RECHTBANK Zeeland-West-Brabant
Locatie Breda
Cluster II Handelszaken
Zaaknummer: C/02/440887 / KG ZA 25-538
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak in kort geding van 28 november 2025
in de zaak van
[eiser] ,
te [plaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. A. Klaassen,
tegen
STICHTING ACHMEA RECHTSBIJSTAND,
te Tilburg,
gedaagde partij,
hierna te noemen: Achmea,
advocaat: [naam].
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
– de dagvaarding van 18 november 2025 met producties 1 tot en met 10,
– producties 1 tot en met 8 zijdens Achmea,
– de aanvullende producties 11 en 12 zijdens [eiser] ,
– de mondelinge behandeling gehouden op 28 november 2025, waarvan door de griffier zittingsaantekeningen zijn gemaakt,
– de spreekaantekeningen die tijdens de mondelinge behandeling zijn voorgedragen namens [eiser] en Achmea.
In deze zaak heeft vandaag een mondelinge behandeling plaatsgevonden waarbij partijen hun standpunten hebben toegelicht. Vervolgens is de mondelinge behandeling gesloten en heeft de rechtbank op de zitting in aanwezigheid van partijen mondeling uitspraak gedaan.
2. De beoordeling
[eiser] heeft een geschil met haar werkgever, [werkgever] , naar aanleiding van een herstructurering waardoor volgens de gemeente haar functie komt te vervallen. Op 2 september 2025 heeft de gemeente het voornemen kenbaar gemaakt om [eiser] niet te plaatsen op de door haar opgegeven voorkeursfunctie, waardoor zij boventallig zal worden verklaard en er afspraken gemaakt zullen moeten worden over een werk-naar-werk traject. Onder verwijzing naar het Sociaal Statuut is [eiser] in de gelegenheid gesteld haar bedenkingen in te dienen. Zij wil zich in die procedure laten bijstaan door een zelf gekozen advocaat. Achmea heeft daarvoor geen toestemming gegeven. Het spoedeisend belang, dat overigens niet betwist is, is gelegen in de omstandigheid dat deze procedure bij de gemeente nog niet is afgerond en het definitieve besluit nog niet is genomen. In deze procedure wil [eiser] zich laten bijstaan door een advocaat naar eigen keuze.
In geschil is de vraag of de procedure bij de gemeente kwalificeert als een administratieve of gerechtelijke procedure als bedoeld in artikel 4:67 Wet op het financieel toezicht (Wft) waarvoor het recht op vrije advocaatkeuze geldt. Daar deze bepaling een implementatie is van de Europese Richtlijn 87/344, inmiddels vervangen door de Richtlijn Solvabiliteit II, is de jurisprudentie van het Europese Hof van Justitie van belang.
Uit die jurisprudentie volgt dat de begrippen gerechtelijke of administratieve procedure ruim moeten worden uitgelegd en dat een voorfase of voorbereidende fase van een gerechtelijke of administratieve procedure daar onder kunnen vallen. Het hangt af van de specifieke omstandigheden van het geval of sprake is van een procedure of een fase in een procedure die in het licht van de context en de strekking van de richtlijn kan worden aangemerkt als een gerechtelijke of administratieve procedure.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat de onderhavige procedure die de gemeente wil volgen een interne procedure is om tot zorgvuldige besluitvorming te kunnen komen. Anders dan [eiser] stelt, wordt hiermee haar rechtspositie als werknemer niet definitief vastgesteld, in die zin dat er geen reële mogelijkheid meer bestaat om deze positie te wijzigen bijvoorbeeld door middel van een beroep in rechte. Dat betekent dat de procedure waarvoor [eiser] recht op vrije advocaatkeuze wenst niet kwalificeert als een administratieve of gerechtelijke procedure. Alle vorderingen worden afgewezen.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Achmea worden begroot op:
- griffierecht
€
714,00
- salaris advocaat
€
1.107,00
- nakosten
€
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.999,00
3. De beslissing
De voorzieningenrechter
wijst de vorderingen van [eiser] af,
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 1.999,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [eiser] niet tijdig aan de proceskostenveroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet zij € 92,00 extra betalen, plus de kosten van betekening,
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Deze mondelinge uitspraak is gewezen door mr. Hermans en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
Dit proces-verbaal is opgemaakt en ondertekend door de voorzieningenrechter.