ECLI:NL:RBZWB:2025:9756

ECLI:NL:RBZWB:2025:9756, Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 02-12-2025, RK 25-019670

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 02-12-2025
Datum publicatie 23-01-2026
Zaaknummer RK 25-019670
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Raadkamer
Zittingsplaats Breda

Samenvatting

Beleidssepot. Gehele toewijzing.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats Breda

parketnummer : 02-068047-25

raadkamernummer : 25-019670

datum : 2 december 2025

beslissing van de enkelvoudige raadkamer op het verzoek op grond van artikel 530 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:

[verzoekster] ,

geboren op [datum] 1957 te [plaats] ,

woonplaats kiezend op het kantoor van mr. N.A.H. Limbourg, advocaat te Breda (Ginnekenweg 38, 4818 JG Breda),

hierna te noemen: verzoekster.

1. De procedure

De procedure blijkt onder meer uit de volgende stukken:

 het op 28 juli 2025 bij de griffie ingediende verzoekschrift dat strekt tot toekenning van een vergoeding ex artikel 530 Sv ten laste van de Staat voor een bedrag van:

Op 4 november 2025 heeft het onderzoek door de raadkamer plaatsgevonden. Hierbij zijn de officier van justitie mr. C.P.G. Tax en mr. N.A.H. Limbourg als gemachtigd advocaat van verzoekster, gehoord.

Verzoekster is behoorlijk opgeroepen, maar niet bij de behandeling van het verzoek verschenen.

Namens verzoekster is verzocht een vergoeding van bovengenoemde schade toe te wijzen. De advocaat van verzoekster heeft in raadkamer in aanvulling op het verzoekschrift aangevoerd dat uit het dossier niet volgt dat verzoekster de vervolging aan zichzelf te wijten heeft gehad. Uit het dossier op pagina 4 volgt dat er reeds op 28 mei 2025 de intentie lag om de strafzaak tegen verzoekster te seponeren, maar dat nog werd gezocht naar de juiste sepotcode. Er is nu sprake van een code ‘gewijzigde omstandigheden’. De kans dat verzoekster bij een inhoudelijke behandeling van de zaak zou zijn veroordeeld, is echter klein. Verzoekster acht gronden van billijkheid aanwezig dat aan haar de verzochte vergoeding wordt toegekend.

De officier van justitie heeft gepersisteerd bij de schriftelijke conclusie van het Openbaar Ministerie en zich op het standpunt gesteld dat er geen gronden van billijkheid aanwezig zijn voor het toekennen van een vergoeding voor de kosten van rechtsbijstand, aangezien gezegd kan worden dat verzoekster het aan zichzelf te wijten heeft dat zij deze kosten heeft moeten maken. Bij een inhoudelijke behandeling van de zaak zou een veroordeling wegens medeplegen dan wel medeplichtigheid aan oplichting c.q. fraude met betaalproducten in de rede hebben gelegen.

2. De beoordeling

De zaak is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank is bevoegd om het verzoek in behandeling te nemen, omdat de zaak in feitelijke aanleg bij de rechtbank zou worden vervolgd.

Op grond van artikel 530 Sv kan aan een gewezen verdachte een vergoeding voor de kosten van een raadsman worden toegekend, tenzij de raadsman was toegevoegd.

Artikel 534 lid 1 Sv bepaalt dat de toekenning van een schadevergoeding steeds plaatsheeft, als en voor zover daartoe naar het oordeel van de rechter gronden van billijkheid aanwezig zijn. Bij deze beoordeling worden alle omstandigheden in aanmerking genomen.

Het Openbaar Ministerie is op 10 juli 2025 overgegaan tot een beleidssepot vanwege gewijzigde omstandigheden. In zo’n geval kunnen gronden van billijkheid voor toekenning van een vergoeding ontbreken als verzoekster de kosten aan zichzelf te wijten had.

De rechtbank is van oordeel dat op basis van het procesdossier niet zonder meer kan worden vastgesteld dat verzoekster de verdenking aan zichzelf te wijten heeft gehad en ziet gronden van billijkheid om een vergoeding voor de door haar gemaakte kosten van rechtsbijstand toe te kennen. Het verzochte bedrag ter hoogte van € 1.025,00 is in voldoende mate onderbouwd en komt de rechtbank billijk voor. De rechtbank zal dit bedrag toewijzen.

Voor de kosten verbonden aan de indiening en behandeling van het verzoekschrift in raadkamer wordt het forfaitaire bedrag van € 680,00 toegekend.

3. De beslissing

De rechtbank:

wijst het verzoek tot toekenning van een vergoeding ex artikel 530 Sv toe tot een bedrag van

€ 1.705,00, bestaande uit:

- € 1.025,00 aan kosten van rechtsbijstand;

- € 680,00 aan kosten verbonden aan de indiening en behandeling van het verzoekschrift in raadkamer;

bepaalt dat een bedrag van € 1.025,00 zal worden overgemaakt op [rekeningnummer 1] ten name van [plaats] , onder vermelding van

“ 25-019670 /OM vergoeding”;

bepaalt dat een bedrag van € 680,00 zal worden overgemaakt op [rekeningnummer 2] ten name van Alveo Advocaten & Mediators B.V., onder vermelding van “ 25-019670 /forfaitaire vergoeding”.

Deze beslissing is genomen door mr. M.H.M. Collombon, rechter, in tegenwoordigheid van

mr. S.H.M.R. Chevalier-Verbunt, griffier, en is uitgesproken op de openbare zitting van

2 december 2025.

INFORMATIE RECHTSMIDDEL

Tegen de beslissing kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na de dagtekening van de beslissing en door verzoeker binnen een maand na de betekening van deze beslissing hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. M.H.M. Collombon

Griffier

  • mr. S.H.M.R. Chevalier-Verbunt

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?