RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team strafrecht
Zittingsplaats Breda
zaaknummer : 11666395 \ MB VERZ 25-698
beschikkingsnummer : 24012509273140614200 / 5345617
uitspraakdatum : 7 oktober 2025
proces-verbaal van de zitting en uitspraak op een beroep tegen een boete op grond van artikel 154b van de Gemeentewet
in de zaak van
naam : [betrokkene]
adres : [adres]
woonplaats : [woonplaats]
hierna: betrokkene
gemachtigde : mr. S.J.H de Groot
Verloop van de procedure
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Breda (hierna: het college) heeft aan betrokkene een bestuurlijke boete opgelegd. Betrokkene heeft daartegen bezwaar gemaakt. Het college heeft het bezwaar ongegrond verklaard. Tegen die beslissing is door betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.
De zaak is behandeld op de zitting van 7 oktober 2025. Namens het college zijn verschenen [zittingsvertegenwoordiger 1] en [zittingsvertegenwoordiger 2] (hierna: zittingsvertegenwoordigers). Gemachtigde en betrokkene zijn ook verschenen. De kantonrechter heeft op de zitting uitspraak gedaan.
Standpunten
De overtreding waarvoor de boete is opgelegd luidt, kort omschreven: hinder veroorzaken, door een stof op of in de bodem te brengen, te storten, te houden, achter te laten op de [straat 1] te Breda op 24 januari 2025 om 09:27 uur.
Betrokkene heeft in het beroepschrift samengevat aangevoerd dat de gedraging niet is verricht. Betrokkene stelt dat het college geen argument levert voor het ongegrond verklaren van het door betrokkene weerlegde bewijsvermoeden. Volgens betrokkene wordt post regelmatig verkeerd bezorgd. Zo ook deze Donald Duck uit juni 2023, welke betrokkene nimmer op het woonadres heeft ontvangen. De kwaliteit van de bezorging staat sterk onder druk, zeker bij degene die een toevoeging aan het huisnummer heeft. Als de Donald Duck bij betrokkene zou zijn bezorgd, dan zouden de kinderen het tijdschrift niet in de folie hebben laten zitten. De aangetroffen Donald Duck zit echter nog wel in de folie. Ook het overige afval kan niet van betrokkene afkomstig zijn, omdat betrokkene woonachtig is in een huurwoning die niet verbouwd mag worden. Veel aannemelijker is dat het afval afkomstig is van een van de panden die verbouwd worden aan dit deel van de [straat 1] . Daarbij is het afval relatief ver van betrokkene’s woning aangetroffen. Op het moment dat het afval was aangetroffen was betrokkene ook aan het werk. Om die reden is betrokkene ook fysiek niet in staat geweest om het afval op de pleegdatum op de pleeglocatie te dumpen. Dit kan betrokkene aantonen middels zijn werkrooster. Het had op de weg gelegen van de gemeente om camerabeelden op te vragen bij de bewoners en/of ondernemers aan de [straat 1] welke gericht staan op het punt waar het afval is aangetroffen. Verder is geen sprake van dumping en van milieuschade al helemaal niet, waardoor betrokkene subsidiair verzoekt dat niet artikel 14, maar artikel 10 lid 1 van de verordening is overtreden. De uitspraak waarnaar de gemeente verwijst van de Raad van State betreft een soortgelijke zaak die de gemeente verloor. Betrokkene vindt het ontzettend onrechtvaardig dat iedere burger dit kennelijk kan overkomen.
Ter zitting heeft betrokkene hieraan toegevoegd dat hij een week- en maandblad heeft van Donald Duck en daardoor niet bijhoudt welke wanneer wordt bezorgd. De meesten komen binnen en ze worden veel gelezen. Betrokkene bewaart ze ook allemaal. Op het weekblad staat wel een adres. Zo zag betrokkene tweedehands een Donald Duck verkocht worden met daarop nog een adres van de eerste eigenaar, die ook zomaar door een ander verkeerd weggegooid kan worden.
Gemachtigde heeft ter zitting aangevoerd dat op de foto van het afval te zien is dat het gaat om wat houten latjes of lambrisering, gelijktijdig aangeboden met bedrijfsval in de groen met grijze bedrijfskliko’s die ernaast staan. Daartussen zit het bewijsstuk waar alles in de zaak om draait, namelijk de Donald Duck van juni 2023 en een adressticker met het woonadres van betrokkene erop. Via Google Maps is herleid waar het afval is aangeboden. Op de foto van de handhavers is te zien dat het gaat om de containerplek op de stoep aan het begin van de [straat 1] , nabij de kruising met de [straat 2] . Aan de zwarte onderkant van het pand op de foto, de plaatsing van de boom en de fietsrekken is duidelijk de [galerie] te herkennen op [nummer 1] . Links daarnaast en precies achter de containerplaats ziet men een leegstaand winkelpand met [nummer 2] . Het kan geen toeval zijn dat precies voor de deur van [straat 1] [nummer 2] afval wordt gevonden met een poststuk dat eigenlijk toebehoort aan [adres] , het adres van betrokkene. Hemelsbreed zo’n 100 meter uit elkaar, maar met hetzelfde huisnummer van twee straten die op elkaar uitkomen. Een aannemelijke vergissing van de postbode, maar tevens een afstand die te groot is om ‘even drie dozen aan de straat te zetten’, vanuit het perspectief van betrokkene bezien. Daarnaast zijn het winkelpand en de panden ernaast fors verbouwd. Het is dus veel logischer dat het aangetroffen afval afkomstig is uit deze panden. Op beelden van Google Maps blijkt duidelijk dat het ook daarvan afkomstig is, nu precies dezelfde dozen netjes opgestapeld te zien zijn in het portiek van [straat 1] [nummer 2] . Dit zijn beelden van een paar maanden voor de dumping. Onomstotelijk staat vast dat het om exact dezelfde dozen gaat, toebehorend aan dat pand en dus uitdrukkelijk niet toebehorend aan betrokkene.
Namens het college is ter zitting verzocht het beroep gegrond te verklaren, aangezien gemachtigde het bewijsvermoeden heeft weerlegd.
Overwegingen
De boete is gebaseerd op een overtredingsrapport dat is opgemaakt door een opsporingsambtenaar (verbalisant). De kantonrechter is van oordeel dat uit het dossier - met name uit het overtredingsrapport en de foto’s - voldoende blijkt dat de overtreding waarvoor de boete is opgelegd, is verricht.
Dat wordt door betrokkene ook niet ontkend. Betrokkene betwist echter wel dat hij degene is die de overtreding heeft verricht. De vraag die de kantonrechter moet beantwoorden is dus of betrokkene als overtreder kan worden aangemerkt.
Volgens vaste rechtspraak is het uitgangspunt dat in de regel mag worden aangenomen dat de persoon tot wie de aangetroffen afvalstoffen kunnen worden herleid, ook de overtreder is. Dit wordt het bewijsvermoeden genoemd. Dat is anders indien die persoon aannemelijk maakt dat hij of zij niet degene is geweest die het voorschrift heeft overtreden. Naast de fysieke overtreder kan onder omstandigheden ook degene die de overtreding niet zelf feitelijk begaat, maar aan wie de handeling wel is toe te rekenen, voor de overtreding verantwoordelijk worden gehouden en dus als overtreder worden aangemerkt.
Van betrokkene wordt niet verwacht dat deze onomstotelijk aantoont dat hij of zij de overtreding niet heeft begaan. Het bewijsvermoeden kan worden weerlegd door het aannemelijk maken van het tegendeel. Dat kan bijvoorbeeld door het geven van een concrete, gedetailleerde, logische en met objectieve omstandigheden onderbouwde verklaring voor het, zonder toedoen van de beboete persoon, belanden van de aangetroffen afvalstoffen op die plek. Ook zou met objectieve omstandigheden aannemelijk kunnen worden gemaakt dat betrokkene niet in de gelegenheid was om de aangetroffen afvalstoffen op die plek achter te laten. Als daarmee voldoende twijfel ontstaat over de aanname op grond van het bewijsvermoeden dat betrokkene de overtreder is, dan is het vervolgens weer aan het college om die twijfel en het geleverde tegenbewijs te weerleggen.
De kantonrechter is met betrokkene en zijn gemachtigde én de gemeente van oordeel dat het bewijsvermoeden is weerlegd. De kantonrechter stelt op basis van wat ter zitting aan bod is gekomen vast dat betrokkene niet degene is geweest die het afval op de betreffende plek heeft achtergelaten.
Dit betekent dat de boete ten onrechte aan betrokkene is opgelegd.
Het beroep is daarom gegrond. De beslissing van het college en de beschikking waarbij de boete is opgelegd zullen worden vernietigd. Het bedrag dat betrokkene aan zekerheid heeft betaald moet door het college worden terugbetaald. De kantonrechter ziet daarbij geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding, nu daarom niet is verzocht en gemachtigde aangaf dat het een vriendendienst betrof.
Beslissing
De kantonrechter:
‒ verklaart het beroep gegrond;
‒ vernietigt de bestreden beslissing en de beschikking waarbij de boete is opgelegd;
‒ draagt het college op het bedrag van € 410,- dat betrokkene als zekerheidstelling heeft betaald, aan betrokkene terug te betalen.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.W.M. Speekenbrink, kantonrechter, bijgestaan door de griffier E. Alekperov, en in het openbaar uitgesproken op 7 oktober 2025.
Als u het niet eens bent met deze beslissing, dan kunt u binnen 6 weken na de hieronder vermelde datum van verzending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, maar alleen als:
Het beroepschrift moet worden ingediend bij Rechtbank Zeeland-West-Brabant, Team strafrecht, Postbus 90008, 4800 PA Breda. Het beroepschrift moet zijn ondertekend door degene die beroep heeft ingesteld of door de gemachtigde.
U dient daarbij het zaaknummer te vermelden.
De procedure bij het gerechtshof verloopt geheel schriftelijk, tenzij u in het beroepschrift uitdrukkelijk vraagt om een zitting waarop u uw standpunt mondeling wilt toelichten.
Datum verzending: