RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team strafrecht
Zittingsplaats Breda
zaaknummer : 11538895 \ MB VERZ 25-255
beschikkingsnummer : 03122410424640614200 / 5111455
uitspraakdatum : 7 oktober 2025
proces-verbaal van de zitting en uitspraak op een beroep tegen een boete op grond van artikel 154b van de Gemeentewet
in de zaak van
naam : [betrokkene]
adres : [adres]
woonplaats : [woonplaats]
hierna: betrokkene
Verloop van de procedure
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Breda (hierna: het college) heeft aan betrokkene een bestuurlijke boete opgelegd. Betrokkene heeft daartegen bezwaar gemaakt. Het college heeft het bezwaar ongegrond verklaard. Tegen die beslissing is door betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.
De zaak is behandeld op de zitting van 7 oktober 2025. Namens het college zijn verschenen [zittingsvertegenwoordiger 1] en [zittingsvertegenwoordiger 2] (hierna: zittingsvertegenwoordigers). Betrokkene is ook verschenen. De kantonrechter heeft op de zitting uitspraak gedaan.
Standpunten
De overtreding waarvoor de boete is opgelegd luidt, kort omschreven: hinder veroorzaken, door een stof op of in de bodem te brengen, te storten, te houden, achter te laten op de [straat] te Breda op 3 december 2024 om 10:42 uur.
Betrokkene heeft in het beroepschrift samengevat aangevoerd dat de boete niet redelijk is gelet op de omstandigheden waaronder de gedraging heeft plaatsgevonden. Betrokkene stelt nergens een bewuste fout te hebben gemaakt. Betrokkene kreeg op 15 november 2024 de sleutel van het huis en op 20 november 2024 heeft betrokkene een aanvraag gedaan voor het ophalen van het grofvuil. Op 2 december werd het hout opgehaald en op 3 december het grofvuil. Op 1 december in de avond heeft betrokkene het hout in samengebonden pakketjes aan de [straat] gelegd. Op 2 december nadat zij klaar was met werken constateerde betrokkene dat het hout niet was opgehaald. Op 2 december heeft betrokkene in de avond het grofvuil aan de weg gezet, bij het hout. Op 3 december heeft betrokkene ’s ochtends contact opgenomen met de gemeente, omdat het hout op 2 december niet was opgehaald. Hieruit bleek dat het hout en daarmee ook het grof vuil volgens de gemeente op de verkeerde plek lag. Afgesproken werd dat betrokkene het die dag nog zou weghalen, maar eind van de middag toen zij klaar was met werken en het wilde ophalen, bleek het vuil al opgehaald te zijn. Op 12 december 2024 kreeg betrokkene vervolgens de boete. Betrokkene vraagt aandacht voor de omstandigheden dat haar straat geen doorgaande weg betreft en ze daarom dacht dat ze het vuil ergens anders moest aanbieden, ze midden in een verhuizing zat na een recente scheiding en haar kinderen ook erg emotioneel waren. Dit terwijl ze weer gewoon moest werken en ze geprobeerd heeft ondanks alle emoties alles zo goed mogelijk te regelen.
Ter zitting heeft betrokkene hieraan toegevoegd dat ze een brief kreeg met instructies, waarop onder andere stond dat je het afval aan de doorgaande weg moet plaatsen. In betrokkene’s beleving is dat niet haar adres, aangezien dit een ronde straat betreft, waardoor ze het heeft neergezet bij een plaats waar vaker afval ligt, wat verder is gelegen dan voor haar eigen voordeur waar het kennelijk had moeten liggen. Betrokkene heeft het niet expres gedaan en heeft haar best gedaan het op te lossen.
Namens het college is ter zitting verzocht het beroep ongegrond te verklaren. Daartoe is het volgende aangevoerd. Er was een ophaalafspraak voor hout op 2 december 2024, waarbij op de brief staat aangegeven waar het afval moest worden achtergelaten, namelijk het adres van betrokkene zelf. Dit moest de dag ervoor om 21:00 uur gebeuren. Ditzelfde gold voor het grofvuil op 3 december 2024. Het afval lag echter op de verkeerde locatie en op het verkeerde tijdstip, waardoor de boete is opgelegd. Het afval is opgeruimd door de handhavingsmedewerkers. Ook is karton op de pleeglocatie aangetroffen, wat er niet tussen hoort.
Overwegingen
De boete is gebaseerd op een overtredingsrapport dat is opgemaakt door een opsporingsambtenaar (verbalisant). De kantonrechter is van oordeel dat uit het dossier - met name uit het overtredingsrapport en de foto’s - voldoende blijkt dat de overtreding waarvoor de boete is opgelegd, is verricht. Dat wordt door betrokkene ook niet ontkend.
De kantonrechter ziet in wat betrokkene heeft aangevoerd wel aanleiding om de boete te matigen. Daarbij is van belang dat betrokkene aannemelijk heeft gemaakt goed haar best te hebben gedaan door het hout en het grof vuil op het juiste tijdstip en op de juiste manier (samengebonden) aan te bieden op een plek aan een doorgaande weg. Betrokkene heeft slechts de instructies verkeerd begrepen, nu haar eigen straat ook een doorgaande weg betreft. Betrokkene heeft nu juist meer met de goederen gesjouwd dan achteraf nodig bleek.
De boete zal daarom worden gematigd tot nihil.
Het beroep is gelet op de matiging gedeeltelijk gegrond. De beslissing van het college zal worden gewijzigd. Het bedrag dat betrokkene te veel aan zekerheid heeft betaald moet door het college worden terugbetaald.
Beslissing
De kantonrechter:
‒ verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond;
‒ wijzigt de beslissing van het college in die zin dat de boete wordt gematigd tot nihil;
‒ draagt het college op het bedrag van € 410,- dat betrokkene te veel als zekerheidstelling heeft betaald, aan betrokkene terug te betalen.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.W.M. Speekenbrink, kantonrechter, bijgestaan door de griffier E. Alekperov, en in het openbaar uitgesproken op 7 oktober 2025.
Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.
Datum verzending: