RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team strafrecht
Zittingsplaats Breda
zaaknummer : 11538834 \ MB VERZ 25-254
beschikkingsnummer : 09102409251940614200 / 4974136
uitspraakdatum : 7 oktober 2025
proces-verbaal van de zitting en uitspraak op een beroep tegen een boete op grond van artikel 154b van de Gemeentewet
in de zaak van
naam : [betrokkene]
adres : [adres]
woonplaats : [woonplaats]
hierna: betrokkene
gemachtigde : [gemachtigde]
Verloop van de procedure
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Breda (hierna: het college) heeft aan betrokkene een bestuurlijke boete opgelegd. Betrokkene heeft daartegen bezwaar gemaakt. Het college heeft het bezwaar ongegrond verklaard. Tegen die beslissing is door betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.
De zaak is behandeld op de zitting van 7 oktober 2025. Namens het college zijn verschenen [zittingsvertegenwoordiger 1] en [zittingsvertegenwoordiger 2] (hierna: zittingsvertegenwoordigers). Gemachtigde en betrokkene zijn niet verschenen. De kantonrechter heeft op de zitting uitspraak gedaan.
Standpunten
De overtreding waarvoor de boete is opgelegd luidt, kort omschreven: hinder veroorzaken, door een stof op of in de bodem te brengen, te storten, te houden, achter te laten op de [straat] te Breda op 9 oktober 2024 om 09:25 uur.
Gemachtigde heeft in het beroepschrift samengevat aangevoerd dat de boete niet redelijk is gelet op de omstandigheden waaronder de gedraging heeft plaatsgevonden. Op de pleegdatum was de oplevering van de woning. De partner van gemachtigde (die Alzheimer heeft) was zich er niet van bewust dat hij deze doos op straat had neergezet. Doordat ook andere mannen hielpen de woning leeg te maken en gemachtigde op diverse plaatsen rondom de woning tegelijk moest zijn is dit haar ontgaan en had betrokkene wegens onmacht geen controle op deze situatie. De dochter van gemachtigde wier naam op de door de gemeente aangetroffen doos stond was die dag niet eens aanwezig in verband met een operatie. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft gemachtigde een foto van een Whatsapp-conversatie tussen haar en haar dochter overgelegd die over dit onderwerp gaat.
Namens het college is ter zitting aangevoerd dat betrokkene een betalingsregeling heeft en maandelijks € 34,- betaalt zodat de zekerheid kan worden vastgesteld op € 239,20 en de zaak inhoudelijk kan worden behandeld. Inhoudelijk is verzocht om het beroep gegrond te verklaren, nu de dochter niet bekeurd had moeten worden voor het handelen van haar ouders. In dit geval is het aannemelijk geworden dat niet de dochter, maar een van haar ouders de gedraging heeft begaan, waardoor de boete niet op betrokkene had moeten worden verhaald.
Overwegingen
Zekerheidstelling
Betrokkene heeft € 239,20 aan zekerheid gesteld en tot op heden nagelaten het restant te betalen, waardoor niet wordt voldaan aan de verplichte zekerheidstelling.
Ter zitting is gebleken dat betrokkene een betalingsregeling heeft en maandelijks € 34,- hieraan betaalt.
De kantonrechter ziet vanuit proceseconomische redenen aanleiding om de zekerheid vast te stellen op € 239,20,- en het beroep inhoudelijk te behandelen. Het boetebedrag is daarmee niet aangepast.
Inhoudelijk
De boete is gebaseerd op een overtredingsrapport dat is opgemaakt door een opsporingsambtenaar (verbalisant). De kantonrechter is van oordeel dat uit het dossier - met name uit het overtredingsrapport en de foto’s - voldoende blijkt dat de overtreding waarvoor de boete is opgelegd, is verricht.
Dat wordt door betrokkene ook niet ontkend. Betrokkene betwist echter wel dat zij degene is die de overtreding heeft verricht. De vraag die de kantonrechter moet beantwoorden is dus of betrokkene als overtreder kan worden aangemerkt.
Volgens vaste rechtspraak mag in de regel worden aangenomen dat de persoon tot wie de aangetroffen afvalstoffen kunnen worden herleid, ook de overtreder is. Dit wordt het bewijsvermoeden genoemd. Dan is het vervolgens aan diegene om aannemelijk te maken dat hij of zij niet degene is geweest die het voorschrift heeft overtreden.
De kantonrechter ziet in wat betrokkene heeft aangevoerd voldoende aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van het bewijsvermoeden. Daarbij is van belang dat betrokkene, onder meer door het overleggen van de Whatsapp-conversatie tussen haar en haar moeder, aannemelijk heeft gemaakt dat zij de gedraging niet heeft begaan en onterecht is aangemerkt als overtreder.
Dit betekent dat de boete ten onrechte aan betrokkene is opgelegd.
Het beroep is daarom gegrond. De beslissing van het college en de beschikking waarbij de boete is opgelegd zullen worden vernietigd. Het bedrag dat betrokkene aan zekerheid heeft betaald moet door het college worden terugbetaald.
Beslissing
De kantonrechter:
‒ verklaart het beroep gegrond;
‒ vernietigt de bestreden beslissing en de beschikking waarbij de boete is opgelegd;
‒ draagt het college op het bedrag van € 239,20 dat betrokkene als zekerheidstelling heeft betaald, aan betrokkene terug te betalen.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.W.M. Speekenbrink, kantonrechter, bijgestaan door de griffier E. Alekperov, en in het openbaar uitgesproken op 7 oktober 2025.
Als u het niet eens bent met deze beslissing, dan kunt u binnen 6 weken na de hieronder vermelde datum van verzending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, maar alleen als:
Het beroepschrift moet worden ingediend bij Rechtbank Zeeland-West-Brabant, Team strafrecht, Postbus 90008, 4800 PA Breda. Het beroepschrift moet zijn ondertekend door degene die beroep heeft ingesteld of door de gemachtigde.
U dient daarbij het zaaknummer te vermelden.
De procedure bij het gerechtshof verloopt geheel schriftelijk, tenzij u in het beroepschrift uitdrukkelijk vraagt om een zitting waarop u uw standpunt mondeling wilt toelichten.
Datum verzending: