RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team strafrecht
Zittingsplaats Breda
zaaknummer : 11339957 \ MB VERZ 24-1353
beschikkingsnummer : 19062410593440614200 / 4658828
uitspraakdatum : 7 oktober 2025
proces-verbaal van de zitting en uitspraak op een beroep tegen een boete op grond van artikel 154b van de Gemeentewet
in de zaak van
naam : [betrokkene]
adres : [adres]
woonplaats : [woonplaats]
hierna: betrokkene
Verloop van de procedure
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Breda (hierna: het college) heeft aan betrokkene een bestuurlijke boete opgelegd. Betrokkene heeft daartegen bezwaar gemaakt. Het college heeft het bezwaar ongegrond verklaard. Tegen die beslissing is door betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.
De zaak is behandeld op de zitting van 7 oktober 2025. Namens het college zijn verschenen [zittingsvertegenwoordiger 1] en [zittingsvertegenwoordiger 2] (hierna: zittingsvertegenwoordigers). Betrokkene is niet verschenen. De kantonrechter heeft op de zitting uitspraak gedaan.
Standpunten
De overtreding waarvoor de boete is opgelegd luidt, kort omschreven: huishoudelijke afvalstoffen die uitzonderlijk worden ingezameld niet afzonderlijk ter inzameling aanbieden op 19 juni 2024 om 10:59 uur op [adres] te Breda.
Betrokkene heeft in het beroepschrift samengevat aangevoerd dat de gedraging niet is verricht. De gemeente kan niet aantonen dat de grijze vuilniszak met afval door betrokkene in hun PMD-container is gedeponeerd. Alleen de reden dat de container op hun adres staat vindt betrokkene onvoldoende. Zo kan iedere willekeurige burger afval in de container deponeren en is betrokkene daar verantwoordelijk voor. Betrokkene kan het niet aannemelijk maken met bewijsstukken. Het huishouden van betrokkene doet juist veel aan afvalscheiding, waardoor het oneerlijk is om daar een boete voor te ontvangen. Een waarschuwing zou meer op zijn plaats zijn.
Namens het college is ter zitting verzocht het beroep ongegrond te verklaren. Daartoe is het volgende aangevoerd. Het enkel stellen dat geen gebruik wordt gemaakt van een bepaalde vuilniszak maakt niet aannemelijk dat de gedraging niet is begaan. Onduidelijk is waarom mensen die gratis restafval in de container kunnen gooien dit bij betrokkene zouden moeten doen. De zittingsvertegenwoordiger ziet geen aanleiding om hier van uit te gaan.
Overwegingen
De boete is gebaseerd op een overtredingsrapport dat is opgemaakt door een opsporingsambtenaar (verbalisant). De kantonrechter is van oordeel dat uit het dossier - met name uit het overtredingsrapport en de foto’s - voldoende blijkt dat de overtreding waarvoor de boete is opgelegd, is verricht.
Dat wordt door betrokkene ook niet ontkend. Betrokkene betwist echter wel dat zij degene is die de overtreding heeft verricht. De vraag die de kantonrechter moet beantwoorden is dus of betrokkene als overtreder kan worden aangemerkt.
Volgens vaste rechtspraak mag in de regel worden aangenomen dat de persoon tot wie de aangetroffen afvalstoffen kunnen worden herleid, ook de overtreder is. Dit wordt het bewijsvermoeden genoemd. Dan is het vervolgens aan diegene om aannemelijk te maken dat hij of zij niet degene is geweest die het voorschrift heeft overtreden.
In deze zaak is het aangetroffen afval tot betrokkene te herleiden omdat het haar container betreft. Het bewijsvermoeden dat betrokkene daarmee ook de overtreder is, is door betrokkene niet weerlegd. De enkele stelling dat een ander de gedraging waarschijnlijk heeft verricht en daarbij gebruik heeft gemaakt van hun container is daarvoor onvoldoende. De kantonrechter betrekt hierbij dat uit de inhoud van de vuilniszak blijkt dat dit plastic betreft, wat normaal gesproken juist in de PMD-container thuishoort. Hieruit zou men kunnen afleiden dat het afval met opzet in deze container is geplaatst, maar dat men (betrokkene) onbekend was met het gegeven dat het niet in een grijze vuilniszak mocht worden geplaatst. Verder heeft de toezichthouder een discretionaire bevoegdheid wat betreft het opleggen van een boete.
De boete is dus terecht opgelegd.
Beslissing
De kantonrechter:
‒ verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.W.M. Speekenbrink, kantonrechter, bijgestaan door de griffier E. Alekperov, en in het openbaar uitgesproken op 7 oktober 2025.
Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.
Datum verzending: