalisanten hebben gezien dat klager, op het moment dat hij trachtte te vluchten, een ponypack met vermoedelijk verdovende middelen uit het raam van de auto gooide. Gelet op deze omstandigheden - uitgaande van de stand van zaken ten tijde van de behandeling van het klaagschrift - acht de rechtbank het niet hoogst onwaarschijnlijk dat de rechter, later oordelend, de verbeurdverklaring van de auto zal bevelen. De rechtbank is van oordeel dat op dit moment dus nog een strafvorderlijk belang bestaat bij het in beslag houden van de auto.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het klaagschrift tegen het artikel 94 Sv beslag ongegrond verklaren.
3. De beslissing
De rechtbank
- verklaart het klaagschrift ongegrond.
Deze beslissing is genomen door mr. M.H.M. Collombon, rechter, in tegenwoordigheid van
mr. S.H.M.R. Chevalier-Verbunt, griffier, en is uitgesproken op de openbare zitting van 2 december 2025.
INFORMATIE RECHTSMIDDEL
Tegen deze beslissing kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na dagtekening van deze beslissing en door de klager binnen veertien dagen na de betekening van deze beslissing beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden te 's-Gravenhage (artikel 552d lid 2 Wetboek van Strafvordering).