RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Cluster I Civiele kantonzaken
Bergen op Zoom
zaak/rolnr.: 11745163 CV EXPL 25-2020
vonnis d.d. 8 oktober 2025
inzake
[eiser] ,
wonende te [woonadres 1] ,
eiser,
gemachtigde: Save Incasso & Juridisch Advies te Apeldoorn,
tegen
1. [gedaagde 1] , en
2. [gedaagde 2],
beiden wonende te [woonadres 2] ,
gedaagden,
niet verschenen.
1. Het verdere verloop van het geding
De procedure blijkt uit het tussenvonnis van 13 augustus 2025 met het daarin genoemde processtuk.
2. De verdere beoordeling
Bij vonnis van 13 augustus 2025 is eiser in de gelegenheid gesteld een specificatie van de vordering in het geding te brengen. Van deze gelegenheid heeft eiser geen gebruik gemaakt.
Omdat eiser heeft nagelaten zijn vordering nader toe te lichten, kan de kantonrechter de rechtmatigheid en gegrondheid van de vordering niet vaststellen.
Gelet hierop overweegt de kantonrechter als volgt.
De kantonrechter zal de gevorderde hoofdsom van € 6.600,00 afwijzen.
De vorderingen tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten van € 575,00 en de wettelijke rente over de hoofdsom vanaf 3 april 2025 zullen eveneens worden afgewezen.
Eiser vordert onder II van het petitum van de dagvaarding de koopovereenkomst per direct te ontbinden en gedaagden, hoofdelijk, te gelasten het betreffende paard [naam paard] , inclusief al het toebehoren en de bijbehorende documenten op hun kosten aan eiser te retourneren binnen maximaal 7 dagen na betekening van het vonnis.
Door gedaagden is hiertegen geen verweer gevoerd, zodat deze vordering zal worden toegewezen, met dien verstande dat de retourtermijn wordt gesteld op veertien dagen na betekening van het vonnis.
Omdat de vordering tot ontbinding van de koopovereenkomst wordt toegewezen, brengt dit echter met zich mee dat eiser het reeds ontvangen bedrag dat door gedaagden is betaald, moet terugbetalen aan gedaagden.
De gevorderde dwangsom zal naar redelijkheid aan een maximum worden gebonden tot het hierna onder de beslissing te vermelden bedrag.
Gedaagden zijn grotendeels in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief de nakosten), hoofdelijk des dat de één betaalt de ander zal zijn bevrijd, betalen.
Omdat de hoofdsom van € 6.600,00, de buitengerechtelijke incassokosten en de wettelijke rente worden afgewezen, zullen de proceskosten worden begroot aan de hand van de resterende toegewezen vordering.
Omdat – zoals hierboven is overwogen – de vordering van eiser voor een deel is afgewezen, is de vordering voor de berekening van de proceskosten in een andere categorie terechtgekomen. De kantonrechter gaat nu uit van een vordering van onbepaalde waarde, zodat zij zelf het salaris van de gemachtigde moet bepalen. De kantonrechter bepaalt het salaris van de gemachtigde op € 82,00 per procespunt.
Bovendien zal de kantonrechter een bedrag van € 167,00 (= deel van het griffierecht) buiten beschouwing laten. Omdat eiser heeft nagelaten zijn vordering nader toe te lichten zijn de hoofdsom van € 6.600,00, de buitengerechtelijke incassokosten en wettelijke rente afgewezen. Hierdoor is de vordering voor de berekening van de griffierechten in een lagere categorie terecht gekomen. Het zou onredelijk zijn de financiële gevolgen daarvan voor rekening van gedaagden te laten komen. De proceskosten van eiser worden begroot op:
- dagvaarding € 147,81
- griffierecht € 90,00
- salaris gemachtigde € 82,00 (1 punt x tarief € 82,00)
- nakosten € 41,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
totaal € 360,81
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
3. De beslissing
De kantonrechter:
ontbindt de koopovereenkomst tussen eiser en gedaagden;
gelast gedaagden, hoofdelijk, het betreffende paard [naam paard] , inclusief al het toebehoren en de bijbehorende documenten op hun kosten aan eiser te retourneren binnen veertien dagen na betekening van het vonnis, zulks op straffe van een dwangsom van € 250,00 per dag dat gedaagden met de retournering in gebreke blijven, met een maximum van € 10.000,00;
veroordeelt gedaagden, hoofdelijk des dat de één betaalt de ander zal zijn bevrijd, tot betaling van de proceskosten van € 360,81, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als gedaagden niet op tijd aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend, dan moeten gedaagden ook de kosten van betekening betalen;
veroordeelt gedaagden, hoofdelijk des dat de één betaalt de ander zal zijn bevrijd, in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst de vordering voor het overige af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Swaanen, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 8 oktober 2025, in tegenwoordigheid van de griffier.